SCOOP 16: 29 november 2025

In deze aflevering drie films, een roman en een tentoonstelling. Second Victims gaat over hoe een arts het ‘tweede slachtoffer’ kan worden nadat hij of zij een medische fout heeft gemaakt, Die My Love over een jonge vrouw die mentaal van het pad raakt na de geboorte van haar kind en On Vous Croit over hoe kindermisbruik levens ontwricht. Verder Laatste Man, de prachtige nieuwe roman van Marc Reugebrink, die laat zien hoe ziekte en ziekenhuisopnames tijdens de jeugd hun sporen nalaten in het latere leven. En als toetje een fraaie tentoonstelling in het Rijksmuseum waarin onder meer aandacht wordt besteed aan de vraag hoe 17de-eeuwers dachten over ziekte, gezondheid en hygiëne.

Eindredactie/correctie: Cathri van de Haar
Reacties in de vorm van opmerkingen, vragen, tips, kritiek en/of lof kunnen naar: scoop0329@gmail.com

FILM
Second Victims, vanaf 4 december in de bioscoop
Hier vindt u de trailer.

Het tweede slachtoffer van een medische fout
Elke medische fout raakt minstens twee mensen: in de eerste plaats uiteraard de patiënt, maar ook de behandelende arts, tegenwoordig vaak het tweede slachtoffer genoemd. Dat fenomeen ‘tweede slachtoffer’ (of second victim) is, getuige onder meer dit artikel op de site van The British Medical Journal, inmiddels onderwerp van nogal wat wetenschappelijk onderzoek. Daarin wordt onder meer nagegaan wat de risicofactoren zijn – vaak genoemd: systematische onderbezetting en tijdsdruk –, hoe je het kunt voorkomen en vooral wat de impact is op de zorgverlener.

Beroerte
Het Deense Second Victims van Zinnini Elkington draait om zo’n ‘tweede slachtoffer’. Noem het gerust een casus. In de film volgen we neuroloog Alexandra (afgekort tot Alex) op dezelfde manier als de gestresseerde verpleegkundige in de hier onlangs besproken film Heldin. Evenals die verpleegkundige moet ook Alex talrijke ballen tegelijkertijd in de lucht houden, zeker nu een collega ziek is uitgevallen en digitale patiëntendossiers ontoegankelijk zijn door een ICT-storing.
Als een 18-jarige jongen zich met zijn moeder meldt op de SEH, klagend over aanhoudende, hevige hoofdpijn, wil een zenuwachtige anios een MRI-scan laten maken, maar Alex vindt dat volstrekt onnodig. Ze denkt aan een kater. Maar als de jongen en zijn moeder het ziekenhuis willen verlaten, krijgt hij een, naar later zal blijken, levensbedreigende beroerte. De subarachnoïdale bloeding blijkt niet te coilen, aldus de neurochirurg. De jongen wordt hersendood verklaard.

Groeiende twijfel
De aanvankelijk zelfverzekerde Alex gaat naarmate de uren vorderen steeds meer aarzelen en twijfelen, te midden van de chaos van collega’s, patiënten en (lastige) familieleden die ook haar aandacht vragen. Heeft ze inderdaad wat over het hoofd gezien toen ze de diagnose stelde? Vertrouwde ze te zeer op haar ‘het is pluis-gevoel’? Was het kokervisie? Had de anios (of coassistent) gelijk? Heeft ze de ouders valse hoop gegeven, zoals een collega haar verwijt? Heeft ze de ouders tijdig voorbereid op de mogelijkheid van orgaandonatie? Heeft ze – het grote woord moet er maar uit – schuld aan zijn dood?
Second Victims geeft geen eenduidige antwoorden op die vragen en oogt juist daarom levensecht. Ook de stijl – lange takes, claustrofobische scènes – versterkt het gevoel van toenemende stress, spanning en vooral morele complexiteit.
Toegegeven, het scenario is soms wat schematisch: tegenover de 18-jarige jongen staat een oudere dame, ook met een beroerte, die er dankzij adequaat ingrijpen (lees: een trombolyse) van Alex juist weer bovenop komt. Alsof de film wil zeggen ‘ze is een professional; ze kan het best wel’. En wees geen medische kniesoor, iets wat dokters en andere zorgverleners nog weleens eigen is, als het om dit soort films gaat. Want ja, we zijn inderdaad getuige van een wel erg snel uitgevoerde MRI. Laat u niet verleiden tot kritiek op dat soort details, want in deze film gaat het primair om de overdracht van een ervaring, om een casus die uw gemoed en uw moreel, mogelijk zelfs uw ethisch besef in beweging wil zetten. Hoe neem je besluiten onder hoge druk, en welke fouten kunnen dan op de loer liggen? In die overdracht is deze film, opgenomen overigens in een bestaand ziekenhuis, helemaal geslaagd.
Henk Maassen

Roman
Laatste man, Marc Reugebrink, Querido, 270 blz., 22,99 euro

Ontsnapt aan het verhaal van een ziekte
In de jaren zestig lag uw dienaar enige tijd in een kinderziekenhuis. De kwaal of kwalen doen niet ter zake, al was het maar omdat ze nooit geheel duidelijk zijn geworden. Nimmer heb ik van de sfeer die daar heerste zo’n overtuigende beschrijving gelezen als in het eerste hoofdstuk van Laatste Man, de nieuwe roman van Marc Reugebrink. Ook die speelt zich af in een kinderziekenhuis – specifieker: het Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam. Zijn schets van de ambiance en de dagelijkse gang van zaken is zo levendig, zo waarachtig en daardoor zo herkenbaar, dat ze zich dreigt te vermengen met de herinneringen aan mijn eigen verblijf. Een citaat:
‘Er was geen buiten. Er was alleen dit gebouw zonder uitgang. De gangen gingen eindeloos door, eindigden in duistere hallen vanwaar nieuwe gangen vertrokken, sommige met dichte deuren waarachter zich allerlei onuitsprekelijke dingen afspeelden, sommige met grote glazen deuren in een zwart metalen frame, zoals de deuren in onze gang, of ze liepen dood, eindigden op een muur, een plek waar je niet links en niet rechts kon, alleen terug, en waar boven je hoofd een eenzame tl-lamp een zoemend geluid maakte. Er was alleen de betonnen regelmaat van de thermometers om 6 uur ’s ochtends, de witte boterhammen met boterhamworst en dunne jam, de beker met de blauwachtig glanzende magere melk, de boterhammen om 12 uur, met soms een zwetend plakje kaas, de lammetjesthee ’s middags, en ’s avonds wat stuk gekookte aardappelen naast een hoopje drabbige spinazie of prei met een glibberige witte saus, en daarbij een stukje witte vis of een gehaktbal, soms, als je pech had, een stuk lever. Je moest dat eten. Wie het niet opat, wie zijn maag omhoog voelde komen zoals ik bij de lever, wie zei het niet te lusten, werd streng toegesproken door de zuster van dienst en kreeg zijn toetje niet, een puddinkje met wat rode saus erbovenop, dat trilde als je tegen het schoteltje tikte waar het op stond, dat kleine beetje zoetigheid dat diende als vergoeding voor de bittere groenten en het oneetbare, taaie vlees.’
Klopt helemaal, ben ik geneigd te zeggen.

Lichamelijke beperkingen
En wat ook klopt: de komst van een oudere jongen op zaal, iemand tegen wie je opkijkt, die je in zekere zin bevrijdt uit de heersende benauwdheid en leven in de brouwerij brengt. In mijn geval was dat een wijsneuzige, scabreuze moppentapper; in het geval van Reugebrinks hoofdpersoon Martin Oonk is dat Raymond Moulijn (1962-2010), zoon van het grote Feyenoord-icoon Coen Moulijn (1937-2011), verlamd vanaf zijn middel maar desondanks vol levenslust. Rond zijn benen zaten stangen met leren banden, hij bewoog zich voort in een rolstoel en met krukken, maar gaf je hem een bal, dan trapte hij ertegen. Voor Martin – en dat is cruciaal in deze roman – wordt hij het bewijs dat je de beperkingen van je lichaam kunt overstijgen. Hij wordt het zinnebeeld, of beter: de voorafschaduwing van Martins eigen levensverhaal, als hij zich voorneemt los te komen van de erfenis van zijn ‘zieke lichaam’. Een verhaal zonder kern, want noch de artsen, noch zijn ouders kunnen hem duidelijk maken wat hem precies scheelt. Dat geldt ook voor de andere jongens op zaal: ‘En allemaal moeten we geholpen worden. Niemand weet precies waarmee.’ Voor de derde keer: klopt!

Daar beneden
Het enige wat Martin weet is dat er bij hem iets mis is ‘daar beneden’. Zijn ervaringen op de ok zijn huiveringwekkend. De artsen dringen zijn lichaam binnen, terwijl hij de pijn (en de herinnering eraan) tracht te bezweren door – aanvankelijk – een tweedepersoonsperspectief te kiezen: ‘Met kleine slangetjes, met iets wat op een breinaald lijkt, een van de naalden waarmee je moeder ’s winters truien breit en sokken, dicht bij de gashaard, haar voeten in vilten pantoffels, je hoort het tikken van de naalden, het tikken van de klok, het tikken van de kachel; het is alsof je daar bent, in de achterkamer, thuis, en wacht totdat ze vraagt of je je armen voor je uit wil houden, zodat zij de streng wol links en rechts over je polsen kan leggen om de wol dan af te wikkelen en er een bolletje van te maken, het bolletje dat nu naast haar ligt in de groene leunstoel en kleiner en kleiner, met iedere steek kleiner wordt… Het vermindert de pijn niet, zeker niet. Maar het schept naast de pijn een plek waar de pijn niet kan komen, een plek waar je heen kunt gaan alsof de pijn niet bij jou hoort. Ze is er wel, maar jij bent er niet. Jij bent niet daar waar de pijn is, de pijn die je voelt, de pijn die je met alles wat zij in zich heeft terugroept naar haarzelf, als wil ze je bij de les houden. Hier gebeurt het! Het is ook niet dat je de pijn verdraagt, de pijn doorstaat. Je roept. Ik hoor je roepen. En ze houden je vast, een stevige hand op je borst, iemand duwt je benen neer, en weer andere naamloze zusters aan beide zijden van de tafel waarop je ligt, waarop je braaf bent gaan liggen toen men je vroeg uit het bed en op de tafel te klimmen, aan beide zijden staan ze en houden je polsen vast. Omdat je anders zou spartelen, spartelen van de pijn. Ik zie dat. Maar ik ben elders. Met alles wat ik in me heb ben ik elders ik lig voor de kachel en blader in een Donald Duck.’

Willoos samenraapsel
Tot aan zijn 12de levensjaar is hij patiënt, en ziet hij zichzelf als ‘een willoos samenraapsel van orgaanvlees’ waarmee mannen in witte jassen, met mondkapjes en rubberen handschoenen ‘dingen deden’. Zonder dat ooit duidelijk werd wat die dingen waren, wat ze zochten en of de pijn en het ongemak niet veeleer het gevolg waren van wat ze in hun kamertjes onder de grond allemaal met hem uithaalden. Hij neemt zich voor dat niemand hem ooit nog zal binnendringen, opensnijden of wegmaken.
Reugebrink bouwt zijn roman op in hoofdstukken die de namen dragen van steden en jaartallen: Rotterdam (1969), Los Angeles (1976), Londen (1981), Haren (1992), Oldenburg (2004) en Berlijn (2024). Steeds betreft het een jaar waarin iets cruciaals gebeurt, en vanuit dat moment blikt de schrijver – c.q. de ik-figuur – terug op de verstreken tijd. Beide perspectieven lopen in deze roman, met zijn meanderende zinnen, razend effectief door elkaar, zodat je een soort metablik op de vertelling krijgt: ‘Misschien heb ik inderdaad een tijd lang gedacht dat het mogelijk was om mijn verhaal te vertellen zoals ik het vertellen wilde. Maar ik werd al die tijd ook zelf door het verhaal verteld dat ik altijd al geweest ben, als had ik daar niets over te zeggen.’

Geschiedenis
Dat Martin historicus wordt, zal niemand verbazen. Geschiedenis, zegt hij tegen een van zijn vele vriendinnen, is weten waarom we zijn waar we zijn, misschien zelfs waarom we zijn wie we zijn. Zijn leven laat zien dat dit meer is dan een reeks platitudes: je moet weten dat je ingesnoerd zit in een verhaal, en je moet weten wélk verhaal dat is. Om vervolgens te begrijpen waaraan je wilt ontsnappen, want ‘het is niet de geschiedenis die hij verdedigt, maar wat zich uit naam van zichzelf tegen die geschiedenis verzet’.
Later in zijn leven moet hij vaststellen dat hij onvruchtbaar is. Een huisarts heeft een diagnose: retrograde ejaculatie. De geschiedenis achterhaalt hem, want het kan iatrogeen zijn: het gevolg van de onbegrijpelijke ingrepen die hij vóór zijn 12de onderging. ‘Een oude mannending’, noemt de huisarts het. Zelf vindt hij het ‘een vorm van inslikken. Een inspuiting. Een injaculatie. Sluipzaad. Een fluisterclimax. Spookkwak. Losse flodder.’ Hij is een ‘wandelend condoom’. Zelfspot en ironie zijn de ik- c.q. hij-figuur niet vreemd. Gelukkig biedt het ‘fertilitair-industrieel complex’ uitkomst: hij zal toch nog een dochter krijgen.

Verzet
Martins medische geschiedenis raakt vervlochten met een soort Vatersuche, met het lot van een lieve zus die omkomt bij een auto-ongeval en met de overbeschermende houding van zijn moeder. Ook zij maken zijn verhaal. Net als zijn heerlijke gefoeter op de neoliberale tijdgeest. Zijn dochter heeft het van geen vreemde, als ze aankondigt te gaan promoveren op de criminalisering van dakloosheid. Een probleem dat volgens haar niet langer in de eerste plaats als een sociale kwestie wordt gezien, want daklozen zijn mensen die niet passen in dat gangbare neoliberale verhaal.
Laatste Man heet deze knappe roman, en die titel heeft vele betekenissen. Zo is Martin als jonge voetballer een keiharde verdediger – hij vergelijkt zich graag met de legendarische Feyenoorder Theo ‘de Tank’ Laseroms. Maar zijn medische lot zet ook zijn mannelijkheid op het spel. Een parade van meisjes moet het tegendeel bewijzen. En wanneer hij in het laatste hoofdstuk een hoogst noodzakelijke transurethrale resectie moet ondergaan en beseft dat hij zou kunnen sterven, maakt ook dat hem tot de laatste man: niet alleen omdat zijn vader, moeder en zus er niet meer zijn, maar omdat dit hoofdstuk zinspeelt op verzet tegen de dood. Die mag, om in voetbaltermen te blijven, niet scoren.

En intussen stelt deze lezer tot zijn geruststelling vast dat in de omgang met kinderen in de geneeskunde gelukkig forse vooruitgang is geboekt.
Henk Maassen

FILM
Die My Love, nu in de bioscoop en vanaf 12 februari 2026 ook te zien op picl.nl
Hier vindt u de trailer.

De mentale ineenstorting van een jonge moeder
De novelle Die, My Love van Ariana Harwicz is een stream of consciousness van een jonge moeder die kampt met post-partumdepressie en een psychose. Dat is goed om te weten, want het duurt even voordat je in de gaten hebt dat de verfilming – Die My Love, dus zonder de komma – door Lynn Ramsay precies dat is, of althans wil zijn. Middelpunt is Grace (overtuigend gespeeld door Jennifer Lawrence), een kersverse moeder. Zij heeft met haar man Jackson (Robert Pattinson) het huis betrokken van een oom van hem, die zelfmoord heeft gepleegd. Grace’s aspiraties om te schrijven zijn gedoofd en Jacksons ambitie om het te maken als muzikant evenzeer, zo lijkt. Hij is als bouwvakker veel van huis, Grace brengt intussen haar dagen door in ledigheid, levend in een mentale gevangenis, terwijl buiten het oneindige landschap van Montana het tegendeel suggereert, en hunkerend naar seks met Jackson. Haar bestaan is verworden tot een ziekelijk vorm van ennui. Jackson intussen toont zich weliswaar ontsteld over haar gedrag, maar echt helpen doet hij haar niet. Zijn personage blijft merkwaardig vlak.

Ramsay maakt ons middels haar labyrintische montage van heden, verleden en wanen (een duistere motorrijder die af en toe opduikt, een donker paard) deelgenoot van wat er zich in hoofd en lijf van Grace afspeelt. Daarbij geholpen door de uitgekiende muziekscore, met overwegend bestaande, soms keiharde songs die wanen en gevoelens onderstrepen, tegenwerken of er juist op vooruitlopen.
Een ding is duidelijk: Grace verliest het contact met de werkelijkheid, en misschien ook met zichzelf, ofschoon niet met haar baby, zo lijkt het. En je vraagt je gaandeweg af: is dit een goede weergave van een postnatale depressie? Is het dat eigenlijk wel? Want de film lijkt soms op een grotesk moodboard van hoe je mentale ondergang ten gevolge van beknellend moederschap verbeeldt. Van de andere kant: zo zou het inderdaad best kunnen gaan.
Henk Maassen

FILM
On vous croit, nu in de bioscoop en te zien op picl.nl
Hier vindt u de trailer.

Trauma na misbruik
On vous croit, het regiedebuut van de Waalse makers Charlotte Devillers en Arnaud Dufeys, is een sober geënsceneerde film over twee gescheiden ouders die strijden om de voogdij over hun twee kinderen. Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van moeder Alice, die als een leeuwin vecht voor de veiligheid van Etienne (10) en Lila (17). Etienne lijdt aan encopresis en is zichtbaar getraumatiseerd; volgens Alice is hij misbruikt door haar ex. Maar die spreekt dat tegen en zegt dat hij zijn kinderen al twee jaar niet heeft gezien door toedoen van zijn ex-partner, die hem volgens hem ten onrechte zwartmaakt.

Rechtszaak
Een van de krachtigste keuzes van de film is het besluit om de bijna een uur durende zitting in de rechtbank in realtime te tonen. Dat pakt zeer doeltreffend uit: de camera blijft dicht op de huid, in intense close-ups, waarbij de makers vooral oog hebben voor de reacties op wat anderen, vaak buiten beeld zeggen. De spanning ontstaat niet door actie, maar door woorden, blikken en de ondraaglijke onzekerheid die in de rechtszaal hangt.
Het scenario profiteert duidelijk van Devillers’ professionele achtergrond: ze werkte eerder in de zorg voor slachtoffers van seksueel geweld. Dat realisme draagt bij aan de geloofwaardigheid van de personages en de nuance van de situatie. Wat daarbij ook helpt is dat de film professionele acteurs mixt met mensen die hun eigen beroep vertolken.

Stem van het kind
Devillers en Dufeys benadrukken dat het nooit hun bedoeling was om een verhaal te vertellen dat draait om schuld of onschuld. Het gaat hen om de vraag wat ernstiger is: je vergissen in de schuld van een volwassene, of een kind blootstellen aan een mogelijk veel groter gevaar? On vous croit nodigt de kijker uit dat moreel grijze gebied te verkennen. Volgens beiden weerspiegelt de titel van de film die visie: volwassenen dragen de verantwoordelijkheid om kinderen serieus te nemen, hun stem te horen en hen te beschermen.
De film plaatst dit alles in een bredere context en laat nog even zien dat volgens de Wereldgezondheidsorganisatie mondiaal 24% van de meisjes en 11% van de jongens te maken krijgt met incest. Slechts een fractie doet aangifte, en nog minder krijgt ooit gerechtigheid. Het maakt On vous croit tot een aanrader voor elke zorgverlener die te maken krijgt met misbruik van kinderen en de gevolgen daarvan.
Henk Maassen

Tentoonstelling/Boek
Thuis in de 17de eeuw, Rijksmuseum Amsterdam, te zien t/m 11 januari 2026
Thuis in de 17de eeuw, Sara van Dijk (redactie), 385 blz., 35,- euro

De innerlijke mens in de 17de eeuw
Thuis in de 17de eeuw, te zien in het Rijksmuseum, maakt het leven van 400 jaar geleden bijna aanraakbaar aan de hand van een grote diversiteit aan objecten die dagelijks in gebruik waren. Theatermaker en beeldend kunstenaar Steef de Jong is vormgever van de tentoonstelling. Hij maakte negen ‘kijkdozen’ die je meenemen naar verschillende huiselijke activiteiten op verschillende momenten van de dag, en de tentoonstelling is alleen al daarom de moeite waard.
Betrouwbare informatie over het reilen en zeilen van de 17de-eeuwers komt uit talrijke geschreven bronnen, zoals boedelinventarissen, correspondenties en huishoudboekjes. De voortreffelijke en informatieve publicatie bij deze expositie, onder redactie van Rijksmuseumconservator Sara van Dijk, leunt vooral daarop. Een van de onderwerpen waarop gefocust wordt is gezondheid en hygiëne. Er is destijds nogal wat genoteerd over de verzorging van de innerlijke mens: hoe bleef je gezond, wat te doen bij ziekte? Een van de meest spectaculaire objecten is in dat opzicht de tentoongestelde blaassteen, resultaat van een in de 17de eeuw vaak uitgevoerde, maar riskante en pijnlijke operatie. Vaak was het een laatste redmiddel als het met medicijnen niet was gelukt om de steen te verkleinen en uit te plassen. Helaas liep het vaak niet goed af en patiënten die de operatie wel overleefden waren soms de rest van hun leven incontinent.

Humeurenleer
De ideeën over gezondheid en hygiëne kwamen in de 17de eeuw overal vandaan, ook uit de nieuwste medische inzichten, maar werden steeds weer gecombineerd met theorieën uit de oudheid over de juiste balans in het lichaam. Van Dijk en de andere auteurs benadrukken in dat opzicht de invloed van de oude humeurenleer, de gedachte dat het menselijk lichaam onderhevig was aan de werking van de vier elementen: aarde, water, lucht en vuur, en de daarvan afgeleide krachten, zoals combinaties van warm, koud, nat en droog. De juiste balans (lees: gezondheid) vereiste voortdurende aandacht.
Zo werd dagelijks enkel het gezicht gewassen, en wel met koud water, want op basis van de humeurenleer werd onderdompelen van het lichaam in warm water als gevaarlijk gezien. Door het warme water zouden de huidporiën zich openen met als gevolg dat ziektekiemen makkelijk het lichaam binnen konden dringen en essentiële lichaamssappen juist zouden ontsnappen. Slechte lucht moest je vermijden, ook die kon via de huid of de adem het lichaam binnendringen en zo allerlei ziektes veroorzaken, zoals de pest.
Ook als het gaat om gezonde voeding liet de humeurenleer zich gelden: behalve smakelijk moest een maaltijd ook gezond zijn. Alle voedingsmiddelen waren ingedeeld in categorieën op basis van de tegenstellingen warm versus koud en vochtig versus droog. Kampten je lichaamssappen en jijzelf dus ook met een disbalans, dan kon je dat herstellen en gezond blijven door de juiste dingen te eten. Dat was overigens allesbehalve een exacte wetenschap. Wat nu precies gezond was hing af van de persoon, het seizoen, de bereidingswijze en de combinatie van ingrediënten.
Henk Maassen