In deze editie aandacht voor het International Documentary Film Festival Amsterdam (IDFA) dat zich deze dagen afspeelt. We tippen zes documentaires. Verder een tv-documentaire annex boek waarin zangeres Nora Fischer op zoek gaat naar het hoe en waarom van haar stemverlies, en de roman In het Wit over dementie, onverklaarde klachten en een rampzalige zwangerschap.
Reacties in de vorm van opmerkingen, vragen, tips, kritiek en/of lof kunnen naar: scoop0329@gmail.com
Film
Zes tips voor het IDFA: The Desert of the Real, Love-22-Love, Mijn woord tegen het mijne, Bobò, A Long Goodbye en GEN_

De werkelijkheid van een psychose
In de documentaire The Desert of the Real laat regisseur Luuk Bouwman zes mensen aan het woord die ooit in een psychose terechtkwamen. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze op bepaalde momenten in hun leven onder zware persoonlijke en maatschappelijke druk kwamen te staan en toen decompenseerden. Eén van hen blijkt achteraf het slachtoffer van een auto-immuunziekte. Een paar hebben zelf in de ggz gewerkt.
Bouwman realiseert samen met de patiënten emotionele, diepgaande interviews waarbij hij ze soms in hun eigen omgeving zet, maar dat – gebruikmakend van camera’s, decors en beeldschermen – afwisselt met een vrij nauwkeurige weergave van de fysieke omgeving waarin de psychose zich voordeed of ontstond, of die, nog weer anders, een weerspiegeling is van hun psychotische innerlijk. Daarmee wordt terecht de continuïteit benadrukt tussen de innerlijke wereld van de patiënten en de wereld daarbuiten, of zoals een van de patiënten het formuleert: ‘Eigenlijk ben ik altijd psychotisch.’
Als een film
Zo wordt ook duidelijk dat een psychose gepaard kan gaan met diepe eenzaamheid, angst, wanhoop en verwarring, maar ook met creativiteit, euforie en existentieel-filosofische inzichten. Die eenzaamheid komt voort uit het wezenlijk niet-communicabele van de psychose. Tijdens de psychose hebben al deze patiënten zich als in een film gewaand, een in scène gezette werkelijkheid, als in een spiegel, of zoals een van hen het noemt: als verstrikt in een ‘plotexplosie’. Een van hen spreekt over het gevoel te worden aangevallen door zijn eigen gedachten, het gevoel ook dat de wereld openstaat en dat het aantal betekenissen eindeloos is. Dat meeuwen die krijsend boven je cirkelen eigenlijk over je roddelen, of dat ‘de anderen’ louter figuranten zijn, met als gevolg een ziekelijk soort solipsisme. En dat een isoleerruimte – hoe verbijsterend ook – een prettige verlossing van je overbewustzijn kan zijn, die de overdaad aan prikkels kan temperen.
En dan, soms na vele jaren opname en behandeling, is er de terugkeer naar de alledaagse werkelijkheid, die gestoorde ‘echte’ wereld die nochtans blaakt van zinloosheid. En het doorgaande besef dat de morele orde niet meer is dan een aangename fictie. Fascinerende documentaire.
Nog meer psychose
In het kielzog daarvan kunt u ook kiezen voor twee andere documentaires met gelijksoortige thematiek. De eerste is Love-22-Love van kunstenaar en filmmaker Jeroen Kooijmans, die in 2002 wakker werd op de psychiatrische afdeling van een ziekenhuis in New York, opgenomen met een psychose. In Love-22-Love reconstrueert hij de periode die hieraan voorafging en de lange reis die hij in de jaren daarna aflegde. Dat doet hij aan de hand van video’s die hij maakte van zichzelf en zijn geliefde. Alles is associatief door elkaar gemonteerd; rauw, aangrijpend, met poëtische reisopnamen, home movies en persoonlijke biechten over zijn depressies. In de brieven die hij aan zichzelf schrijft, benoemt hij zijn demonen. Bovenal is Love-22-Love ook een liefdesverklaring aan zijn vrouw, kunstenaar Elspeth Diederix: anker in zijn leven.

De andere film is Mijn woord tegen het mijne, waarin Maasja Ooms meekijkt met de therapiesessies van vijf mensen die stemmen horen. Ooms heeft de camera op de gezichten van de stemmenhoorders gericht, maar laat ze ook in hun dagelijkse bestaan zien. De therapeut blijft buiten beeld. Die probeert ook met de diverse stemmen te converseren, hetgeen lukt. Ergens, zo ontdek je dan, heeft zich een trauma voorgedaan waaraan de stem haar of zijn bestaansreden ontleent. Naarmate de therapeut dit punt nadert, komen de stemmen in opstand. Ze schelden en kleineren en lijken vastbesloten de persoon waarin ze wonen te ondermijnen. Het is een ontwrichtende maar ook fascinerende confrontatie. Wanneer de therapeut en de patiënten erin slagen een dialoog met de stemmen aan te gaan, onthult de film het menselijke afweermechanisme: die innerlijke criticus, die voor sommigen sterker blijkt dan voor anderen.
Dementie
Er is ook Virtual Reality tijdens het IDFA; daarvoor moet je naar het DocLab in de Brakke Grond, waar je onder meer kunt kiezen voor A Long Goodbye (klik op de link voor de trailer) van Kate Voet en Victor Maes. Je betreedt daarin een aquarelachtige, geanimeerde omgeving met een keuken, een schrijftafeltje en een zithoek, met op tal van objecten post-its met herinneringen of reminders. De bewoonster, de 72-jarige Ida, is dement. Zij wordt door de dag, door haar huis en door haar herinneringen begeleid via een stem die je als bezoeker zelf aan en uit kunt zetten. Die stem is van haar man Daniel, die Ida en ons meeneemt door haar vervagende geest. In een interview zei maker Kate Voet daarover: ‘Het eerste wat je denkt als je een VR-bril opzet, is “wie ben ik, waar ben ik?”, en dat zijn vragen die iemand met Alzheimer zich doorlopend stelt. Dus medium en inhoud vallen samen. Dat is ook de reden waarom zoveel van de beste VR-films gaan over waarneming, bewustzijn en herinnering. Via VR konden we dichter bij de beleving van iemand met dementie komen dan met klassieke cinema.’

Ook de moeite waard is Bobò, waarin Pippo Delbono (1959), fameus Italiaans theatermaker, laat zien hoe hij was vastgelopen in zijn leven en in zijn kunst toen hij in een psychiatrische instelling Bobò leerde kennen: een doofstomme man, die niet kon lezen of schrijven en al 46 jaar binnen de muren van de instelling verbleef. Diagnose van de artsen: microcefalie. Juist deze man ontpopte zich tot zijn muze en gaf hem een nieuwe kijk op zijn theaterkunst. Twintig jaar lang – Bobò is inmiddels overleden – werkten ze samen en maakten ze hoogst eigenzinnige en veelgeprezen voorstellingen.

Empathische dokter
Tenslotte aanbevolen: GEN_ van Gianluca Matarrese, waarin we de arts Bini volgen in de laatste fase voor zijn pensioen. Hij leidt de vruchtbaarheids- en genderafdeling van een Milanees ziekenhuis. Vrouwen van halverwege de veertig met een onvervulde kinderwens, mannen met ‘lui’ sperma, jongeren die twijfelen over hun gender of uitblijvende baardgroei halverwege een transitie; allemaal leggen ze hun eigen leven, en eventueel dat van toekomstig nageslacht, in zijn handen. Bini ontpopt zich als een zeer empathische dokter.
Henk Maassen
Roman
In het wit, Robert Six, Prometheus, 168 blz., €18,99

Parcours met hindernissen
Ergens in In het wit van de Vlaamse auteur Roderik Six staat de volgende zin:
‘Een platte band, een afgeschafte tram, file aan de parkeergarage – de wereld is een hindernissenparcours, dat hoor je onderhand te weten en daar moet je rekening mee houden. Vooraf, niet nadien. Nadien is te laat.’
Het zou een korte samenvatting kunnen zijn van deze roman, waarin alle personen een hindernissenparcours lijken te volgen. Hoofdpersonen zijn Ilse en Ronald en hun dochter Emma, ook wel M. genoemd. In het begin volgen we M. die haar zwaar demente vader Ronald bezoekt. De sfeer is tamelijk troosteloos en moedeloos. Dan springt het verhaal terug in de tijd en volgen we Ilse, die onverklaarde klachten heeft. We lezen wat een rampzalige ervaring haar zwangerschap van M. was. We weten dan al dat ze aan een hartaderbreuk plotseling is overleden. Dan keren we weer terug bij M. Haar vader is nu ook overleden en het gaat niet goed met haar. Ze wordt neurologisch binnenstebuiten gekeerd, ze kan nauwelijks meer sociaal functioneren.
Metaforische taal
Six schetst een wereld waarin niets meer functioneert en niets meer van waarde is, zeker niet vergeleken met vroeger. En dat in een metaforische taal die niet altijd als authentiek overtuigt. Dat laatste is natuurlijk ook een kwestie van persoonlijke smaak. Om een voorbeeld te geven: dit denkt M. als ze naar de MRI-scan van haar hoofd kijkt:
‘Plots snapte M. wat ze zag: het was een dwarsdoorsnede van haar hoofd, haar bloedeigen hoofd. Ze staarde naar de kronkels, de gekartelde schaduwen, de benige rand, en ze moest zich inhouden om haar schedel aan te raken. Moeilijk te geloven dat zij, alles wat ze was, alles wat ze ooit gedacht had, alle tijd die ze op aarde had doorgebracht – dat zij daar in die kwabben bewaard werd, dat ze daar leefde. En dat de zin die ze net gedacht had – “dat zij daar in die kwabben bewaard werd, dat ze daar leefde” – ook daarin paste.’
Bij het lezen van dit fragment moest ik onmiddellijk aan een gedicht van Rutger Kopland denken:
Het anatomisch verslag
Ik zat te kijken naar het sterven
van mijn moeder, haar gezicht was al leeg
maar ze ademde nog – ga toch dacht ik, verlaat
in godsnaam dat lichaam – en ze ging
ik geloof niet dat zij de laatste jaren wist
wie wij waren: mijn moeder, haar zoon
ik lees het verslag van de patholoog-anatoom
in patiëntes hersenen trof hij de bij dit beeld
gebruikelijke afwijkingen aan
hij beschrijft uitvoerig en zorgvuldig hoe hij
met mes en microscoop door haar hersenen
is gewandeld en wat hij tegenkwam
ik wandel mee, ik ken het landschap uit het handboek
cortex, thalamus, limbische gebieden
en zie de verwoestingen
in deze verlaten wereld heeft ze gewoond
en ook ik woonde hier
ik moet wegkijken van het verslag
in mijn hoofd een leegte niet te beschrijven
alsof ook ik mijn lichaam had verlaten
Waarom raakt dit gedicht mij wel sterk, en het citaat van Robert Six mij minder? Het verschil zit in de omslag, die pas aan het eind van het gedicht in drie zinnen als een mokerslag aankomt. De ongelijksoortigheid van de twee geschetste werelden is in één klap duidelijk, maar bij Six is het een observatie die de vervreemding net niet raakt. Niet dat dat heel erg is, maar teveel van dit soort momenten – en het zijn er nogal wat in deze roman – slaat een beetje dood. Maar goed, er staan natuurlijk ook rake observaties in, zoals deze, bruikbaar voor iedere patiënt: ‘Wachten zou geen werkwoord mogen zijn.’
Arko Oderwald
TV/Muziek/Boek
Nora speelt Nora, te zien op 25 nov., om 22.40 uur op NPO2
Hoogspanning. Hoe ik mijn stem verloor, Nora Fischer, Uitgeverij Pluim, 220 blz., €22,99

Hoe Nora haar stem verloor
Sopraan Nora Fischer (1987) is een geweldige zangeres en theaterpersoonlijkheid, bejubeld door de internationale muziekpers en excellerend in een onwaarschijnlijk rijk muzikaal palet, getuige albums zoals Hush, Folk en The Only One, de liederencyclus die Louis Andriessen voor haar stem schreef. Maar sinds 2022 zingt ze niet meer. Vorig jaar was ze weer terug op de podia; zingen deed ze echter niet. In de solovoorstelling De Sprong vertelde ze hoe en waarom een complexe verkramping haar strottenhoofd in een zodanige houdgreep hield dat zelfs een verjaardagsliedje er niet meer fatsoenlijk uitkwam.
Hoge E
Nu zijn er de tv-documentaire Nora speelt Nora van regisseur Lieza Röben en het boek Hoogspanning. Hoe ik mijn stem verloor, waarin we kunnen zien en lezen wat er aan Nora Fischers persoonlijke crisis (en dus aan die voorstelling) voorafging en hoe ze tracht weer grip te krijgen op haar leven. Dat ze al een tijdje bètablokkers en angstremmers gebruikte, was al bijna een gewoonte geworden, maar pas toen ze plots de hoge E niet meer haalde, brak er iets. Want ja, de perfectionistische cultuur die in de klassieke muziek heerst, verbiedt foute noten. De onschuld en het pure plezier van het maken van muziek hadden haar, beseft ze, al enige tijd verlaten. De verstikkende druk van ‘s werelds grootste podia eist zijn tol, maar het wrange is vooral dat ze alleen nog maar naar zichzelf kan kijken door de ogen van anderen. Niet in het minst die van haar – gescheiden – ouders; haar vader, de Hongaar Ivan Fischer, is een vermaard dirigent, haar moeder een fameus blokfluitist. Hun verwachtingen van haar waren van meet af aan hoog: haar moeder noemt haar al vroeg ‘De Tank’ en voor haar vader is ze ‘Winning Nora’. Hun ogen, en verder die van ieder ander die belangrijk voor haar is, heeft ze geïnternaliseerd, zegt ze in de documentaire, als ware het ‘een innerlijke oordeeloorlog’. En die oordelen maken dat ze als mens door de mand valt, vindt ze. In haar boek leidt dat tot een hartenkreet: ‘Kunnen jullie me verdomme wat minder in mijn gezicht wrijven dat ik niet alleen een nepkunstenaar, maar ook nog eens een nepmuzikant ben?’

Papegaai
In een reflectieve voice-over richt ze zich in de documentaire bij tijd en wijle tot regisseur Lieza, in het boek kiest ze een af en toe wat ironischer toon, waarin ze de mensen die haar omringen en de plaatsen waar ze optreedt steeds aanduidt in categorale termen als het Welgestelde Muzikale Netwerk, Mentor, de Grote Componist, Beroemd Orkest, de Gevierde Zangleraar, de Magistrale Zangeres, de Prestigieuze Zaal en Vriendje, zodat ze ook iets universeels krijgen. Vriendje is overigens een creatief type dat zijn eigen liedjes schrijft, wat mede de reden is waarom Nora zich afvraagt: ‘Ben ik alleen maar een papegaai die perfect kan imiteren wat iemand anders heeft bedacht?’ Ze ziet zich louter, en niet tot haar plezier, als een uitvoerend kunstenaar die steeds in het gareel moet lopen van de klassieke traditie en daarom bijvoorbeeld romantisch repertoire met dat – inderdaad – vaak ellendige vibrato moet zingen. Terwijl ‘naturel’ toch zoveel mooier is, hetgeen niet betekent dat ze alleen maar makkelijke muziek wil zingen; ze zegt dat ze een nerdy brein heeft dat vaak snakt naar wat complexiteit, wiskundige complexiteit zelfs.
Pandemie
Zeer traumatisch blijkt de suïcide van haar vijf jaar oudere zus Paula, die lang worstelde met de toestand in de wereld, haar rol daarin en ernstige depressieve klachten. ‘Ze kan niet meer slapen omdat ze het niet verdraagt dat zij een warm, zacht bed heeft, terwijl haar vluchtelingenvrienden met pepperspray uit ijskoude bosjes worden verjaagd. Ze kan ook niet meer in therapie, omdat ze na vijfentwintig jaar van het ene traject naar het andere te zijn gegaan een therapietrauma heeft opgelopen en geen behandelaar meer vertrouwt.’
Gelukkig voor Nora was daar toen de pandemie: ‘Dank je wel, kosmos, want nu hoef ik aan niemand uit te leggen dat ik zelf nog veel stiller sta en volledig lijkt te verdwijnen in een kolkend moeras van verstarring en verwarring.’ Ze zoekt remedie in meditatietechnieken en familieopstellingen, probeert mee te zingen in een amateurkoor (schitterend shot in de film als alle koorleden een eenvoudige popsong zingen en Nora haar mond houdt) en vindt comfort en veiligheid in het gezelschap van een aantal eigengereide musici op het podium Splendor in Amsterdam, waar ze zich probeert te bekwamen in het spelen van de basgitaar.
Angstbeeld
Waarom, vraagt ze zich af, konden ‘Zus’ en zij toch niet van zichzelf en van het leven houden? Waarom was er steeds bij beiden weer die hardnekkige, hardvochtige zelfkritiek? Tegen het slot van haar boek concludeert ze: ‘Zus was compleet met mij vergroeid. Ik wist niet meer waar ik ophield en waar zij begon.’ Ze was ‘een angstbeeld dat ik zelf uit haar had gedestilleerd, alsof zij de personificatie was geworden van alle oordelen die ik door mijn hoofd hoorde schallen. En deze Zus-schim ben ik steeds verder als een angel uit mijn systeem aan het trekken.’
Ze krabbelt weer op.
Henk Maassen