SCOOP 14: 1 november 2025

Deze keer het leven van drie patiënten: over een jonge hypochonder gaat het in de roman De Symptomen, over een bijna even oude jongeman die de plotse diagnose keelkanker krijgt in de film Nino en over de laatste levensdagen van een oude man die aan keelkanker is geopereerd. Hij is ook een groot en beroemd dichter in de novelle Om wie wij zijn.

Hier vindt u de pdf van deze aflevering.
Reacties in de vorm van opmerkingen, vragen, tips, kritiek en/of lof kunnen naar: scoop0329@gmail.com

Roman
De Symptomen, Giulia Caminito, [Vertaling: Hilda Schraa], Uitgeverij Cossee, 304 blz., 26,99 euro

Het hypochondrische lijden van een misfit
Het leven van de 30-jarige Loris leven staat stil, en de roman over dat leven, De Symptomen van Giulia Caminito, staat daardoor eigenlijk ook stil. Zo’n status quo beschrijven is geen sinecure, saaiheid ligt immers bij voorbaat op de loer, maar de Italiaanse auteur komt ermee weg dankzij haar grote talent voor stijl en vooral voor compositie. Ze zet Loris neer als een onzekere, fragiele jongeman, die ervan overtuigd is dat hij aan een lichamelijke ziekte lijdt, ofschoon artsen menen dat hij kerngezond is. Loris verschanst zich in zijn lijden, en meer letterlijk in zijn appartement, op zijn werk, en later zelfs in het huis van zijn ouders. Zij begrijpen hem niet: ze verwachten prestaties van hem – vooral zijn vader – terwijl zijn moeder juist te toegeeflijk is. Loris gaat niet naar de sportschool, verzorgt zich niet, heeft geen vrienden en meldt zich regelmatig ziek op de kleine uitgeverij waar hij een slecht betaalde aanstelling heeft als stagiair. Jo, zijn vriendin, is in alles zijn tegenpool: een doener, sportief en energiek. Je vraagt je af wat zij nog in hem ziet – eigenlijk is hun relatie ook tot stilstand gekomen.
Volgens Loris zijn er mensen die handelen en zich niet bang laten maken door de wereld en mensen zoals hij die op elk moment bereid zijn de handdoek in de ring te gooien. ‘En het is afschuwelijk om deel uit te maken van die tweede categorie, het te weten, maar geen idee te hebben hoe je aan de andere kant komt (…).’ Verlegen is hij niet: als het moet, kan hij bruut van zich afbijten. Maar het helpt hem niet om uit zijn schulp, of zeg maar gerust uit zijn lijden te komen.

Alert
Want een deel van zijn hersenen is voortdurend alert en vestigt de aandacht op elke minuscule verandering of verstoring in zijn lichamelijk welbevinden, en maakt die vervolgens zo groot dat hij er uiteindelijk aan toegeeft, ook op zijn werk. Waarna hij op het web hongerig gaat zoeken naar informatie, video’s en pijnlijke beelden over al zijn vermeende kwalen: ‘De ene video leidt automatisch naar een andere en weer een andere en ga zo maar door, op een gegeven moment is het algoritme hem alleen maar mensen met vreemde, zeldzame huidziektes gaan voorschotelen, livestreams van operaties in ziekenhuizen, afscheidsvideo’s van kankerpatiënten. Elke klik houdt een nieuwe ontzetting in, elke ontzetting een nieuwe klik.’
Het bezoek aan dokters werkt bij hem als een verdoving, ‘zo lang hij daar is – denkt hij – kan hem niets overkomen, zolang hij in handen van een witte jas is, staat zijn leven niet ter discussie, mocht hij toch instorten, dan zal er zich onmiddellijk iemand over hem ontfermen, er zal meteen, in een oogwenk, hulp zijn.’ Maar artsen vinden bij hem geen kanker, geen infecties, geen maagzweren, geen allergie voor lactose of voor gluten – hij is tot zijn ontzetting domweg helemaal niet ziek.

Corpus alienum
Caminito toont zich een meester in het beschrijven van Loris’ hypochondrie. De opening van haar roman zet wat dat betreft onmiddellijk de toon. Het voelt alsof een corpus alienum bezit van Loris heeft genomen: ‘De pijn is als een ei met een harde schaal, je voelt dat je hem hebt doorgeslikt en dat hij een weg omlaag zoekt – keel, slokdarm, maag –, een plek vindt om zich neer te vlijen en zich niets aantrekt van de dag of het moment, zich te pas en te onpas wil laten horen. De pijn is ovaal, is van beton, het is onvoorstelbaar dat hij bestaat en ruimte inneemt. De pijn zit er en drukt, drukt en wordt klodder, harde klont, je kunt hem onder je huid voelen, tot de schaal barst en er iets tevoorschijn komt. Geen sporen van eigeel, geen glibberig eiwit, maar een klein, bleek wezentje – een kikkervisje – dat rondzwemt en niet te stoppen is, dat van je schouderbladen tot aan je hielen door je lijf trekt.’
Dat invoelende meesterschap van Caminito moet iets te maken hebben met haar zelf. In interviews heeft ze gezegd dat ze al jarenlang ‘qua perceptie en qua verbeelding’ een probleem met haar lichaam heeft. Dat het erop lijkt alsof ze zichzelf nooit op de juiste manier kan interpreteren, en tussen de regels van kleine symptomen grote, ongeneeslijke problemen ‘leest’. Ze heeft daarom, naar eigen zeggen, in haar roman gezocht naar ‘een nieuw vocabulaire, vol precieze woorden die, als een scalpel, delen van het lichaam konden isoleren – om stem te geven aan pezen en kleine botjes die deel van ons uitmaken, maar die ons tegelijk vreemd en onkenbaar blijven.’

Catastrofe
Sturend in Loris’ hypochondrie is een imaginaire figuur, die hij Catastrofe noemt: een demonisch meisje dat telkens in een andere gedaante en in een andere uitmonstering verschijnt. Ze geeft stem aan zijn diepste angsten; zij is een nachtmerrie, maar ook een erotische fantasie, een houvast, een vriendin. Ze volgt hem overal, verbeeldt wat hij niet durft uit te spreken tegenover anderen en onderbreekt vaak abrupt zijn handelen en denken. Zij is de brenger van zijn lichamelijke pijn, de personificatie van zijn somatisatie. Zo wijst Catastrofe – in de verschillende momenten van zijn leven – delen van zijn lichaam aan waar hij op moet letten en waarop hij zich moet fixeren.

Lezen
Er is een remedie: lezen. Loris heeft altijd dwangmatig gelezen, als kind hebben zijn ouders er zelfs een psycholoog voor geconsulteerd. Hij leest om te vluchten, niet te voelen en om zich af te sluiten. In boeken, of meer algemeen in teksten, vindt hij beschutting, hij heeft er niet voor niets zijn werk van gemaakt, of althans: probeert dat te doen. Hoe zieker hij zich voelt, hoe meer en intensiever hij gaat lezen: ‘Jarenlang lukte het hem om deze ziekelijke relatie met boeken onder controle te houden, maar nu hij zich verlorener voelt dan ooit, nu zijn werk hem zorgen baart, nu Jo ver weg is, nu zijn lichaam bereid is om aan welke kwaal dan ook te gaan lijden, nu is ook zijn behoefte aan woorden terug. (….) Zijn leestijd kan echter veranderen in een moeilijk te beteugelen stoornis, in een boosaardige metronoom, een wijzer van rechts naar links, van links naar rechts.’ Lezen wordt zo zelf een symptoom van zijn ‘ziekte’.

Idylle
Twintig jaar eerder was het anders. In zijn kinderjaren bracht Loris vele weekenden en zomers door bij zijn grootvader Tempesta. Een belangrijke episode in zijn leven en feitelijk de tweede verhaallijn in De Symptomen. De tijd met zijn grootvader was een idylle: ‘Als hij in september weer op school kwam probeerde hij vaak zijn klasgenootjes te vertellen wat hij allemaal van Tempesta had geleerd, over de ratten die ze door de kelder hadden zien rennen, over de kakkerlakken met hun buik omhoog (…), maar niemand toonde interesse voor die wereld, die werkelijkheid waar hij zo van hield, ze dachten allemaal enkel aan de tekenfilmpjes op tv, de gameboys, spelletjes waarin je kon schieten, maar niet heus, en waarin mensen in slotgrachten doodgingen zonder zelfs maar een gil te geven.’

Trauma’s
Naarmate de roman vordert, wordt de afwisseling tussen Loris’verleden en heden intenser, en stukje bij beetje vallen de trauma’s van zijn leven op hun plaats, tot een beeld ontstaat dat de lezer overigens zelf moet samenstellen. De kern, denk ik: Loris is een man die zich zijn hele leven met fictie heeft gevoed, en dat is verworden tot een narratief waarin hij de enige is die lijdt, de enige die niet in staat is binnen het nauwe keurslijf van de maatschappij te blijven. Hij is ten diepste, en heel anders dan Jo, unzeitgemäß, hij past niet in deze tijd. Citaat: ‘Hij is gek, hij ziet spoken, hij is iemand die vaker hilariteit opwekt dan bezorgdheid of medelijden, rancune veroorzaakt; er is niets van hem terechtgekomen, hij stikt van de voorrechten die hij niet benut, hij is een zeikerd, een pain in the ass, ze zouden hem het liefst met zijn neus op het echte kwaad willen drukken, hem de echte pijn willen laten zien in plaats van zijn toneelstukjes, zijn geschreeuw van: help, help een wolf, een wolf wanneer er nooit een wolf te zien is, hij zou zijn mobiel maar hoeven te openen om te worden ondergedompeld in de grote boze wereld, met zijn oorlogen en diepe wonden, zijn verwoeste wegen en fabrieksgrauwe luchten, zijn aardbevingen en overstromingen, het stof dat neerdaalt na een instorting en een bom die op een marktplein tot ontploffing wordt gebracht.’ Maar dat doet hij dus niet. Hij is een misfit, een escapist; hij is ontsnapt aan ‘zijn’ tijd.

Spiegel
Komt het nog goed met Loris? Dat weet ik niet: over de interpretatie en de verrassende, kortstondige perspectiefwissel aan het slot van de roman valt nog een hele boom op te zetten. Het is alsof Caminito daar even in de spiegel kijkt. Wie wil kan in dit verband ook nog speuren naar de betekenis van de onnadrukkelijke, soms tegendraads ingezette Christelijke symboliek: duiven, een lam, het Dies Irae. Maar hoe het ook zij, haar roman laat overtuigend zien dat lijden niet altijd medisch “verklaard” kan worden.
Henk Maassen

FILM
Nino, nu in de bioscoop
Hier vindt u de trailer van de film.

Keelkanker: de schrik van de diagnose
Hij komt bij de dokter voor een ziekteverlofbriefje vanwege zijn aanhoudende keelpijn, maar prompt is duidelijk dat er een administratieve fout is gemaakt, er is voor hem namelijk al een compleet medisch traject in gang gezet. Nino, nog net even 28, is verbijsterd: zijn arts gaat er voetstoots vanuit dat hij al op de hoogte is van de ernst van zijn toestand. Het is een pijnlijke scene in het begin van Nino, het bijzonder geslaagde speelfilmdebuut van Pauline Loquès. Nini heeft keelkanker, veroorzaakt door HPV. Snel handelen is geboden. Het is nu vrijdag, of hij zich aanstaande maandag wil melden voor het begin van zes maal chemotherapie en twaalf maal radiotherapie. En o ja, of hij zijn sperma misschien nog snel even wil laten invriezen, want onvruchtbaarheid is een waarschijnlijke bijwerking.

Sleutels
Tot overmaat van ramp is Nino ook nog de sleutels van zijn appartement kwijt. De conciërge doet niet open, en dus begint hij aan een zwerftocht door Parijs, die qua opzet erg doet denken aan de klassieker Cléo de 5 à 7 van Agnes Varda uit 1962, met dit verschil dat de hoofdpersoon daarin slechts 2 uur door Parijs zwerft, in afwachting van een mogelijk ernstige diagnose. Nino houdt dat een heel weekend vol. En net als Cléo ontmoet hij verschillende mensen uit zijn omgeving: een oud-klasgenote met kind, zijn moeder, een -ex, een vriend die voor hem een party organiseert want dat weekend is Nino jarig. De handheld camera volgt Nino, nauwgezet observerend, in zijn rondgang, wandelend en fietsend door Parijs, totdat hij zich maandagochtend in alle vroegte (waarom zo vroeg dat moet u zelf gaan zien) zich bij het ziekenhuis meldt.

Communicatie
Hij poogt zijn verwoestende nieuws wel te delen met zijn vrienden, maar de communicatie hapert keer op keer, waardoor zij zijn boodschap verkeerd begrijpen en hem allerlei adviezen geven die nergens op slaan. Juist dat geeft deze film bij alle tragiek een merkwaardig licht-grappige toon, zoals, alweer, ook Cléo de 5 à 7 die had. Alsof het een comedy of errors is. Hoogtepunt is de scene waarin Nino zijn moeder duidelijk tracht te maken wat er met hem aan de hand is. Hij brengt dat zo stamelend en omfloerst dat ze veronderstelt dat hij ‘in transitie’ is, wat ze geen probleem zegt te vinden. Nino, de trekken van een binnenvetter zijn hem niet vreemd, ontkent: hij is depressief. Zijn moeder gelooft hem.
En, laatste overeenkomst, net als de film van Varda waarin tal van bekende figuren uit de Franse cinema van die dagen een cameo hadden, kent ook Nino zo’n optreden: in het badhuis waar hij gaat douchen treft hij een aardige, wat oudere man. We herkennen de Franse ster Mathieu Amalric. Een prachtige scene, vooral vanwege de foto van zijn overleden vrouw die Amalric Nino laat zien: we herkennen een andere filmster uit vroegere tijden: Romy Schneider (1938-1982).

Opvang
Nino is een prachtige trefzekere, waarachtige film over hoe een evenwichtige jonge man omgaat met plotseling slecht medisch nieuws en – uiteindelijk- wordt opgevangen door zijn omgeving, een film ook die nergens het drama aanzet. De Canadese acteur Théodore Pellerin excelleert in de hoofdrol en kreeg daarvoor de Rising Star Award tijdens het filmfestival van Cannes. Het slotnummer van de band Fontaines DC onderstreept het basisgevoel van de film: In the modern world/I don’t feel/No, I don’t feel/I don’t feel bad.
Henk Maassen

Novelle
Om wie wij zijn, Peter Delpeut, Uitgeverij Vleugels, 112 blz, 24,50 euro

Keelkanker: een dichter verliest zijn stem
Het is goed om iets te weten over het oeuvre van de grote Griekse dichter Konstantínos Kavafis (1863-1933), wiens Verzamelde Gedichten overigens een bezit voor het leven zijn, alvorens te beginnen aan de novelle Om wie wij zijn van Peter Delpeut. Bijvoorbeeld dat veel gedichten van Kavafis de spanning blootleggen tussen het dagelijkse leven en (zijn) verborgen verlangens. Zijn homoseksualiteit moest hij verborgen houden. Overdag zat hij op kantoor, en had hij een mooi pak aan en deed hij zijn werk als ambtenaar op de beurs in Alexandrië. Maar ’s nachts had hij een ander leven.

Laat geen mens op grond van wat ik deed
Of zei trachten te vinden wie ik was.
Iets hield dat tegen, iets wat mijn daden
en mijn manier van leven transformeerde.
Iets hield dat tegen, iets wat me vaak
afremde als ik zou gaan spreken.

En ook dat zijn werk pas na zijn dood in 1933 publiek werd en de Griek faam verwierf als een van de grootste dichters van de twintigste eeuw. Dat moet je allemaal wel weten om Om wie wij zijn van Peter Delpeut, ondertitel: een onwaarschijnlijke liefde, te appreciëren. Daarin concentreert hij zich op laatste fase van Kafavis’ leven, als hij zich in 1932 in Athene en later in een sanatorium bevindt en daar revalideert na te zijn geopereerd aan keelkanker.

Twee stemmen
Om wie wij zijn is een roman van twee stemmen. Die van het notitieboekje van Kavafis en die van een geheimzinnige jongeman, de verteller, die een groot geheim met zich meedraagt dat alleen Kavafis, de dichter die als geen ander wist hoe in een oneindig verleden te leven, weet te doorgronden. De twee stemmen smeden zich aaneen tot een verhaal over vergankelijkheid, onuitgesproken gevoelens, afscheid en liefde over de dood heen. Die jongeling lijkt een kruising tussen Thomas Mann’s Tadzio en Virginia Woolf’s Orlando: een niet verouderende tijdreiziger die grote gelijkenis vertoont met een jongeman die Kavafis dertig jaar eerder in Alexandrië heeft ontmoet, toen ze een blik, een aanraking hebben uitgewisseld. Is hij een fantoom van zijn geheugen? Of is hij echt de jongeman van destijds?

Zoals die uit het gedicht Dagen van 1901:

De schoonheid van zijn negentwintig jaren,
zozeer beproefd door het genot,
kon bij ogenblikken, onverklaarbaar, nog doen denken
aan een efebe die – ietwat onhandig – voor de eerste maal
zijn reine lichaam aan de liefde overgeeft.

Of die uit Dagen van 1909, ’10 en ‘11:

Ik vraag mij af of het vermaarde Alexandrië
in de oude tijden een mooier jongeman bezat,
een jongen die volmaakter was dan hij- die zo verloren ging:
er werd, dat spreekt, van hem geen beeld of schilderij gemaakt;
in de rommelwinkel van een smid terechtgekomen,
was hij weldra door het zware werk
en door een vulgair, losbandig leven vol ellende helemaal versleten.

Ontnomen stem
Kavafis herkent hem en weet het zeker: hij is het. En beseft dat hij altijd heeft vermoed dat mensen zoals de verteller hebben bestaan. De jongeman noteert: ‘Hij moet zich in een tijdmachine hebben gewaand, waarin hij met duizelingwekkende vaart zo’n dertig jaar terug reisde (…) Ik was de vierentwintigjarige van zijn herinnering. Die ik ook was. In zekere zin. Ik word niet ouder, mijn leeftijd staat stil. Vraag me niet waarom. Of hoe.’
‘Alleen hem schenk ik mijn stem’, schrijft Kaváfis in zijn dagboek. Want die stem is hem zo goed als ontnomen door ‘de slagers die zich chirurg’ noemen. ‘Met twee vingers hield hij een kleine opening in de wikkeling van zijn sjaal vrij. Daartussen lag een onheilspellend zwart gat’. Hij leert de aanvoer van lucht en het aansturen van zijn stembanden te combineren, maar kan niet geloven dat het een geslaagde ingreep was. De arts wil zijn strottenhoofd vervangen door een metalen prothese, ‘alsof de insnede in mijn keel me al niet van elke esthetica heeft beroofd. Als ik niet toegeef, wat ik niet zal doen, voorspellen ze me een bekort leven.’

Onbereikbaar verleden
Kenmerk van Kavafis’ dichtkunst is dat de setting vaak weliswaar historisch is, gesitueerd in de Griekse oudheid, maar dat waar Kavafis over spreekt boven het historische uitstijgt; Rudy Kousbroek heeft dat hoofdthema ‘het onbereikbare verleden als de dimensie van de herinnerde verrukking’ genoemd.
En dat zijn poëzie geen vergelijkingen en metaforen kent. Veel van zijn gedichten, vooral de latere, zijn bovendien rijmloos en zonder een bepaald metrisch schema. Het poëtische schuilt bij Kavafis niet in hoe hij het zegt maar in wat hij zegt. Van sommige van zijn gedichten zou je daarom kunnen volhouden dat zij in hun geheel als beeldspraak bedoeld zijn, zoals het befaamde Ithaka:

Houd altijd Ithaka in je gedachten.
Daar aan te komen is je bestemming.
Maar overhaast de reis volstrekt niet.
Beter dat die vele jaren duren zal,
en dat je, oud al, landen zult op het eiland,
rijk met alles wat je onderweg hebt gewonnen,
niet verwachtend dat Ithaka je rijkdom geven zal.
Ithaka gaf je de mooie reis.
Zonder dat eiland was je niet op weg gegaan.
Verder heeft het je niets meer te geven.

En als je het armelijk vindt, Ithaka misleidde je niet.
Zo wijs als je bent geworden, met zoveel ervaring,
zul je al begrepen hebben wat Ithaka’s betekenen.

Delpeut weet de geest van zijn poëzie wonderlijk goed te treffen. Daarom ook is het zo mooi dat hij de verteller laat werken bij een fotograaf, want nergens is de spanning tussen het vergankelijke en het tijdloze zo voelbaar als in fotografie: ‘Het leven bestaat uit vele foto’s, zei ik. Telkens andere. In geen een bent u dezelfde. (…)Maar van mij bestaat slechts één foto. Altijd dezelfde. Ik toonde hem zijn foto. Ik benijd uw ouderdom. Ook al ben ik veel ouder dan u.’ En als hij later Kavafis’ gedichten in handen krijgt beseft de verteller dat Kavafis’ levensgevoel identiek moet zijn geweest aan het tijdloze leven dat hij zelf lijdt: ‘Het leek alsof in onbruik geraakte radertjes in mijn geheugen schoksgewijs in beweging kwamen en knarsend in elkaar grepen. Was hij al die tijd mijn reisgenoot geweest?’

Toverdrank
Als de verteller Griekenland verlaat en Ithaka passeert beseft hij dat hij altijd te jong zal zijn om ergens aan te komen. En dat hij altijd opgezadeld zal zijn met de liefde voor Kafavis. En steeds denkt de lezer van Kafavis ook: deze novelle is daarmee de toverdrank die de dichter zich zo vurig wenste in een van zijn mooiste gedichten, Naar de recepten van de oude Graeco-Syrische magiërs; de toverdrank die voor korte tijd

‘mij m’n vriend terug kan brengen
in zijn drieëntwintig jaren – zijn schoonheid en zijn liefde.’

Henk Maassen

Bericht navigatie

VorigeVorige