Wat rest

Ter Plekke – Lissabon – wat rest

We hebben in een achttal afleveringen allerlei literaire en medisch relevante plaatsen in Lissabon de revue laten passeren. Hoewel deze verzameling later altijd nog aangevuld kan worden, besteden we in deze – voorlopig laatste – aflevering over Lissabon kort aandacht aan enkele plaatsen in Lissabon die ook een bezoekje waard zijn en – daar beginnen we mee – aan twee schrijvers die telkens in de werken van de reeds besproken schrijvers opduiken: Luis de Camões en Eça de Queirós.
Hier is de pdf.

Schrijvers

Luis de Camões

Iedere cultuur en ieder land heeft zo zijn eigen mythologische figuren. Wij hebben Willem van Oranje en Johan Cruyff, Portugal heeft Luis de Camões en Ronaldo. Luis de Camões leefde van 1524 – 1580. Hij had een tamelijk woest leven, en zo staat hij ook sinds 1867 afgebeeld in het centrum van Lissabon: een strijder en een dichter, die niet altijd beviel bij de machthebbers.

Volgens de overlevering stierf hij op 10 Juni, en dat is nu een nationale feestdag in Portugal. Men viert dan een woelig leven. In 1548 werd hij verbannen uit Portugal, hij gaat naar Marokko, waar hij een oog verliest. In 1553 belandt hij in de gevangenis, en eenmaal weer vrijgelaten vertrekt hij naar Goa, en van daar uit reist hij in 1555 verder naar Macao. Daar schrijft hij zijn meesterwerk, de Os Lusiadas. Ieder kind in Portugal heeft dat gelezen op school. Hier is een zeer klein gedeelte uit Os Lusiadas.

Van u, mijn leven, neem ik afscheid! Want
Ik voel de dood reeds leven in mijn leven.
Waarom, zo vraag ik, naar geluk nog streven,
Indien wie ’t meest bereikt het meest verpandt?

Maar hierop geef ik u mijn vaste hand
Dat, ook al doet mijn foltering mij sneven,
Uw heugnis de Lethe zal overleven
En veilig varen zal naar de overkant.

Eer zonder u storten mijn ogen tranen
Dan dat ze om iets anders zich verblijden;
Vergeet ze liever, eer zij u vergeten.

Eer mag deze herinn’ring ze doen lijden
Dan dat zij, door uw beeld te laten tanen,
De glorie van die smart onwaardig heten

Waat’ren van de Mondego, welgezind
En voor mijn smachten zacht, waar lange tijd
Ik hoop gekoesterd heb, bedrieglijkheid
Geloofd heb en gevolgd, als was ik blind:

Van u neem ik nu afscheid; maar mij bindt
Nog steeds het ver verlangen dat mij leidt
En dat niet toestaat dat ik van u scheid:
Hoe verder weg, hoe nader ‘k mij bevind.

Al voert het Lot deze gevangenis
Der ziel naar vreemde landen, nieuwe zangen,
Naar verre zeeën, storm en duisternis,

De ziel zelve slaat u van hier af gade
En vliegt op vleugels van een vlug verlangen
Naar u, o waat’ren, om in u te baden.

Het is niet zo moeilijk om in te zien waarom Slauerhoff zo geboeid was door Camões: de reiziger en dichter kwam dicht bij hem in de buurt. Geen wonder dat hij de beroemde grot in Macao ging opzoeken.

Macao ziet er nu overigens wat anders uit.

Slauerhoff schreef een aantal gedichten over Camões, waarvan hier een voorbeeld

Camões

Hij sleet zijn jeugd in ’t afgelegen slot
En diende een hof, geestloos wuft en verwaten.
Hij vlood, wild hunkrend naar een grooter lot,
Alleen naar de pas opgerichte Staten.

Om zijn stilzwijgen en onzeker schot
Geminacht door kooplieden en soldaten;
Aan boord, in ’t fort ten prooi aan ’t plomp complot
Dat hij niet delgen kon, slechts machtloos haten.

Toch drong zijn droom tot haar verweezlijking:
Toen hij geen vreemde wonderlanden ging
Veroveren met een machtige armade,

Wrocht hij in kille grottenschemering

Gedoemd poëet, zwerver en banneling ­
De zware strophen van de Lusiade.

(Grotto, Macao)

We hebben het aan de dappere Luis de Camöes te danken dat Os Luciadas nog steeds te lezen is. Door een schipbreuk voor de kust moest hij zwemmend de wal bereiken, maar gelukkig hield hij het boek boven zijn hoofd.

Eenmaal aangekomen in Lissabon wachtte hem een koude ontvangst.

Aan mijn vrienden

Geluk, te lang gehoopt, wendt steeds in leed.
Toen wij ’t eerst landmerk: Cintra’s heuvels zagen,
Werd Heitor ook naar ’t achterdek gedragen
En gleed in zee van onder ’t rood-groen kleed.

Toen kwam, dwars door de kim, de blauwe Taag en
De bruine heuvlen weken, hemelsbreed:
Of ’t vaderland zijn armen opendeed,
Ons weergekeerden aan zijn hart wou dragen.

Uit Lisboa vlamden geen vreugdevuren.
Een gele vlag woei van de oude vest’.
Geen wimpels zwierden van de leege muren.
Men hield de vloot op stroom, bevreesd voor pest.

Na zeven dagen in de stad gelaten,
Door niemand vergezeld, gingen wij saam
Als geesten overdag door vreemde straten,
Geen juichend volk, geen vrouw wuivend aan ’t raam.

Aan ’t hof wist niemand meer van onzen naam.
Men kende nauwelijks de nieuwe staten;
De vorst, beheerscht door vrouwen en prelaten,
Bleef koud voor Macao’s stichting, Goa’s faam.

Ik voelde mij door zeven jaar werk verraden;
Mijn Lusiade had ik grootgebracht
In scheepshol, grot en kluis, bij dag en nacht,
Gered uit brand en schipbreuk als mijn gade.

Om haar te schenken aan het vaderland:
Maar waar de vijand aan de grenzen ligt,
Waar pestilentie heerscht, aardbeving dreigt
Men ’t volk verdrukt, klooster op klooster sticht,
Ketters ombrengt, ontdekkingsroem verzwijgt,
Heeft men slechts hoon veil voor het heldendicht.

Hij sterft in 1580 tijdens een pestepidemie. Hij verdwijnt in een massagraf, maar krijgt later een mooi graf (waar hij dus niet ligt) in het Mosteiro dos Jerónimos in Belem, waar we eerder waren voor het graf van Fernando Pessoa.

‘Hier ligt Camões, prins der dichters van zijn tijd. Hij leefde arm en miserabel en zo stierf hij ook’

Ook Ricardo Reis, als personage van José Saramago, eert Camões.

Ricardo Reis stak de Bairro Alto dwars door en kwam via de Rua do Norte weer bij Camões uit, alsof hij zich in een doolhof bevond die hem steeds naar dezelfde plaats voerde, naar deze halve edelman en houwdegen, een soort bronzen d’Artagnan, bekroond met een lauwerkrans omdat hij op het nippertje de diamanten van de koningin had weten te onttrekken aan de machinaties van de kardinaal, die hij overigens later, als de tijden en de politiek veranderd zijn, nog zal dienen, maar het zou goed zijn als onze dichter hier, dood en dus niet meer bij machte dienst te nemen, wist dat de heersers, kardinalen inbegrepen, zich beurtelings of tegelijk van hem bedienen zodra dat in hun kraam te pas komt. Het is tijd om te eten, de ochtend is met wandelen en ontdekken weggekabbeld, kennelijk heeft deze man niets anders te doen dan slapen, eten, wandelen, af en toe een dichtregel schrijven, en dat dan nog met pijn en moeite, zwoegend op maat en versvoet, niet te vergelijken met het onafgebroken duel van onze musketier, alleen Os Lusiadas telt al meer dan achtduizend verzen, en toch is dit ook een dichter, niet dat hij zich laat voorstaan op die titel, zoals men kan zien in het gastenboek van het hotel,

Eça de Queirós

Ricardo Reis kent zijn klassieken, want hij staat niet alleen stil bij Camões, maar ook bij José Maria Eça de Queriós, die leefde van 1845 – 1900. Hij kwam pas na zijn studie in Lissabon wonen. De eerste zes jaar aan het Rossio, op nr 26. In Lissabon was hij een dandy-achtige intellectueel, die de benepenheid van zijn tijd bekritiseerde. Ook hij bewoog zich vrijwel altijd in de buurt van het beeld van Luis de Camões, het kan geen toeval zijn. Op het Largo do Quintela was het huis van de hoofdpersoon uit een roman van Eça, en daar staat nu een beeld van de schrijver.

Over de rauwe naaktheid van de waarheid de doorschijnende mantel van de fantasie,
staat onder het beeld. De naakte vrouw moet dan de waarheid voorstellen.

Ook Saramago, als Ricardo Reis, bespreekt het beeld.

Reis blijft staan voor het standbeeld van Eça de Queirós, of Quei¬roz, uit respect voor de schrijfwijze die de drager van de naam hanteerde, ach hoe verschillend kunnen schrijfwijzen toch zijn, en een naam is eigenlijk nog niets, ronduit verbijsterend is het dat deze twee dezelfde taal spreken en de een Reis is, de ander Eça, waarschijnlijk kiest de taal de schrijvers die ze nodig heeft, bedient ze zich van hen om een klein deel uit te drukken van wat ze is, ik vraag me af hoe wij moeten leven als de taal alles gezegd heeft en zwijgt. De eerste problemen beginnen al te rijzen, of nee, het zijn nog geen echte problemen maar verschillende, tegen¬strijdige betekenislagen, opgewoelde bezinksels, nieuwe kristalli¬saties, bijvoorbeeld, Over de solide naaktheid van de waarheid de diafane mantel van de fantasie, de uitspraak lijkt duidelijk, hel¬der en duidelijk, een kind zou het kunnen begrijpen en foutloos herhalen bij een proefwerk, maar datzelfde kind zou met even¬veel overtuiging een ander gezegde begrijpen en herhalen, Over de solide naaktheid van de fantasie de diafane mantel van de waarheid, en dit gezegde geeft wel stof tot nadenken en aange¬naam fantaseren, naakt en solide de fantasie, slechts diafaan de waarheid, als de uit hun tegendeel afgeleide uitspraken wetten zouden worden, wat voor wereld zouden wij daar dan van maken, het zou een wonder zijn als de mensen dan niet iedere keer als ze hun mond opentrokken gek zouden worden.

We lopen weer weg bij het beeld. Nog even een pasteis eten bij Cister

om uitendelijk te eindigen op Largo do Carmo, waar zowel de bij de aardbeving verwoeste kathedraal is te bewonderen, als het voormalige hotel Bragança, dat nu het hoofkwartier is van de Guardia Nacional. Op deze plek kreeg de anjerrevolutie zijn beslag. Van hier kunnen we weer afdalen naar het Rossio. Daar staat het beeld van Pedro IV, een beeld met een bijzondere geschiedenis. Het was een beeld van keizer Maximiliaan van Mexico. Het stond in 1867 klaar voor transport naar Mexico, maar de keizer werd gefusilleerd. De Portugese regering nam het beeld bijna voor niks over, plakte er een baard aan (Maximiliaan had geen baard) en zette het op een zeer hoge sokkel van 27 meter. Niemand die het zag dat dit niet Pedro IV, de 28e koning van Portugal en de eerste keizer van Brazilië was.

Er is redelijk wat van het werk van Eça in het Nederlands vertaald. Sommigen zeggen dat hij de Zola van Portugal is, maar dat is maar zijdelings zo. Het is meestal geen medisch-literair proza, maar dat mag toch geen probleem zijn.

Plaatsen

Aquaduct en Watermuseum

Adres Aquaduct: Calçada da Quintinha Campolide
Adres reservoir : Reservatório da Mãe d’Água das Amoreiras, Rua das Amoreiras
Adres Museum : Rua do Alviela

De grootste bijdrage aan onze gezondheid is ongetwijfeld de riolering en schoon drinkwater. In de tweede helft van de 19e eeuw ontstonden er grote werken om dit te realiseren. Zo ook in Lissabon. Ten eerste is er het enorme aquaduct, het aquaduto das Águas Livres. De behoefte aan schoon drinkwater was al in de 18e eeuw duidelijk en in 1731 begon men aan deze waterweg, met een totale lengte van 58 kilometer. Onderdeel daarvan is het aquaduct over de Alcantara vallei, dat 941 lang is en 65 meter hoog. In 1748 werd het aquaduct voltooid. De aardbeving van 1755 verwoestte veel in Lissabon, maar het aquaduct doorstond dit.

Het aquaduct is ook te bezoeken. Voor een paar euro loop je over het aquaduct. Het is wel een beetje teleurstellend dat je, ergens net over de helft, niet verder kunt en weer terug moet lopen. Maar aan de andere kant, als je wel door zou kunnen lopen ben je aan de andere kant en is de terugweg niet zo eenvoudig. Neem wel een paraplu mee, niet alleen als het dreigt te regenen, maar ook tegen de zon.

Het water moest vervolgens ook ergens worden opgevangen en daarvoor werden bassins gebouwd. Een van de bassins is te bezichtigen in het Reservatório da Mãe d’Água das Amoreiras. Het reservoir heeft een inhoud van 5500 kubieke meter.

De geschiedenis van het water is te vinden in het museum, maar dat is weer aan de andere kant van de stad.

Overkant van de Taag
Normaal gesproken kom je niet zo snel op het idee om de Taag over te steken. Dat kun je doen door de 25 Aprilbrug, maar dat is lopend waarschijnlijk niet mogelijk. Een andere optie is de pont vanaf de Cais do Sodre in 10 minuten naar Casilhas. Daar kun je in een (moderne) tram stappen, maar dat is uiteindelijk niet zo interessant. Leuker is het om onmiddellijk na aankomst rechtsaf te lopen, langs de Taag. Er staan daar een hele rij ruïnes van huizen, waar niemand lijkt te leven (maar dat is niet helemaal juist). Achter de huizen is een tamelijk hoog oplopende wand. Ook oppassen met lopen, want er zitten gaten in de weg. Het lijkt nergens naar toe te gaan, maar ga aan het eind links af de hoek om en dan zie je een baaitje met twee restaurants.

Zeker de moeite waard om hier te eten, maar reserveren is niet eenvoudig, emails worden niet beantwoord. Maar als het gelukt is, heb je een prachtig uitzicht.

Loop je daarna door dan kom je bij een toren met een lift. Als de lift het doet kun je naar boven. De toren is met een brug met de heuvel verbonden. Vroeger was daar een café, waar je fijn met een espresso naar Lissabon kon kijken. Misschien is het inmiddels weer open. Teruglopen kan bovenlangs en dan kom je weer uit bij de pont.

Je kunt onderaan de toren ook doorlopen, de Taag volgen, en dan kom je waarschijnlijk bij het restaurant waar Herman de Coninck over sprak, aan de voet van het Kristusbeeld.

Tegelmuseum
Lissabon is de stad van de tegels, de azulejos. Vele huizen In Lissabon zijn bekleed met tegels. Die tegels hebben een geschiedenis, die goed te bekijken is in het Tegelmuseum.

Het tegelmuseum is tevens het laatste onderwerp dat we van Lissabon noemen. Wellicht dat we in de toekomst nog hier terugkomen, maar voor nu sluiten we af. Volgende keer niet een stad, maar een persoon: Vincent van Gogh.