In deze editie aandacht voor de noodzaak om ziekte onder woorden te brengen (de roman Onstilbaar). En voor de grote moeite die de wetenschap heeft om grip te krijgen op bewustzijn. Dat doen literatoren misschien wel beter, zegt Michael Pollan in zijn boek Een wereld verschijnt. Verder de prachtige roman Inkt en Bloed van Nobelprijswinnares Han Kang en twee films: een over een computerwetenschapper die zijn dodelijk zieke kind met AI poogt te genezen (Electric Child) en een must-see documentaire die beelden (en woorden) vindt voor de ervaring van een psychose: The Desert of the Real.
Reacties in de vorm van opmerkingen, vragen, tips, kritiek en/of lof kunnen naar: scoop0329@gmail.com
Roman
Onstilbaar, Małgorzata Lebda, [Vertaling: Charlotte Pothuizen], Koppernik, 215 blz., 23,50 euro

Ziekte hongert naar leven
Twee vrouwen arriveren in een afgelegen Pools dorp om in te trekken bij de ernstig zieke grootmoeder (‘oma’) van een van hen: Róża – ze heeft kanker. De verteller is dichter en werkt als computerprogrammeur. Haar metgezel (vriendin?) Ann doet wetenschappelijk onderzoek naar licht. De beide vrouwen zorgen voor oma. Grootvader (‘opa’) houdt zich nogal afzijdig –de ‘ceremonies’ rondom ziekte zijn hem vreemd, aldus de verteller. Met op de achtergrond het dreunende geluid van een nabijgelegen slachthuis (onmiskenbaar: de dood) en de dreiging van een verschuivende landmassa (die uiteindelijk mensen begraaft) beleven ze samen vier seizoenen.
Karige stijl
De korte hoofdstukken van Onstilbaar van Małgorzata Lebda lezen als uitgewerkte notities: in een karige, uitgebeende stijl – met veel herhaling, als in een klaagzang – krijgt de dodelijke ziekte van oma paradoxaal genoeg de trekken van een soort ‘leven’, noem het een natuurlijk fenomeen. Opa en oma zijn daarbij tegenbeelden. Róża omarmt al wat leeft, van hond tot insect: ‘In oma’s kamer mocht niets worden gedood, er mocht niets levends uit worden weggenomen.’ Ze draagt haar kleindochter op om suiker over de grond te strooien, zodat de mieren het spoor kunnen volgen. Opa bestrijdt ongedierte en verricht verwoed reparaties aan het vervallen huis. Hij is een doener, wil ingrijpen; hij wil het huis voor de winter nog voorzien van centrale verwarming, opdat oma het niet koud krijgt.
Grenzen
Onstilbaar is een boek over grenzen, tussen mens en natuur, tussen de zieke en haar omgeving, tussen leven en dood, en over de wens die grenzen op te heffen en de onmogelijkheid daarvan. ‘Geen grenzen kennen. Het leek me aanlokkelijk om ver te zijn van wat menselijk is. Om een hondenlijf te hebben en er dienovereenkomstig mee om te gaan, me te laten leiden door honger, mezelf niets te ontzeggen. Me alleen te laten aanhalen door uitverkorenen, te happen en blaffen naar al het andere. Een kieskeurige teef zijn. Van één mens houden, verplichtingen jegens hem hebben, hem gehoorzamen. Verder: om dagenlang te verdwijnen. Daar recht op hebben, daarvan profiteren.’
Ziek huis
Ook het huis waarin zich de zorg voor oma afspeelt, lijkt een afspiegeling van de natuur: ‘De honger van de muren is ’s winters onverdraaglijk. De honger van het huis komt door de kou. In het huis moet lang voor zonsopgang gestookt worden. Opa begint vroeg in de ochtend met het voeden met vuur. Anders zijn de botten van het huis koud. Die kun je beter niet helemaal laten afkoelen. Het huis is ziek en ik weet niet zeker wier ziekte eerst was: die van oma of van het huis.’
Elementen
Dat alles maakt Onstilbaar tot een heel ‘elementaire’ roman, ook in de zin dat de notities van de verteller voortdurend lijken te cirkelen rond de ‘elementen’: aarde, lucht, water (of vaker nog vocht) en vuur (vaak ook in de vorm van licht). En dat nooit omdat de natuur intrinsiek harmonieus en vredig zou zijn. Integendeel, in een mooi interview met de Volkskrant zei Lebda daarover: ‘Ik sta meer aan de kant van Czesław Miłosz, die zijn hele schrijversleven in conflict stond met de natuur. Hij benadrukte dat we schrijven over de pracht van de natuur, maar dat daaronder vreselijke dingen gebeuren. Alles wordt opgeslokt. Dat fascineert me enorm.’
Die ‘elementen’ pakken dan ook steeds weer dubbelzinnig uit, water is goed maar het overdadige vocht dat koeien in de vorm van urine uitscheiden verziekt de boomgaard. Oma koestert het licht, maar de nabije 24-uurs slachterij verlicht de nacht, waardoor de tijd uit zijn voegen raakt. ‘Zij kennen daar geen rust, hebben geen respect voor de nacht, zegt oma, en dat is een zonde.’
Verhaal
In wezen is de roman zelf een poging om een taal te vinden voor de ervaring van ziekte. De verteller: ‘We moeten de ziekte dopen, goede omstandigheden voor de ziekte creëren, haar aanvaarden, zeg ik. Ze maakt nu deel uit van de familie. Ze moet een naam krijgen die iets betekent, die doet denken aan het leven en niet aan de dood. We moeten tegen de ziekte praten en in dat praten de zieke niet vergeten. (…) Er een verhaal uit spinnen. Haar beschrijven zodat er leven in zit, zeg ik. Haar voeden als een dier, zonder de zieke daarbij te vergeten, onthouden dat de ziekte en oma niet het zelfde zijn.’
Einde
Want hoe paradoxaal ook: ziekte leeft. Ze hongert naar leven, eist voeding en vraagt erom besproken te worden. Ze streeft niet naar het einde dat gelijkstaat aan de dood, maar uiteindelijk breekt het moment aan waarop geen enkele truc of poging om tijd te winnen het onvermijdelijke nog kan afwenden. Oma’s ziekte is onverbiddelijk: ‘Haar huid begint van het liggen op een sinaasappelschil te lijken. Maar haar lichaam ruikt niet naar fruit. Het ruikt naar Sudocrem, talk, urine en stront. Onze handen ruiken naar Sudocrem, talk, urine en stront, maar ze ruiken ook naar de sinaasappels die we elke morgen voor haar pellen. Sinaasappels blijven in haar keel steken. Maar ze vraagt erom. Wat is dat voor oma die je moet voeren als een kind? Die is ongeschikt als oma.’
En u denkt nu: ik weet hoe dit afloopt. Dat is een vergissing.
Henk Maassen
Non-fictie
Een wereld verschijnt. Op reis door het bewustzijn. Michael Pollan, [Vertaling: Lidwien Biekmann en Koos Mebius], Arbeiderspers, 368 blz., 27,99 euro

Bewustzijnsonderzoek heeft baat bij fictie
Er zijn talloze theorieën die proberen inzicht te krijgen in bewustzijn – alles wat een mens of niet-mens ervaart– en in de onderliggende neurale basis ervan. In Michael Pollans meesterlijke boek Een wereld verschijnt komen de belangrijkste theorieën en hun verdedigers aan bod. Voor degenen die het vakgebied volgen, wees gerust, ze staan er allemaal in: Daniel Dennett, Antonio Damasio, Mark Solms, Anil Seth, Christof Koch, David Chalmers, Karl Friston, Thomas Nagel, Thomas Metzinger, om er maar een paar te noemen. Bij de meeste van hen ging Pollan ook op bezoek. Hij legt hun theorieën en ideeën omstandig en wat mij betreft kraakhelder uit.
Afstand
Belangrijke notie van meet af aan: bewustzijn is het water waarin we rondzwemmen, en in ons dagelijks leven kunnen we er even weinig afstand van nemen als vissen van de zee. Eruit klimmen en even op de wal gaan staan is voor ons volstrekt onmogelijk. Er is geen ‘perspectief vanuit nergens’ zoals de beroemde denker Thomas Nagel dat heeft genoemd. Er is, met andere woorden, geen ‘goddelijke’ uitkijkpost vanwaaruit we op een volledig objectieve manier bewustzijn kunnen observeren, aangezien elk perspectief, inclusief dat van de neurowetenschap en de filosofie, zelf het product van bewustzijn is. Juist het gegeven dat iedere wetenschappelijke beschrijving vanuit een bewust perspectief wordt opgesteld, zet de deur open naar het serieus meewegen van de subjectieve ervaring.
Schrijvers en dichters
Anders gezegd: we kunnen ons niet uitsluitend op al die wetenschappelijk theorieën en modellen verlaten. Pollan doet daarom iets wat je helaas te weinig ziet: hij besluit het begrip ‘onderzoeker’ breed te definiëren en ook romanschrijvers en dichters mee te rekenen. Hij ziet ze als een soort fenomenologen, die het bewustzijn beschrijven zoals het van binnenuit wordt ervaren. Er is volgens hem maar weinig op het gebied van spontaan denken en beleven dat romanschrijvers en dichters niet al een eeuw geleden wisten. Die hadden geen geavanceerde instrumenten zoals scans, maar alleen hun eigen vermogen tot introspectie. Toch waren zij in staat het innerlijk te onthullen als ‘de kwalitatieve verschillen in de manieren waarop we de wereld zien’, een verschil dat, als er geen kunst bestond, het eeuwige geheim van elk individu zou blijven, stelt Pollan.
Alwetende vertellers
Dat is precies wat romans goed kunnen: ze tonen ons de geest van personages en bevredigen onze diepmenselijke nieuwsgierigheid naar wat – maar ook hóé – andere mensen denken. We weten, noteert Pollan terecht, waarschijnlijk meer over de gedachten van Emma Bovary dan van vrijwel ieder ander mens, misschien zelfs meer dan van onszelf. Alwetende vertellers kunnen diep doordringen tot het bewustzijn van hun personages en ons een blik gunnen op een innerlijk leven waar we in werkelijkheid nooit rechtstreeks toegang toe zouden hebben.
Hij wijst op Virginia Woolf, die in een essay uit 1925 haar lezers vroeg stil te staan bij wat er op zomaar een dag in zomaar iemand omgaat. De geest krijgt talloze indrukken – triviale, fantastische, vluchtige. Ze komen van alle kanten, een gestage stroom van ontelbare atomen, en terwijl ze neerdalen, vormen ze zich tot het leven op die willekeurige dag. Woolf pleit ervoor die ‘atomen’ vast te leggen zoals ze in onze geest neerdalen, in de volgorde waarin ze vallen, en het patroon te volgen dat iedere aanblik of gebeurtenis in ons bewustzijn grift, hoe onsamenhangend dat patroon soms ook lijkt.
Duizend pagina’s
Een hedendaagse vertegenwoordiger van deze stream-of-consciousness-literatuur is Lucy Ellmann. Zij publiceerde in 2019 Ducks, Newburyport – een roman die bestaat uit één zin van meer dan duizend pagina’s waarin ze de innerlijke ervaringen optekent van een niet bij name genoemde vrouw van middelbare leeftijd uit de Amerikaanse middenklasse, moeder van vier kinderen.
Pollan bezoekt haar en vraagt of ze vindt dat taal opgewassen is tegen de taak van het vangen van het bewustzijn. Nee, luidt haar antwoord: je kunt een poging doen, een indicatie geven van wat er gebeurt, maar de werkelijke stroom is veel rijker en bevat veel meer associaties. Bovendien zijn er dan altijd – en tegelijkertijd – ook nog de zintuiglijke sensaties waarbij het gehele lichaam betrokken is: geuren, herinneringen, neuroses, gewoonten en alles wat richting geeft aan onze gedachten.
Vormeloze stroom
Precies dat kan voor sommigen het talige bewustzijn tot een hel maken. Zo althans ervoer de Braziliaanse auteur Clarice Lispector (1920–1977) dit – Pollan noemt haar overigens niet. Voor haar was alles wat er in haar bewustzijn gebeurde een vormeloze stroom aan duidingen die de relatie tot anderen, de natuurlijke wereld en haar eigen lichaam belemmerde. ‘Haar denken brengt haar doorgaans niet dichter bij wat er in een ander omgaat, of wat deze mango in haar hand is, of die nacht met de vuurvliegen bij de vijver, of het lichaam van dit paard, maar vervreemdt haar ervan’, zoals Dirk van Weelden dat in een fraai essay recent heeft verwoord. Het verdringt wat zij zag als de ultieme krachtbron, de waarheid waarop het bestaan leunt: de verbondenheid van haar lichaam en de eigen binnenwereld met de rest van de levende natuur.
Maar wie zich, zoals zij deed, vervolgens tracht over te geven aan die wereld voorbij het denken, ‘raakt los van de mensenwereld en wordt een wild bewegend spiegelkabinet. In die draaikolk kan een eenzaam bewustzijn verdwijnen of ziek worden.’ Dat is dan ook in haar persoonlijke leven gebeurt.
Toxische informatie
Voor Pollan, die ervaring heeft met psychedelica, is de overgave aan de wereld voorbij het denken, zeg maar: verdwijning van het zelf, juist een sublieme, panoramische ervaring. Het bewustzijn als de wijde opening waarin ‘de wereld verschijnt’. Maar, zo stelt hij vast, met de komst van het geheugen vernauwt het zich in een mensenleven al snel tot een subjectief gezichtspunt en uiteindelijk – ten goede of ten kwade – tot een zelf. En dat laatste is – hij verwijst daarbij met name naar de Duitse auteur en wetenschapper Thomas Metzinger – een triomf van de evolutie. Maar wel een met twee gezichten: het heeft ons enerzijds buitengewoon succesvol gemaakt en ons in staat gesteld grote samenlevingen te vormen. Maar het heeft ook lijden gebracht– en daarmee komt hij in de buurt van Lispector. Zoals het boeddhisme weet: de hele fenomenologie van het zelf is een constante bron van ontevredenheid. Alle levende wezens moeten weliswaar strijden tegen entropie en de uiteindelijke dood, maar mensen zijn, voor zover we weten, de enigen met een zelfmodel dat de ‘toxische informatie’ bevat dat ze gedoemd zijn te falen en te verdwijnen.
Henk Maassen
Roman
Inkt en Bloed, Han Kang, [Vertaling: Mattho Mandersloot]. Nijgh & Van Ditmar, 352 blz., 24,99 euro

Chaos en creatie
Soms gebeurt het dat een Nobelprijswinnaar in de literatuur nauwelijks bekend is. Een aangezien iedereen aanneemt dat ze dan iets geweldigs gemist moeten hebben, komt er een inhaalslag op gang. Han Kang was bekend door De vegetariër, maar sinds ze in 2024 die Nobelprijs gewonnen heeft verschijnt er meer werk van haar in het Nederlands. Recent nog nieuwe poëzie van haar hand (Ik leg de avond in een la, zie Scoop 29 van 6 Juni), en nu is ook de roman die zij na De vegetariër schreef vertaald. Inkt en bloed verscheen in 2010.
Verloren vriendin
De hoofdpersoon/verteller is een vrouw, Lee Jeong-hie die een artikel leest over een overleden schilderes Seo Inju die haar beste vriendin was, maar die zij het laatste jaar van haar leven uit het oog was verloren. In het artikel wordt beweerd dat Inju suïcide heeft gepleegd door zichzelf op een winterdag te pletter te rijden. Jeong-hie kan dat niet geloven en gaat op onderzoek uit. Er ontwikkelt zich een soort detective, waarin geleidelijk allerlei stukjes van de puzzel van Inju’s leven bekend worden.
Dat maakt het schrijven van een recensie niet eenvoudig, tenminste als je de plot wil vermijden. We laten dus de plot voor wat die is, inclusief de vraag of Jeong-hie wel een betrouwbare verteller is.
Zin van het bestaan
Waar gaat de roman over? Bijvoorbeeld over de vraag hoe goed wij andere mensen kennen, ook al ben je dicht bij ze. Jeong-hie ontdekt allerlei onbekende details uit het leven van Inju. Maar ik denk ook over een thema dat bij Han Kang hoort: rouw. Ze koppelt rouw aan de zin van het bestaan in een oneindig universum. Veel astrofysica als samenbindend thema in Inkt en Bloed!
In allerlei fragmenten leren we steeds meer over de levens van de twee vrouwen en de verliezen die ze hebben geleden. Een alcoholische moeder, een doodzieke oom (hij had een vorm van hemofilie) die jong overlijdt, de ziekte van de oom die overerft in het zoontje van Inju, en relaties, huwelijken en zwangerschappen die mislukken Dat alles wordt omspoelt door de ijzige Koreaanse winter, die in bijna alle scenes een belangrijke rol speelt.
Terzijde: winter speelt in zoveel boeken van Han Kang een rol dat dat geen toeval kan zijn, ook deze winter is niet alleen een realiteit, maar ook een metafoor voor het (koude) karakter van sommige menselijke relaties.
Verbeeldingskracht
Inkt en bloed is tot nu toe de mooiste roman die ik dit jaar heb gelezen, maar ik weet vrijwel zeker dat lang niet iedereen dat met me eens zal zijn. Daarvoor is de schrijfstijl te brokkelig, te fragmentarisch, te poëtisch. Je moet er wel bij blijven want het verhaal springt fanatiek in de tijd en ook de verteller verandert af en toe. Maar de verbeeldingskracht van Han Kang compenseert dat voor mij in voldoende mate.
Big Bang
Jeong-hie stuit in haar zoektocht op het laatste, voor haar onbekende, atelier van Inju. Daar liggen schilderijen die ook door haar overleden oom werden gemaakt. Het is een bijzondere techniek met flinterdun papier dat allerlei willekeurige capillairen bevat. Als je daar in het midden water met inkt op doet (inderdaad: The big bang), gaat het zich willekeurig vanuit het centrum verspreiden, een proces dat alleen te beïnvloeden is door op sommige punten een steentje of een papieren propje te leggen, zodat de inkt een andere weg gaat zoeken. Het lijkt een soort metafoor voor het universum en het menselijk leven te zijn: het schilderij dat zo ontstaat is zowel willekeurig als beïnvloedbaar, zowel chaotisch als gedetermineerd. Precies als deze roman dus. Het plot is dus ook geen echt plot; ik waarschuw maar even.
Arko Oderwald
Film
Electric Child, nu in de bioscoop.
De trailer vindt u hier.

Dokteren met AI
Electric Child van de Zwitserse cineast en AI-kunstenaar Simon Jaquemet is een sciencefictionfilm die AI vooral inzet als gedachte-experiment over ouderschap en de ethiek van technologische vooruitgang. Wanneer de briljante computerwetenschapper Sonny een superintelligente vorm van AI ontwikkelt in de hoop met behulp daarvan zijn doodzieke zoontje, dat is geboren met een genetisch defect waardoor hij voor zijn eerste levensjaar zal overlijden, te redden, ontstaat een intrigerende parallel tussen zijn twee ‘kinderen’.
Als een game
Dramaturgisch en qua mise- en- scene, die nogal saai is, schiet de film hier en daar helaas tekort. De voortdurende wisselingen tussen de verschillende locaties maken het lastig een emotionele band met de personages op te bouwen, terwijl de matige acteurs – met een bijna voortdurend wanhopig kijkende hoofdrolspeler – de geloofwaardigheid verder ondermijnen.
Wat wel helpt voor het begrip van Jaquemets ‘betoog’ is zijn keuze om de zich ontwikkelende AI-omgeving te personifiëren, al was het een game met daarin een – androgyne – hoofdpersoon.
De nogal dystopische finale van de film is overigens begrijpelijker dan sommige critici suggereren, want bevestigt een diepe ironie: de revolutionaire AI die een kind zou moeten redden, groeit uit tot een volkomen ontregelde schepping die haar maker overvleugelt en waarschuwt aldus dat ook de AI-revolutie haar eigen kinderen zal verslinden.
Henk Maassen
Documentaire
The Desert of the Real, nu in de bioscoop.
De trailer vindt u hier.

Psychose versus werkelijkheid
In het kader van het IDFA kwam de documentaire The Desert of the Real, waarin regisseur Luuk Bouwman zes mensen aan het woord laat die ooit in een psychose terechtkwamen, al eerder aan bod in deze rubriek. De film komt nu in roulatie. Een uitgebreid stuk vindt u op onze site hier, daarom in het kort wat ik er eerder over schreef.
In indringende interviews met (ex-)patiënten combineert regisseur Bouwman in zijn film hun persoonlijke verhalen met visuele reconstructies van zowel de werkelijkheid als hun psychotische belevingswereld. Zo wordt zichtbaar hoe een psychose gepaard kan gaan met eenzaamheid, angst en verwarring, maar ook met creativiteit en existentiële inzichten. De film laat zien hoe moeilijk deze ervaringen zijn over te brengen en hoe de terugkeer naar het dagelijks leven niet vanzelfsprekend is.
De titel verwijst naar de klassieker The Matrix (1999), waarin Neo ontwaakt uit een gesimuleerde wereld en te horen krijgt: Welcome to the desert of the real.’
Dringend advies: mis deze geweldige documentaire niet.
Henk Maassen