In deze aflevering een meeslepend boek over slapeloosheid (Het vormeloze ongemak) en een al even fraaie film (Resurrection) over dromen, die eigenlijk over herinneringen en het sterfelijke leven gaat. Ook over herinneringen gaat het in de aangrijpende debuutfilm Blue Heron waarin de hoofdpersoon terugkijkt op haar mentaal belaste broer. Wat mankeerde hem precies? En doet dat er eigenlijk wel toe? Voorts: een mooie roman over dementie in Frankrijk (Mensen van de dag) en nieuwe, ‘lichamelijke’ poëzie van Nobelprijswinnares Han Kang.
Eindredactie/correctie: Cathri van de Haar
Reacties in de vorm van opmerkingen, vragen, tips, kritiek en/of lof kunnen naar: scoop0329@gmail.com
Non-fictie
Het vormeloze ongemak. Een jaar zonder slaap, Samantha Harvey [Vertaling: Kitty Pouwels], De Bezige Bij, 160 blz. 22,99 euro.

Hoe een grondeloos bestaan slapeloos maakt
Al duizenden jaren discussiëren filosofen over de vraag waarom mensen slapen en dromen. Aristoteles vond dat slaap een noodzakelijke, natuurlijke opschorting van het bewustzijn is die lichaam en ziel de kans geeft om te herstellen. Verlichtingsdenkers als John Locke en David Hume waren van mening dat slaap het rationalisme en het streven naar kennis belemmerde. Hume plaatste slaap zelfs in hetzelfde rijtje als koorts en waanzin: zaken die rationeel denken in de weg staan. Aristoteles heeft gelijk gekregen van de wetenschap: slaap is cruciaal voor het onderhoud en behoud van tal van functies, waaronder cognitie, emotionele regulatie, immuniteit, stofwisseling en sociale binding. Kortom: langdurige slapeloosheid moet wel tot waanzin en ziekte leiden, althans dat is de vrees van Samantha Harvey, die met Het vormeloze ongemak terugkijkt op een jaar lang niet slapen. Harvey is de auteur die een paar jaar na het verschijnen van dit boek, in 2024, de Booker Prize won met haar fantastische ruimteroman In orbit.
Geen zenuwinzinking
Regelmatig is ze veertig tot vijftig uur aan een stuk wakker. De symptomen van haar slaapgebrek liegen er niet om: verwardheid, vergeetachtigheid, hartkloppingen, hevige hoofdpijn, haaruitval, ooginfecties, gevoelloze handen. Ze verwacht een zenuwinzinking maar die blijft gek genoeg uit. Want hoe uitgeput en neerslachtig ze ook is, overdag blijft ze naar eigen zeggen op een relatief normaal – ‘zij het sterk verlaagd’ – niveau functioneren. Intussen blijkt haar verlangen naar slaap ook de ontkenning ervan; hoe meer ze die slaap wenst, hoe minder hij komt.
Oorzaken
Als proximale oorzaken van haar toestand wijst ze op haar rouw om de te vroege dood van een geliefde neef, op verkeerslawaai rond haar huis, ja zelfs op haar boosheid over de Brexit. Maar al filosoferend komt ze op een dieper gelegen oorzaak: ‘Ik voelde me extreem ongegrond. Ik was vaak bang. Mijn verstand probeerde zich een weg naar stabiliteit te denken en vond alleen maar een grenzeloos uitspansel. Wat is echt? Waaraan kan ik me vasthouden? Waar kan ik op rekenen? Ik ben altijd al een zorgelijk type geweest, maar dit soort angst had ik vroeger niet (….) Ik begrijp niet waarom je zo vaak het advies krijgt je geen zorgen te maken over dingen waarover je geen controle hebt, omdat dat zinloos zou zijn. Natuurlijk heeft het zin je over die dingen zorgen te maken. Dat zijn juist de dingen waarover je je zorgen moet maken; bezorgd zijn over dingen waarover je wel controle hebt is een stuk minder praktisch, want in plaats daarvan zou je er ook iets aan kunnen doen.’
We leven, stelt ze vast, in een oneindig vormeloos niets, waarin ruimte en tijd de dienst uitmaken: ‘Denk aan de hemel als je ’s nachts omhoogkijkt: je ziet sterren, maar wat je echt ziet is het immense niets tussen de sterren in, en je ziet hoe het niets de voorwaarde voor het iets is, hoe gretig elk voorwerp zijn eigen arena van ruimte opeist.’ Geen wonder dat bij haar het besef daagt dat slaap familie is van The Big Sleep, immers: ‘Alle religies ter wereld zijn bedacht om uiting te geven aan de barmhartige genade van het moment vlak voordat we onze ogen sluiten en ondergaan.’ De tijd, niet het leven, is wat opraakt, beseft ze. ‘De tijd schuift ons de dood voor ogen en biedt dan zichzelf aan als eindige bescherming. De tijd is de broedplaats van angst en wanhoop.’
Ze heeft kortom, een diep, zeg maar gerust existentieel probleem.
Hier-en-nu
Dan stuit Harvey op de Pirahã, een volk dat leeft in de het Amazone-oerwoud, en dat afgaande op hun taal ervaringen niet op een continuüm plaatst dat van het verleden via het heden naar de toekomst gaat, zoals bijna alle andere talen dat doen. Ze kennen, anders gezegd, geen recursieve zinnen; ze bedden de ene gedachte niet in de andere in en reizen niet binnen één zin van de ene tijd of plaats naar de andere. In de taal en cultuur van de Pirahã is alles letterlijk en op bewijs gebaseerd. Transcendentie kennen ze niet, ze hebben geen collectieve herinneringen, eeuwenoude verhalen of mythes. Ze maken geen kunst. Harvey is verrukt: ‘Wat geweldig, om zo stevig in het hier-en-nu verankerd te zijn.’ Want ja, liggen de Pirahã weleens wakker? Maken ze zich zorgen? Dat rumineren, piekeren en associëren, dat haar uit de slaap houdt, dat kennen ze in hun gelukzalige nu-bewustzijn vast niet.
Therapie
Ze zoekt uiteraard hulp. Verplaatst zich in haar huisarts – want ja, ze blijft een fictieschrijver die soms van perspectief wisselt. Wat zou die van haar denken? Dit misschien: ‘Welk erwtje verstoort uw slaap, prinses? Een passerende Audi? Door welk gebrek, welke teerheid van geest heb jij pillen nodig voor iets wat elk dier overal en altijd van nature kan? Maar medicijnen voorschrijven moet en zal ze, want dat willen ze nu eenmaal. De mensen zitten onder de pillen, je hoort ze ervan rammelen als ze binnenkomen. Misschien willen ze niet eens beter worden, ze zijn gewend geraakt aan hun trieste prestige als zieke.’
Harvey probeert intussen van alles om haar slapeloosheid te verhelpen: cognitieve gedragstherapie, acupunctuur, een stressverlagende mindfulnesscursus, slaaprestrictie, dankbaarheidsdagboeken, voedingssupplementen, stoppen met cafeïne en suiker en nog veel meer. Dan biedt een antidepressivum uitkomst, maar niet voor lang.
Toch bevrijdt ze zich uiteindelijk van haar slapeloosheid. Hoe? Lees haar meanderende, fragmentarische, soms poëtische, bij vlagen grappige en dan weer bloedserieuze memoir en weet alvast dit: ‘Als ik schrijf ben ik mentaal gezond, mijn zenuwen komen tot rust.’
Henk Maassen
Film
Resurrection, vanaf 11 juni in de bioscoop.
De trailer vindt u hier.

De cinema als dromend lichaam
Nog meer slapen, dromen en dood – maar heel anders dan bij Harvey (zie hierboven) – vind je in Resurrection van de Chinees Bi Gan: een ambitieuze, visueel verbluffende film die dromen, cinema, zintuiglijkheid en sterfelijkheid met elkaar verbindt. In de wereld van deze film hebben bijna alle mensen hun vermogen om te dromen opgegeven in ruil voor een vorm van onsterfelijkheid. Slechts enkele ‘Fantasmer’ blijven dromen koesteren, en zijn dus sterfelijk. Een vrouwelijke speurder gaat op zoek naar zo’n dromer die zich, zou je kunnen zeggen, heeft verschanst in de ultieme droomgenerator: films. Ze belandt daarbij in een reis die honderd jaar duurt, eindigend in de nacht van 1999 op 2000.
Zintuigen
De ‘Fantasmer’, steeds gespeeld door dezelfde acteur, en aanvankelijk een soort misvormd, Quasimodo-achtig schepsel, transformeert steeds in andere gedaanten in vier verschillende dromen, die ook vier verschillende filmische stijlen of genres representeren. Elk van die dromen gaat over de vernietiging of perversie van een zintuig: het oor, de smaak, de geur, de aanraking Wat het zicht betreft, dat is het gevoel dat deze hele zweefmolen in beweging zet: de liefde van de Fantasmer voor dromen – totdat uiteindelijk het bewustzijn ervan (mijn interpretatie!) volledig vervaagt. Bij een ‘echt’ lichaam horen immers niet alleen de zintuigen, maar ook de sterfelijkheid ervan.
Ode
Wees overigens gewaarschuwd: het is niet altijd even gemakkelijk de verhaallijnen te volgen, en dat geldt zeker voor de eerste in film noir-esthetiek gedrenkte sectie. Maar daar staat heel veel tegenover. Zoals de ode die deze film ook is aan honderd jaar filmgeschiedenis (herken de talrijke citaten en referenties!) en de onmiskenbare invloed van het surrealisme: de overtuiging dat dromen nieuwe werkelijkheden kunnen onthullen en het besef dat het vliesje tussen binnen- en buitenwereld, tussen illusie en werkelijkheid heel dun is; sterker nog, dat het een membraan is, of dat ze verwisselbaar zijn: het leven als een droom, de cinema als een lichaam. Waarbij ik meermaals moest denken aan een uitspraak van de grote filmmaker en surrealist Luis Buñuel die wetenschap, het onderzoek van de werkelijkheid, niet erg hoog had zitten omdat die ‘zich niet richt op dromen, toeval, gelach, gevoelens of paradoxen – met andere woorden, alle dingen waar ik het meest van hou’. (Van hem is ook de uitspraak: ‘Als de film te kort is, stop ik er wel een droom in’).
Huis
Let in Resurrection ook op telkens terugkerende motieven zoals vuur, smeltende kaarsen en water, die niet altijd even makkelijk te duiden zijn. En vergewis je daarbij van dit adagium van de maker, Bi Gan: ‘In de architectuur is het werk af als het “huis” voltooid is. Maar in film is de uiteindelijke creatie niet het “huis”; het is de persoon die het binnengaat. Ik investeer enorme inspanningen, middelen en tijd in het bouwen van dit “huis”, maar de echte film bestaat alleen als er een publiek in woont. Mensen begrijpen dit vaak verkeerd. Ze gaan ervan uit dat de structuur die ik heb gebouwd de film is, maar nee: de echte film is de gast: iemand die een nacht in dit huis doorbrengt en wakker wordt en zegt: “Gisteravond heb ik een film gedroomd.”’ Niet gek dus dat er nogal verschillende interpretaties van de film de ronde doen, zie bijvoorbeeld hier. Hoe dan ook: fascinerend.
Henk Maassen
Roman
Mensen van de dag, Emma Doude van Troostwijk, [Vertaling: Liesbeth van Nes]. Meulenhoff, 176 blz. 20,99 euro.

Je hoofd verliezen in het Frans
Het komt niet vaak voor dat iemand uit Nederland een roman schrijft in het Frans, met zoveel succes in Frankrijk dat het naar het Nederlands vertaald wordt. Emma Doude van Troostwijk is dit gelukt met Mensen van de dag, hetgeen ook een mogelijkheid biedt om de twee talen te vergelijken, zoals: in het Nederlands zijn mensen ‘de weg kwijt’, in het Frans verliezen ze het hoofd (Ils perdent la tête). En met deze twee verschillende uitdrukkingen zijn we meteen ook op een van de hoofdthema’s van deze roman: dementie.
Behalve over de dementie en de burn-out van de vader, gaat het in deze roman ook over geloven. De hoofdpersoon groeit op in een protestantse domineesfamilie in de Elzas. Haar grootvader was er dominee, net als haar vader en nu ook haar broer. ‘Geloof je in God?’, vraagt de broer aan zijn vader. Na lang nadenken antwoordt hij dat hij gelooft in de kracht van verhalen. De broer aarzelt vervolgens lang of hij wel de derde dominee in het dorpje wil worden.
De roman springt door de tijd, van een onbekommerde jeugd tot het moment waarop die broer zijn ambt aanvaardt: kortere en langere stukjes leven die door een onzichtbare draad bijeengehouden worden.
Zegswijzen
Dementie komt in nog een aantal verschillende zegswijzen aan de orde. Het Nederlands zegt ‘een geheugensteuntje’. Het Frans zegt ‘een denkstommiteit’ (un pense-bête). Het Nederlands is hier vriendelijker. In het Nederlands zijn mensen ‘verscheurd’. In het Frans ‘vallen ze in flarden uiteen’ (Ils partent en lambeaux). Het eerste komt toch wat gewelddadiger over. Maar in de volgende zegswijze is het Nederlands weer vriendelijker: wij spreken van ‘mensen van de dag’. In het Frans hangen mensen dan ‘aan een zijden draadje’ (Ils ne tiennent qu’à un fil). Nederlands mag dan meestal vriendelijker zijn over dementie, maar is ook ontwijkender, zoveel is duidelijk. Wat is te verkiezen? Daar geeft dit boek geen antwoord op. Maar prachtig en poëtisch geschreven, dit debuut van Emma Doude van Troostwijk.
Arko Oderwald
Film
Blue Heron, nu in de bioscoop en te zien op picl.nl.
De trailer vindt u hier.

Ook na twintig jaar geen diagnose
In Blue Heron, het speelfilmdebuut van de Canadees-Hongaarse filmmaker Sophy Romvari, vloeien fictie en documentaire op een bijzondere manier in elkaar over. Het verhaal, dat ze deels baseerde op eigen ervaringen, speelt zich af aan het einde van de jaren negentig, wanneer de 8-jarige Sasha samen met haar Canadees-Hongaarse familie verhuist naar het Canadese Vancouver Island. Sasha brengt haar dagen door met haar broers en zussen, verkent haar nieuwe omgeving en probeert voorzichtig aansluiting te vinden bij leeftijdsgenoten. Consequent gefilmd vanuit Sasha’s perspectief (met voice-over), want het zijn haar herinneringen aan die tijd die later een grote rol zullen spelen. En dus gaat het vaak om details die je als kind opmerkt en die een bijzondere betekenis voor je hebben. Dat speelt vooral waar het gaat om haar oudere stiefbroer Jeremy, zoon van haar moeder uit een eerdere relatie. Hij is voor haar ondoorgrondelijk, stoorzender in een ogenschijnlijk Heile Welt: afstandelijk, zwijgzaam en steeds verder teruggetrokken in zichzelf. Zijn gedrag is grillig en zijn sociale isolatie loopt uit op asociaal en zelfs crimineel gedrag. Pogingen van zijn moeder en stiefvader om hem te bereiken lopen telkens op niets uit, zoals ook de inzet van ggz en speciale scholen geen soelaas biedt. Sasha begrijpt niet wat hem kwelt, maar zoekt toch zijn nabijheid.
Geen diagnose
Halverwege maakt Blue Heron een sprong van ongeveer twintig jaar vooruit. De volwassen Sasha blijkt filmmaker te zijn geworden. Ze onderzoekt het leven van haar broer en probeert met de kennis van nu inzicht te krijgen in wat haar als kind ontging. Ze duikt in oude dossiers, voert interviews en spreekt met hulpverleners. Ze laat echte ggz-professionals Jeremy’s dossier bespreken. Ze komen ook na twee decennia niet tot een diagnose. Dat het met Jeremy niet goed is afgelopen, is dan al wel duidelijk. Had iemand dat kunnen voorkomen? Is er schuld? En: hoe noodzakelijk is zo’n diagnostisch label eigenlijk?
Verdwenen tijd
Een belangrijk onderdeel van Sasha’s zoektocht bestaat uit het beeldmateriaal dat de familie heeft achtergelaten. Camcorderopnamen en foto’s van huiselijke taferelen vormen samen het archief van een verdwenen tijd. In zekere zin vormen ze, samen met haar herinneringen, de grondslag van de derde fase in deze film, waarin Sasha zich probeert voor te stellen hoe een maatschappelijk werker destijds naar haar gezin moet hebben gekeken. Ze neemt dan zelf die rol op zich: wat zou ze als professional hebben gedaan met de kennis van toen? Stilistisch versmelt de maakster zo verbeelding met documentaireachtige elementen. Waardoor herinnering niet wordt gepresenteerd als iets afgeslotens, maar als een levende ruimte waarin mensen blijven rondwaren. Bij uitstek iets wat je in film voor elkaar kunt krijgen. Het resultaat is een subliem in beeld gebrachte, waarachtige maar vooral tragische casestudy, zoals je die slechts zelden ziet in de bioscoop.
Henk Maassen
Poëzie
Ik leg de avond in een la, Han Kang, [vertaling Mattho Mandersloot], Nijgh & Van Ditmar, 120 blz., 20 euro.

Anatomisch theater
Dat wat donker wordt, wordt in donker weggestopt, en met de titel Ik leg de avond in een la wordt de sfeer door de Zuid-Koreaanse Nobelprijswinnares Han Kang behoorlijk aangekondigd: overwegend verlaten, grauw en kleurloos, waar de woorden rood, blauw en groen de kleur moeten brengen. Waar lichaamsdelen het leven brengen. Vooral de tong, warm en roze, die ze soms niet verdragen kan. De tong die ontdooit, de tong die zich oprolt. En vooral lippen, die zich sluiten en spreiden, die ‘door een nauwelijks gewist mes’ horizontaal opensplijten.
Is het gebruik op deze manier van de lippen en de tong een metafoor van zwijgen, of moeten spreken, die in (Zuid-)Korea gebruikelijk is, zoals dat hier ‘de mond gesnoerd worden’ zou zijn? Of is het de vertaling van een mimetisch woord, een nabootsend of weerspiegelend woord, dat door de klank een gevoel of situatie tot uiting kan brengen? (Zie: Suikerklontje in een glas heet water – Literair Nederland).
Deze (voor mij) ongebruikelijke maar zeker beeldende metaforen maken weer eens duidelijk hoe verschillend we ook kunnen voelen door verschillen in taal en taalgebruik.
Spiegel
Een andere invoelbare maar onmogelijke en ongrijpbare metafoor is de titel van alle gedichten in het vierde deel van deze bundel: Winter aan de overkant van de spiegel. Is dat de achterkant? Is dat door de spiegel heen? Of gaat het hier gewoon over de zeespiegel? Of een ‘aardbol-spiegel’, waar noord tegenover zuid, zomer tegenover winter staat?
Deel twee, Anatomisch theater, past door trefwoorden het best bij ‘Literatuur en Geneeskunde’. In het gedicht ‘Anatomisch theater 2’ komen bij uitstek medische woorden en beschrijvingen voor, zoals het zien van haar eigen – niet heel grote – skelet met de omgekeerde driehoek van het bekken helemaal leeg […], en weer: zonder tong, zonder lippen, niets roods, niets warms.
Lied
Han Kang ontving de Nobelprijs voor de Literatuur in 2024 vanwege haar ‘intense poëtische proza, dat historische trauma’s confronteert en de kwetsbaarheid van het menselijk leven blootlegt’. Ik vind haar poëzie eveneens intens, die verdrietige verlatenheid en het als mens gekwetst zijn, intrigerend weergeeft.
Tot slot een voorbeeld:
Genezingslied
Wat houdt het leven
vanaf dit moment in?
vroeg ik mezelf liggend af
toen er een zonnestraal
over mijn gezicht viel
Tot het zonlicht voorbijtrok
bleef ik roerloos liggen
met mijn ogen dicht
Coes Delprat, arts voortplantingsgeneeskunde