Deze keer gaan we de grens over met tentoonstellingen over Gustav Klimt in Wenen en Leonora Carrington in Parijs. Verder een Bulgaarse (De dood en de tuinman) en een Noorse (Ti Amo) roman, beide over mensen met kanker, en een prachtige Hongaarse film (Silent Friend) die ogenschijnlijk over een boom maar eigenlijk over ‘het leven’ gaat. Omdat april de maand van de filosofie is, besluiten we met twee auteurs die ons literair-filosofisch uitleggen waarom mensen toch echt geen machines zijn.
Eindredactie/correctie: Cathri van de Haar
Reacties in de vorm van opmerkingen, vragen, tips, kritiek en/of lof kunnen naar: scoop0329@gmail.com
Roman
De dood en de tuinman, Georgi Gospodinov [Vertaling: Hellen Kooijman] Uitgeverij Ambo Anthos, 224 blz., 23,99 euro.

‘We moeten in de winter sterven’
De Bulgaarse schrijver Georgi Gospodinov (1968) schreef een beschouwend en poëtisch boek over het overlijden van zijn vader. De taal is sober en schijnbaar alledaags, maar roept sterke beelden op en (soms impliciete) verwijzingen naar andere literaire teksten. Dat begint al met de titel De dood en de tuinman, die verwijst naar de bekende parabel waarin een tuinman niet aan de dood kan ontkomen.
Het boek gaat over de dood, maar vooral ook over het leven van Gospodinovs vader. Na diverse baantjes, waarbij hij veelal in conflict kwam met autoriteiten, werkte hij als tuinman in een psychiatrisch ziekenhuis. Als gepensioneerde wijdde hij zich met volle overgave aan zijn eigen tuin. Ook als hij door kanker geveld wordt, blijft hij zo lang mogelijk in zijn tuin werken.
Onsterfelijkheid
In het commentaar van zijn zoon: ‘Zolang er gewerkt kan worden in een tuin, ben je in een beschermde omgeving en geniet je een soort seizoensgebonden onsterfelijkheid. Er is zoveel te doen, hoe kan een mens nu sterven? We moeten in de winter sterven, nadat al ons werk is gedaan.’
Hij zal ook in de winter sterven. Vanuit het huis van zijn zoon in Sofia, waar hij is overleden, wordt hij overgebracht naar zijn dorp om daar begraven te worden en naar zijn tuin. ‘Alsof de tuin de dood weg zou jagen, de dood er niet in zou kunnen gedijen, de rozen hem zouden prikken, de hond hem in zijn kuiten zou bijten.’ De hond, aan wie volgens oud Bulgaars gebruik, net als aan de kat, verteld had moeten worden: ‘De heer is overleden, mogen jullie leven.’
De vader liet niet veel bezittingen na, maar wel een tuin, waarin de planten zullen uitkomen die hij had gezaaid.
Yolande de Kok, psychiater
Roman
Ti Amo, Hanne Ørstavik, [Vertaling: Liesbeth Huijer ], uitgeverij Oevers, 100 blz., 19 euro.

Dodelijk zieke echtgenoot verdringt de waarheid
De titel,Ti amo, van de autobiografische novelle van Hanne Ørstavik (1969) is al een korte samenvatting van de inhoud: ik hou van je. De Noorse schrijfster is tamelijk recent getrouwd met een (haar?) Italiaanse uitgever en ze wonen samen in Milaan. Maar hun leven wordt getekend door het feit dat haar man kanker krijgt. Pancreaskopcarcinoom, zoals bekend een zeer dodelijke vorm van kanker. Ørstavik doet verslag van zijn ziekte, die gekenmerkt wordt door het feit dat hij de waarheid niet onder ogen wil zien. ‘Waarom kunnen we de waarheid niet zeggen? Waarom kunnen we niet gewoon zeggen hoe het zit? Waarom moeten we jouw dood voor jou verbergen? Wil je het echt niet weten, niet met de waarheid over jezelf in contact komen, die niet voelen?’
Feest
Het maakt de laatste maanden van hun leven samen niet eenvoudig. Het is Kerstmis en oudjaar, en hij wil een groots feest geven, terwijl hij eigenlijk niet meer kan. ‘Je ligt daar op je iPad te lezen, maar opeens is het alsof de slaap je gewoon wegveegt, die komt zo makkelijk, je houdt je iPad vast, maar dan zakt je mond open en ben je vertrokken, en het ziet er in jou dan zo dun uit, het leven.’ Maar hij slaat zich erdoorheen, het feest wordt gegeven.
Dun leven
De novelle is doortrokken van haar verdriet over zijn gesloten ogen voor het feit dat hij dood gaat, en tegelijkertijd ook met bewondering hoe hij tot het laatst leeft, ook al is het een dun leven. En in haar brandt het leven onbarmhartig, maar bij hem kan ze niet meer terecht. Op werkbezoek in Mexico leidt dat bijna tot een slippertje, waar ze zich oneindig schuldig over voelt. Mooi geschreven en ik denk ook voor veel mensen herkenbaar.
Arko Oderwald
Tentoonstelling
Gustav Klimt und die Medizin, Josephinum in Wenen. Te zien tot 28 juni 2026. Info: www.josephinum.ac.at.

Gustav Klimt en de geneeskunde
Ik denk dat De kus het beroemdste schilderij is van Gustav Klimt (1862-1918). Het hangt in de bovenste Belvedère in Wenen. Veel mensen willen voor dat schilderij al kussend gefotografeerd worden. Zoveel, dat ze naast het echte schilderij een goede kopie gehangen hebben, zodat andere bezoekers naar het echte schilderij kunnen kijken. In 1926 hingen in hetzelfde museum ook drie enorme schilderijen van Klimt die bestemd waren voor drie faculteiten van de universiteit: filosofie, rechten en geneeskunde. De schilderijen waren drie bij vier meter. Klimt kreeg in 1894, samen met Franz Matsch, van het universiteitsbestuur de opdracht om deze schilderijen te maken.
Triomf van de verlichting
Het bestuur was opgetogen over de stormachtige ontwikkelingen in de wetenschap aan het eind van de 19de eeuw: de triomf van de verlichting over bijgeloof en onwetendheid. Iets om te vieren! Wat betreft de geneeskunde was daar wel wat voor te zeggen. Semmelweis had na dertig jaar toch gelijk gekregen (handen wassen!) en Wenen was, samen met Berlijn en Parijs, een van de middelpunten van de medische wetenschappen, met als grote namen onder andere Billroth, de chirurg die als eerste de maag gedeeltelijk verwijderde, Rokitansky, een belangrijk patholoog en Landsteiner, de ontdekker van de bloedgroepen. Deze overwinning van de rationaliteit moest dus gevierd worden en Klimt kreeg de eervolle opdracht dat om te zetten in voornoemde drie schilderijen. Zijn collega Matsch zou een schilderij voor de theologie en een schilderij met een verbindend thema maken.
Schopenhauer
Het duurde ongeveer zeven jaar voordat Klimt zijn schilderijen had voltooid. In die tussentijd had hij echter de pessimistische filosoof Schopenhauer gelezen en was wat minder overtuigd geraakt van de triomferende toon die de schilderijen moesten uitdrukken. Hij verwerkte dat in het schilderij over de geneeskunde, en dat beviel de opdrachtgevers niet. Het werd afgewezen, samen met de andere schilderijen. Deze schilderijen waren daarna nog wel te zien, onder andere in het Belvedère en in het Secessionsgebouw op de Karlsplatz in Wenen.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de schilderijen opgeslagen in Schloss Immendorf, waar ze in 1945 vernietigd zijn door een brand, aangestoken door de SS. Hoewel er wel schetsen zijn en zwart-witfoto’s, beschikken we dus niet meer over de originele kleurige schilderijen. Nu de universiteit niet meer zo krampachtig doet over de afbeelding is het tijd voor een rehabilitatie. Dat gebeurde onder andere door, in 2024, een ingekleurde kopie af te beelden op de zijkant van een gebouw van het huidige academische ziekenhuis.

We zien een skelet, de dood, ziekte, zwangerschap, op de voorgrond Hygieia en, wat het meest aanstoot gaf, de naakte vrouw aan de linkerkant die de hele medische kolom lijkt af te wijzen. Hygieia, de godin van genezen, met de bekende slang die te drinken krijgt uit de rivier de Lethe, zo wordt gezegd, en dus zorgt voor vergetelheid.
Wasmodellen
Van deze saillante voorgeschiedenis is niet alles terug te vinden in de tentoonstelling Gustav Klimt und die Medizin in het Josephinum in Wenen. Het Josephinum is onderdeel van de universiteit, ondergebracht in een gebouw van het oude Allgemeines Krankenhaus, dat rond 1800 in Wenen werd gebouwd. Het ziekenhuis is inmiddels verschoven naar een aanpalend gebied en in het oude ziekenhuis is nu de universiteit ondergebracht. Het Josephinum is een medisch-historisch museum, met vooral veel schitterende wasmodellen van ontlede lijken. Bij binnenkomst in de zaal van de tentoonstelling loop je meteen tegen zo’n wasmodel aan.

Het is niet helemaal duidelijk wat dat model hier doet, wellicht heeft het te maken met het feit dat Klimt ooit was ingehuurd om anatomische tekeningen te maken. Het is zelfs mogelijk dat hij daarom de opdracht voor de grote schilderijen kreeg. De zaal is erg donker, waarschijnlijk vanwege de schetsen op papier waarin allerlei voorstadia van het schilderij te vinden zijn. Het is wel vreemd dat de ingekleurde versie van een kopie van het schilderij hier nergens te bekennen is, maar wel een grote kopie van een ander schilderij van Klimt. Buiten de zaal hangt een grote zwart-witversie.
Het is een heel bescheiden tentoonstelling die beduidend aan kracht gewonnen zou hebben als de ingekleurde versie als kopie op ware grootte en in het licht er ook had gehangen. Dat is beter dan niets. Nu zijn het vooral de schetsen die het verhaal moeten vertellen, en dat lukt maar gedeeltelijk.
De rest van het museum is voor een medisch geïnteresseerde zeker de moeite waard, vooral de prachtige wasmodellen trekken de aandacht. Wie daarvan houdt kan ook nog naar de Narrenturm gaan, die vlak achter het Josephinum ligt. In dit bijzondere ronde gebouw (panopticumgebouw!) is een grote hoeveelheid wasmodellen verzameld. Anders dan de modellen in het Josephinum zijn die niet gekleurd, en daardoor realistischer voor iemand die weleens op een snijzaal is geweest.
Arko Oderwald
Tentoonstelling
Leonora Carrington, in Musée du Luxembourg, Parijs. Te zien tot 19 juli 2026. Info via:
museeduluxembourg.fr/fr.

Eerste overzicht van het oeuvre van Leonora Carrington
Leonora Carrington (1917-2011) was een Engelse kunstenares die surrealistische schilderijen maakte. Toen ze 19 was ontmoette ze de 26 jaar oudere Max Ernst; ze trokken samen op totdat ze in de Tweede Wereldoorlog werden gescheiden. Leonora was na Ernsts arrestatie door de Gestapo naar Spanje gevlucht en wist daar de Britse ambassade te bereiken. Haar ouders lieten haar hier ophalen en in een kliniek opnemen vanwege de depressie die ze had opgelopen door het verlies van Ernst. Ze kreeg onder andere een behandeling met cardiazol, naast elektroshock een van de dubieuze behadelingen uit die tijd. Van deze ervaring heeft zij verslag gedaan in Beneden (1988).
Filter
Veel verslagen vanuit een psychiatrische inrichting zijn niet tijdens het verblijf maar nadien geschreven, waardoor er vaak toch een filter tussen de originele ervaring en het verslag daarvan terechtkomt. Voorbeelden zijn De glazen stolp van Sylvia Plath en Gezichten in het water van Janet Frame. Er zijn echter ook verslagen die zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke ervaring blijven. Ze zijn daardoor wel minder toegankelijk, maar tegelijkertijd ook realistischer. Beneden hoort bij deze laatste categorie. Het is een indrukwekkend verslag van Carringtons waanzin en de ‘behandeling’ daarvan.
Na deze ervaring werd ze toevertrouwd aan de zorg van een zuster, die haar meenam naar Lissabon. Carrington vluchtte naar de Mexicaanse ambassade. Hier wist ze diplomaat Renato Leduc, een vriend van Pablo Picasso, over te halen haar mee te nemen naar Mexico. Daar heeft ze de rest van haar lange leven gewoond, met een onderbreking in New York.
Kahlo
De tentoonstelling in het Musée du Luxembourg is de eerste grote overzichtstentoonstelling van haar werk. Het is zoals wel vaker tegenwoordig een biografische tentoonstelling, met veel foto’s van Leonora en ook een video met een interview. De beelden deden mij vagelijk denken aan Frida Kahlo, die ook in Mexico-Stad woonde. Maar, dat is persoonlijke smaak, de schilderijen zijn wel iets beter dan die van Kahlo, wiens bekendheid toch gedeeltelijk ook op haar tragische leven is gebaseerd.

Slotsom: een kleine tentoonstelling met een goed overzicht van Carringtons oeuvre, inclusief een paar werken van Max Ernst. Zeker de moeite waard!
Arko Oderwald
Film
Silent Friend, nu in de bioscoop.
De trailer vindt u hier.

Op zoek naar het lantaarnbewustzijn
Het gebeurt niet vaak dat een film, al dan niet bewust, maar liefst drie literaire grootheden in herinnering roept: William Faulkner, Rainer Maria Rilke en J.W. Goethe. Precies dat doet Silent Friend van de Hongaarse Ildikó Enyedi, onder andere bekend van het prachtige On Body and Soul. De eerste vanwege de gevleugelde uitspraak van een van zijn personages: ‘The past is never dead. It’s not even past.’ Diverse levens die zich in deze film gedurende een eeuw, soms letterlijk, rondom een gigantische ginkgoboom afspelen in de botanische tuin van de universiteit in Marburg, maken die uitspraak waar. Want doordat het timeframe van die boom – die eeuwenoud is – zo anders is dan van een veel korter levend mens, verstrengelen zich in zijn perspectief de lotgevallen van deze mensen, zoals Enyedi ook in haar film die levens in elkaar laat vloeien.
Fragiliteit
In 1908 is Grete de eerste vrouwelijke student op de universiteit. We zien hoe ze vecht tegen de misogynie van de hooggeleerde heren, hoe ze een vernederend toelatingsexamen ondergaat, maar slaagt, en hoe en waarom ze zich uiteindelijk op fotografie toelegt omdat ze naar eigen zeggen de fragiliteit van de natuur wil vastleggen.
Vierenzestig jaar later wordt de nogal eenzelvige, Goethe en Rilke lezende student Hannes verliefd op een plantkundestudente. Als ze die zomer met vrienden op reis gaat (en uiteindelijk niet terugkeert) zorgt hij op een nogal ongebruikelijke manier voor haar geranium. En tot slot, en daarmee opent de film, komt tijdens de coronalockdowns van 2020 de neurowetenschapper Tony uit Hongkong vast te zitten in de verlaten universiteitswoningen. Met alleen het gezelschap van een argwanende conciërge en die massieve ginkgoboom, die in al die drie levens een rol zal spelen.
Rilke
Tony onderzoekt het bewustzijn en perceptie van baby’s. Volgens hem zijn baby’s in zekere zin altijd high: ze hebben een ‘lantaarnbewustzijn’ en kunnen – in tegen stelling tot kinderen en volwassenen met een ‘spotlightbewustzijn’ – hun aandacht nog niet dwingend op één ding richten, maar zijn ontvankelijk voor een breed scala aan indrukken, ondergedompeld als ze zijn in hun omgeving. Maar omdat zijn onderzoek vanwege de covidbeperkingen stokt en hij intussen een fascinatie voor de gingkoboom heeft ontwikkeld, besluit hij de elektromagnetische patronen van de boom op te vangen: vermoedt hij ook daarin zo’n lantaarnbewustzijn aan te treffen?
Grete, Hannes en Tony zijn alle drie op hun manier op zoek naar, nou ja, de werkelijkheid, of misschien beter de zuivere ervaring van de volle werkelijkheid, naar een ‘lantaarnbewustzijn’. Rilke zegt het zo mooi in de Achtste Elegie in de Elegieën van Duino, die Hannes leest. Hier in de vertaling van Atze van Wieren:
‘Wij hebben nooit, niet één enkele dag,
de heldere ruimte voor ons, waarin bloemen
oneindig opengaan. Altijd is er wereld
en nooit het Nergens zonder Niet: het zuivere,
onbewaakte, dat men ademt en
oneindig weet en niet begeert. Als kind
gaat iemand in stilte daarin op
en wordt door elkaar geschud. Of iemand sterft en is het.
(….)
En wij toeschouwers, altijd, overal,
Dit alles toegewend en er nooit vrij van!
Het overstelpt ons. Wij ordenen het. Het valt uiteen.
Wij ordenen het opnieuw en vallen zelf uiteen.
Marginale positie
Grete, Hannes en Tony verkeren, elk op hun eigen manier, al dan niet tijdelijk, in een marginale positie. Ze staan buiten de gebaande paden. Dat maakt ze vrij om te ‘ontdekken zonder vooropgezette ideeën’, zoals de filmmaakster dat zelf noemt. ‘Het gaat er niet om te zeggen dat alles onwaar is, maar om te onthouden dat onze ervaring van de wereld een constructie is, zowel biologisch als cultureel.’ Waarbij wetenschappelijk onderzoek, zoals iemand in de film beweert, niet meer of minder is dan ‘het vinden van metaforen voor fenomenen’. Maar pas op: nergens verliest zich deze film in esoterie of bovennatuurlijke kletspraat.
Communicatie
Mede daarom gaat het in deze film ook om de (on)mogelijkheid van communicatie. Met anderen, met de natuur, of ruimer zelfs: de wereld. Er is het verlangen te begrijpen, of simpelweg in aanraking te komen met het leven van een ander. De film focust daarom bewust op communicatievormen waar we weinig aandacht aan besteden, zoals een handdruk. Automatische vertaling met een app blijkt onvolmaakt, maar maakt wel een verbinding mogelijk tussen Tony en die argwanende conciërge. In de film is er soms louter communicatie door aanwezig te zijn of een blik uit te wisselen.

Dat alles wordt op het grote scherm gebracht door de briljante cameraman Gergely Pálos, die adequaat wisselt tussen monochroom zwart-wit 35 mm, wazig verzadigde kleuren op 16 mm en haarscherpe digitale beelden, afhankelijk van de periode waarin de hoofdpersonen zich bevinden. Must-see.
Henk Maassen
Non-fictie
Wij zijn geen machines, Walter Breukers en Jaap Godrie, Ten Have, 224 blz., 24,99 euro.

Het menselijk lichaam als dans
Dat mensen geen machines, geen algoritmes en geen computers zijn mag een open deur heten in deze maand (april!) van de filosofie die in het teken staat van Ken onszelve. En toch denken we vaak in zulke metaforen over onszelf. Want kijk maar, aldus filosoof en biomedicus Walter Breukers en kunstenaar en historicus Jaap Godrie: we richten onze wereld in alsof die een machine is – efficiënt, voorspelbaar, controleerbaar. Dat is niet alleen dodelijk saai, het is ook vernietigend. Om die ‘saaie vernietiging’ tegen te gaan is volgens beiden een radicaal ander mensbeeld hard nodig. Je vraagt je wel af: waar hebben we dat eerder gehoord?
Gelukkig loopt het boek dat ze daaraan wijden, Wij zijn geen machines, niet uit op een ideologische blauwdruk, en geven ze geen kant-en-klare antwoorden, maar ontpopt het zich als een soort metavertelling annex ‘work in progress’, waarin beide auteurs met elkaar in dialoog treden, soms in gezelschap van een tot inkeer gekomen rijke ondernemer.
Biomedische handboeken
Dat we de mens als een machine zien blijkt bijvoorbeeld, zo betoogt Breukers (hij is de ik-figuur) uit de biomedische handboeken over celbiologie, medische microbiologie, genetica en fysiologie die hij tijdens zijn studie onder ogen kreeg. Hij noteert termen als transportpompen en moleculaire motoren. De illustraties vallen op door hun rechthoekige kaders met daarin overzichtelijke vormen zoals cirkels, ovalen en rechthoekjes met tussen die vormpjes woorden als transcriptie, productie, regulatie, inhibitie, differentiatie, replicatie, interactie – allemaal mechanistische termen. Enfin, u begrijpt het idee.
En voor wie evolutie ziet als een lange competitie verankerd in onze genen, is een samenleving ingericht op competitie, in de vorm van een markteconomie, een vrij logisch gevolg daarvan. En als ons lichaam inderdaad een machine is dan is het evenzeer logisch om organisaties in te richten als machines of om werknemers als machines te behandelen. Intussen, merken de auteurs op, lachen organismen zich dood om organisaties.
Levend wezen
Het project van beide auteurs begint met de erkenning dat fictie en non-fictie intrinsiek met elkaar verweven zijn. Hoe? Zo: wie een cellulair proces een ‘moleculaire motor’ noemt, gebruikt een metafoor. Fictie dus. Alleen verwordt die fictie onder wetenschappers tot jargon terwijl dichters en romanschrijvers vaak woorden zoeken die precies raken. In die zin, zo betogen Breukers en Godrie, laten dichters zich minder misleiden door een eerder verzonnen taal dan wetenschappers. Kunst zou je dan geen fictie moeten noemen, maar de belichting van aspecten van leven die in wetenschap onderbelicht blijven. Het is niet dat de één de waarheid in pacht heeft en de ander niet. Kunst en wetenschap zouden elkaar moeten aanvullen om een nieuw, rijker mensbeeld te schetsen. Wie zo’n mensbeeld nastreeft, moet het idee van de mens als een talig, denkend wezen loslaten, want de domme machine en de talige geest vormen een duo. Nogmaals, zo houden ze ons voor: we zijn geen machine en we zijn geen geest. We zijn een levend wezen en we delen dat leven met alle andere levensvormen. En taal is niet anders dan een van de vele middelen om daar uiting aan te geven.
Een ander zou bijvoorbeeld dans kunnen zijn. In al onze 30 biljoen cellen is immers een voortdurende genetisch-muzikale dans gaande, stellen ze. Daar doen tientallen verschillende soorten moleculen aan mee, die het DNA vasthouden, die het buigen, verdichten of uit elkaar trekken, die het openen of verplaatsen. En al die moleculen worden weer door elkaar en door honderden andere beïnvloed op alle niveaus, tot aan het niveau van het gehele organisme en daarbuiten. Dat de zoektocht van de auteurs naar een nieuw mensbeeld uiteindelijk uitloopt op een feest, of liever zelfs een festival, is dan misschien ook niet zo gek.
Ecosystemen
Dat in statu nascendi verkerende mensbeeld van Breukers en Godrie ontleent intussen best veel aan de rol van symbiose in de evolutie van het leven, zoals de beroemde bioloog Lynn Margulis (1938-2011) dat voor zich zag. Samenwerking is daarin, kort gezegd, minstens zo belangrijk als competitie, ook binnen onze lichamen die zijn op te vatten als complete, in evenwicht verkerende ecosystemen. Margulis noemen ze expliciet, andere mogelijke inspiratiebronnen blijven verhuld, ongenoemd of zijn misschien simpelweg vergeten.
Anders gezegd: hun analyse van de moderne menselijke conditie mag dan wat minder origineel zijn, de vorm die ze daaraan geven is dat wel degelijk. Dat levert een vermakelijk, leesbaar en tot nadenken stemmend boek op, met fraai beeld, waarvan de betekenis mij overigens niet altijd duidelijk was.
Henk Maassen