Ter Plekke – Parijs 9 – Le Marais
Start: Musée Carnevalet, 23 rue Madame de Sévigné
Kosten : Musée Carnevalet: gratis voor de vaste collectie; Musée Victor Hugo: onduidelijk. Soms gratis, soms 9 euro. De site geeft geen uitsluitsel.
Deze wandeling begint bij het Musée Carnevalet, het museum over de geschiedenis van de stad Parijs. Het museum is onlangs prachtig gerestaureerd. Het is gehuisvest in twee naast elkaar gelegen panden die bekend stonden als het Hôtel Carnavalet en het Hôtel Le Peletier.

Het eerstgenoemde werd in 1548 gebouwd door Nicolas Dupuis. Het andere gebouw werd ook in het midden van de 16e eeuw gebouwd en was ooit het eigendom van een beroemde Parijse aristocrate, Madame de Sévigné, vrouw van de markies de Sévigné. Ze is het best bekend van de brieven die ze schreef aan haar dochter die zo vaak gekopieerd werden dat ze over het hele land een beroemdheid werd. We komen nog op haar terug.
Het museum is gratis toegankelijk voor de vaste collectie en is zeker de moeite waard, ook al is het, zoals tamelijk veel Franse musea, soms niet erg overzichtelijk ingericht. De stichting van Parijs op het Île de la Cité, waar deze wandeling naar toe gaat, de Franse revolutie, de Commune van 1870, de beroemde kamer met kurk op de wanden van Marcel Proust en allerlei ingerichte kamers die bij een bepaald tijdperk horen, het is allemaal te vinden in dit museum. Minimaal goed voor 1 ½ uur, dus het is de vraag of het bezoek nu, voorafgaande aan een wandeling, of op een later moment moet plaatsvinden. Waarschijnlijk kom je in de Rue de Sévigné weer uit het museum. Loop naar rechts naar de kruising met de Rue des Francs Bourgeois en sla links af deze weg in. Kruis de Rue de Turenne en stop op de hoek van het prachtige symmetrische 17e eeuwse Place des Vosges. Veel terrasjes, veel kunstboetieks, maar merkwaardig genoeg ook nog veel onontgonnen gebied en verwaarloosde huizen. Voordat we het plein gaan rondlopen, waarbij we één zijde overslaan, eerst nog even kort de geschiedenis van dit plein.

Place des Vosges (Vogezenplein) is het oudste plein van Parijs en was een van de eerste moderne grote pleinen in de West-Europese stedenbouw. Het plein, dat vroeger bekend stond als Place Royale, werd tussen 1605 en 1612 onder Hendrik IV gebouwd. Het werd voltooid onder Lodewijk XIII en er werd een standbeeld van deze koning geplaatst. Dat standbeeld heeft de Franse revolutie niet overleefd, maar is na die tijd weer teruggeplaatst, nu in steen. Het plein van 140 bij 140 meter wordt omringd door 39 gelijk uitziende huizen, ieder gebouwd van rode stenen. Aan de noordelijke en zuidelijke wand staan het grotere Pavillon du Roi en het Pavillon de la Reine.
Tijdens de Franse Revolutie besloot het parlement het plein om te dopen. Het zou voortaan de naam dragen van het eerste departement dat zijn belasting zou afdragen aan de revolutionaire regering. Het departement Vosges betaalde als eerste en werd met dit plein geëerd. We gaan nu links om onder arcaden die het plein omringen lopen, Dan missen we dus de van ons uit gezien de rechter vleugel, waar juist op dit moment gezellige muziek wordt gemaakt.
Het plein is altijd een zeer geliefde plek geweest om te wonen. Zo woonden hier op nummer 21, drie eeuwen uit elkaar, twee bekende personen: Kardinaal de Richelieu, de eerste minister Lodewijk XIII, van 1615 tot 1627 en, van 1924 tot 1929, Georges Simenon, de Waalse veelschrijver.

Georges Simenon is op 12 februari 1903 in Luik geboren. Zijn relatie tot zijn moeder is zeer moeizaam en hij vereert zijn vader, die echter al in 1921, als S. 18 is, overlijdt. Zijn moeder hertrouwt, en S. besluit naar Parijs te gaan om daar te proberen als journalist/schrijver aan de slag te komen. In 1923 trouwt hij met Regine, die hij Tigy noemt, en neemt hij haar mee naar Parijs. In dat zelfde jaar wordt zijn eerste verhaal geaccepteerd onder de schuilnaam Georges Sim. Er zouden uiteindelijk 200 verhalen onder schuilnaam volgen.
In 1924, hij woont dan op de Place des Vosges, is hij secretaris van een markies. In 1925 neemt het echtpaar een huishoud¬ster, Henriette, die hij Boule noemt, in dienst. Hij heeft vrijwel onmiddellijk een verhouding met haar, die pas later (in 1944) uitkomt. In 1926 heeft hij een stormachti¬ge verhouding met Josephine Baker. In 1929 maakt hij met vrouw en huishoudster een boottocht door Noord Europa en in Delfzijl verzint hij de figuur Maigret. Het eerste Maigret¬boek zal het eerste boek zijn dat onder eigen naam gepubli¬ceerd wordt (in 1930). Hij zou uiteindelijk 192 romans onder zijn eigen naam publiceren.
Vanwege zijn vijfjarige verblijf op de Place des Vosges is het zo vreemd dat in één van de Maigrets de Place de Vosges een rol speelt.
Het was tien uur ’s avonds. De hekken van het park waren dicht en het Place des Vosges lag er verlaten bi] met de glimmende bandensporen op het asfalt en het eentonige geklater van de fonteinen. De gelijkvormige daken van de om het plein liggende huizen tekenden zich tegen de hemel af.
In de winkelgalerij die als een vreemde gordel het plein omsloot, brandde maar op enkele plaatsen licht. Nauwelijks drie of vier winkels. In een ervan zag commissaris Maigret een gezin aan tafel zitten, midden tussen de grafkransen.
Hij probeerde de nummers boven de deuren te ontcijferen, maar nauwelijks was hij de grafkransenzaak voorbij, of er stapte een nietig figuurtje uit het donker naar voren.
Heb ik u zopas gebeld?
Zij moest daar al een hele tijd op wacht hebben gestaan. Ondanks de november kou was zij zo in haar schort, zonder mantel. Haar neus was rood en haar ogen keken onrustig.
Op nog geen honderd meter afstand stond op een straathoek een agent in uniform.
Heeft u hem niet gewaarschuwd? vroeg Maigret onvriendelijk.
Nee, vanwege mevrouw Saint-Marc niet, die op het punt staat te bevallen . . . Kijk, dat is de wagen van de directeur, die ze er met spoed bij hebben gehaald …
Er stonden drie wagens langs het trottoir met brandende koplampen en rode achterlichten. Langs de door de maan verlichte hemel joegen dreigende wolken. Het leek wel of de eerste sneeuw in de lucht zat. De conciërge liep nu onder de toegangspoort van het gebouw door, die door een zwaar bestoft lampje zwak werd verlicht.
Ik zal het u even uitleggen . . . Dit hier is de binnenplaats . . . Daar moet je overheen om het huis binnen te komen, behalve als je in de twee winkels moet zijn . . . Daar links is mijn loge … Kijkt u er maar niet naar … Ik heb de kinderen nog niet naar bed gebracht … Het waren er twee, een meisje en een jongen, en zij zaten in de rommelige keuken. Maar de conciërge ging er niet naar binnen. Zij wees naar een lang, fraai gebouw, dat achter op de ruime binnenplaats stond.
Daar is het . . . U zult wel begrijpen … Nieuwsgierig keek Maigret dat rare wijfje eens aan, dat daar met druk bewegende handjes voor hem stond.
Er wordt een commissaris aan de telefoon gevraagd! Dit hadden ze even tevoren tegen hem gezegd op de Quai des Orfèvres. Maar erg duidelijk klonk het allemaal niet, door die telefoon. Hij had dan ook een paar maal moeten zeggen:
Spreekt u toch wat harder! . . . Ik versta u niet! … – Dat kan ik niet . . . Ik bel vanuit een winkel. .. Maar …
Het werd een haperende mededeling.
Er moet dadelijk iemand komen … Place des Vosges 61 . . . Ja . . . Ik geloof dat er een misdaad . . . Maar zorgt u vooral, dat niemand het nog te weten komt! … En nu wees de conciërge naar de ruime vensters van de eerste verdieping. Achter de gordijnen kon je mensen heen en weer zien lopen.
Daar is het …
De misdaad?
Nee! Mevrouw de Saint-Marc, die aan ’t bevallen is … Het is haar eerste · kind . . . En zij is niet zo erg sterk … Begrijpt u? …
Op de binnenplaats was het nog donkerder dan op de Place des Vosges. Er brandde maar één lampje, dat aan de muur zat. Achter een glazen deur zag hij vaag een trap en hier en daar wat verlichte vensters.
Maar waar is die misdaad dan gepleegd?
(Georges Simenon: Maigret en de Chinese schim)
We zullen Maigret op onze wandeling nog een keer tegenkomen, maar nu vervolgen we onze weg rond het plein. De kardinaal en de schrijver waren niet de enige beroemdheden die hier woonden. Dat zijn niet alleen maar goed bekend staande beroemdheden. Op No. 13 (Hôtel Dyel des Hameaux) woonde Dominique Strauss-Kahn met zijn ex-vrouw Anne Sinclair. Hem slaan we verder over. Op No. 8 de dichter Théophile Gautier en schrijver Alphonse Daudet. Gautier komen we dadelijk nog tegen, dan besteden we aandacht aan hem.
Alphonse Daudet (1840 – 1897) was een Provençaalse schrijver. La Doulou (de pijn) gaat over de pijnen van zijn tertiaire syfilis, die hels waren. Het boek is niet in het Nederlands vertaald, maar wel in het Engels, door Julian Barnes.

Wat doe je op dit moment?
Ik heb pijn.
(….)
Ik had zolang als ik bromide nam morfine lange tijd links laten liggen. Ik bracht er drie heerlijke uren door. De injectie was niet al te erg en zorgde zoals altijd voor een spraakwaterval.
(…)
Elke avond gemene pijnlijke spasmes in de ribben. Ik lees lange tijd, zittende in bed – de enige positie die ik kan verdragen. Ik ben een arme oude gewonde Don Quixote, die in zijn harnas op zijn gat zit aan de voet van een boom.
Harnas is precies wat ik voel, veel staal die wreed mijn onderrug kraakt. Hete kolen, pijnscheuten zo scherp als naalden. Dan chloral, het getik van mijn lepel in mijn glas en dan eindelijke rust.
Dit harnas heeft me al maanden in haar greep, in kan de banden niet losmaken, ik kan niet ademen.
(…)
Er is geen algemene pijntheorie. Elke patiënt ontdekt zijn eigen pijn, en de aard van de pijn varieert zoals de stem van een zanger varieert dor de akoestiek van de zaal
(…)
Pijn heeft een eigen leven. De ingenieuze pogingen die een ziekte onderneemt om te overleven. Mensen zeggen: “Laat de natuur zijn loop nemen.” Maar dood is net zoveel deel van de natuur als leven. De krachten van overleving en vernietiging zijn in ons met elkaar in oorlog en houden elkaar in evenwicht. Ik heb indrukwekkende voorbeelden gezien waarmee ziekte zichzelf in standhoudt. De twee TB gevallen die verliefd werden op elkaar. Je kon de ziekte bijna tegen zichzelf horen zeggen: wel dit is een goed maatje! En bedenk eens de morbiditeit die hieruit kan voortkomen.
(Alphose Daudet, La Doulou)
We gaan verder met de beroemdheden. Minder bekend waarschijnlijk is de hertog van Sully, die de minister-president was in de periode van Hendrik IV (1553 – 1610), die op nummer 7 woonde.
Hendrik IV was de eerste Bourbon koning van Frankrijk. Katholiek gedoopt, bekeerde hij zich tot het protestantisme. Dat zweerde hij weer af bij zijn troonsbestijging in 1589. Maar met het beroemde Edict van Nantes uit 1598 zorgde hij voor godsdienstvrijheid. Hij werd in 1610 door een katholieke monnik vermoord. Deze moordaanslag lukt wel, na diverse eerdere mislukkingen. Hij was zeer geliefd bij het volk. Lodewijk XIII volgde hem op, toen 8 jaar oud, Maria de Medici, zijn moeder, was regentes.

We zijn nu aangekomen bij de hoek van het plein schuin tegenover de plek waar we binnenkwamen. Hier, op nummer 6, woonde van 1832 tot 1848, in wat toen het Hotel de Rohan-Guéménée was, Victor Hugo. Tegenwoordig is hier een museum ter nagedachtenis aan Victor Hugo.

Victor Marie Hugo (Besançon, 26 februari 1802 – Parijs, 22 mei 1885) was een Frans schrijver, dichter, essayist en staatsman en wordt beschouwd als een van de belangrijkste en invloedrijkste Franse romantische auteurs van de 19e eeuw. Hij schreef romans, gedichten, toneelstukken, essays en politieke toespraken en liet ook een uitgebreide briefwisseling na. Hij was de zoon van een overtuigd republikeinse vader en een zeer gelovige moeder. Dat hield niet lang en Victor ging met zijn moeder in Parijs wonen. Daar trouwde hij met Adèle Foucher, maar had ook een maîtresse annex secretaresse, Juliette Drouet. Zijn vrouw had overigens een relatie met de beroemde criticus Saint-Beuve. In 1831 verscheen Notre-Dame de Paris, bij ons bekend als De klokkenluider van de Notre-Dame. In 1848 werd hij gekozen als afgevaardigde in het parlement. Hij steunde Lodewijk Napoleon, maar naar mate deze steeds meer macht naar zich toe trok verzuurde de relatie. Hugo moest vluchten, eerst naar Brussel, toen naar Jersey en uiteindelijk kwam hij op Guernsey terecht, waar hij tot 1870 bleef. Hier schreef hij Les Misérables (1862). Hij overleed in Parijs in 1887.
Het museum neemt niet heel veel tijd in beslag en is zeker de moeite waard om even een kijkje te nemen. Een lekker kopje koffie op de binnenplaats is ook niet te versmaden.
We volgen onze route langs het plein. Deze kant van het plein is nog al verwaarloosd, hoewel er verbetering te zien is. We lopen tot de volgende hoek. Hier werd op nr. 1 bis Madame de Sévigné (1626 – 1696) geboren. Zij werd zoals gezegd bekend door haar brieven aan haar afwezige dochter die in de Provence woonde, waarin ze haar levendige vertelkunst etaleert. Proust refereert regelmatig naar haar en noemt haar stijl “intermittences du coeur”: het beurtelings wegblijven en weer terugkeren van hartstocht op het ritme van afscheid en weerzien.

Madame de Sévigné
Als we wat geduld zouden kunnen hebben, zouden we onszelf veel verdriet besparen.
We staan nu op de derde hoek van het Place des Vosges, en hier is een deur waardoor we het plein kunnen verlaten. We komen in een binnentuin van het Hotel de Sully.

Het gebouw bij de tuin werd tussen 1624 en 1630 gebouwd. In 1634 kocht de hertog van Sully, die op het plein op nummer 7 woonde, het huis. Zijn familie bezat het gebouw tot in de 18e eeuw. Na door vele handen gegaan te zijn werd het door de Franse staat aangekocht in 1944. Na lange restauraties, klaar in 1973, werd het gebouw de zetel van het Centre des monuments nationaux. In het gebouw is een boekwinkel met een interessante collectie op het gebied van Franse monumenten.
We lopen door het gebouw heen en komen op de Rue Saint Antoine, het verlengde van de Rue Rivoli. We steken de straat over en lopen de Rue de l’Hotel Saint-Paul in. Aan het eind rechtsaf de Rue Neuve Saint – Pierre in en dan weer linksaf de Rue Saint-Paul in. Dan rechtsaf de Rue Charlemagne in en vervolgens linksaf onder de poort door, de village Saint-Paul in.

Op de plek van de voormalig tuinen van koning Charles V (1338 – 1380) is hier een soort kashba gemaakt met boetiekjes, cafés en restaurants. Midden in het drukke Parijs een rustige plek om even uit te rusten.
We lopen door het village Saint-Paul zuidwaarts en komen uit op de Rue L’Ave Maria. Even links lopen en we komen uit op de Quai des Celestines. We steken de Quai over, we zijn weer tussen de vele auto’s, en gaan de trap af naar beneden, naar de Seine. Hier staan tafels met banken waar je kunt zitten, er is ook een café. Deze arm van de Seine stroomt naar rechts. Daar aan de rechter kant zie je de pont Marie.

Hier op deze plek en op de twee eilanden die aan de overkant te zien zijn speelt zich ook een Maigret roman van Simenon af: Maigret en de clochard. Een clochard wordt zwaar gewond op de Quai gevonden. Het blijkt dat deze clochard een dokter is en dat, vreemd genoeg, de rijke vrouw van wie hij weggelopen is om dokter te worden in Afrika, 300 meter verderop woont op het Île de Saint Louis, waar we nu op uitkijken.

De Seine blijft nog hoog, merkte Lapointe op, die tot nu toe nog niets gezegd bad. Dat was zo. Sedert een maand was het nauwelijks een paar uur achter elkaar droog geweest en bijna iedere avond vertoonde de televisie gezwollen rivieren, steden en dorpen waar het water door de straten stroomde. In dat van de Seine, dat een vuilgele kleur had, dreef allerlei afval mee, oude kisten, boomtakken.
De beide mannen volgden de Quai de Bourbon tot aan de Pont Marie, die ze in hun rustige tempo overgingen en zagen rechts van de brug een grauwgrijze schuit liggen met op de voorsteven de wit en rode driehoek. van de Compagnie Genbale geschilderd. Hij heette ‘Le Poitou’ en was geladen met zand, dat gelost werd door een kraan waarvan het gesteun en geknars zich mengde met de verwarde geluiden van de stad. Links van de brug, op een meter of vijftig van ‘Le Poitou’, lag een ander schip, dat er veel zindelijker uitzag. Het leek of het diezelfde morgen nog geschrobd en geboend. was en op het achterschip hing slap een Belgische vlag, terwijl naast de witte roef een baby lag te slapen in een soort linnen hangmat en een heel lange man met lichtblond haar in de richting van de kade stond te kijken alsof hij ergens op wachtte.
De naam van bet schip stond in vergulde letten op de voorsteven, ‘De Zwarte Zwaan’, een Vlaamse naam die Maigret en Lapointe niets zei. Het was twee of drie minuten voor tien. De beide politiemannen kwamen op de Quai des Celestins en juist toen ze de helling naar de haven wilden a{dalen, stopte er een auto, Er stapten drie heren uit, het portier sloeg dicht.
Kijk ! We zijn gelijk.”
Zij kwamen ook van het Paleis van Justitie, maar uit het voornamere gedeelte, waar de magistraten zetelden. Het waren mr. Parrain, substituut, mr. Dantziger, rechter, en een oude griffier wiens naam Maigret nooit kon onthouden, hoewel hij hem honderden malen ontmoet had.
De clochard blijkt zwijgzaam te zijn als hij weer bijkomt. Maigret vindt hem sympathiek, ook al betekent het dat hij de zaak formeel niet kan oplossen. We komen zo terug bij Maigret.
Nu richten we onze blik op het Île Saint Louis aan de overkant. Daar, op nummer 17, was ooit het Hotel de Lauzun, en voor die tijd het Hotel Pimodan. Nu is daar een afdeling van één van de vele universiteiten van Parijs gevestigd, maar tussen 1844 en 1849 was dit hotel de plaats waar de Club des Hashischins bij elkaar kwam.
Hash en opium werden steeds bekender in Europa in het begin van de 19e eeuw. Ze werden recreatief gebruikt en uit nieuwsgierigheid. In 1821 verscheen Thomas De Quincey’s Confessions of an English Opium-Eater. Dat boek werd in 1828 anoniem vertaald door Alfred de Musset die weer de vriend was van Georges Sand. Welke mensen waren ‘lid’ van deze club? Onder andere Théophile Gautier, Eugène Delacroix, Victor Hugo, Alexandre Dumas, Charles Baudelaire, Gérard de Nerval en Honoré de Balzac. Allemaal mensen die in eerdere Ter Plekkes al een keer langs kwamen. Honoré de Balzac gebruikte overigens de middelen niet, maar was wel geïnteresseerd. Hij schreef in 1838 Verhandeling over moderne stimulantia, een zuiver theoretisch werk waar het drugs betrof, want hij weigerde beslist er een van te proberen.
Théophile Gautier, die op de Place des Vosges woonde, schreef over zijn ervaringen in 1846 in de Revue des Deux Mondes. Gautier (1811-1872) was schilder, dichter, romanschrijver en criticus. De stad was in die tijd een paradijs voor bohemiens, en zoals Gautier zelf later opmerkte, ‘Het was mode om er bleek en vaal uit te zien; om de indruk te wekken dat men ten onder ging aan verdriet en wroeging; om somber en fantastisch over de dood te spreken’. De club kwam eens per maand samen op de bovenste verdieping van het hotel. Ook Baudelaire bezocht de club regelmatig. Hij schreef in 1860 Les paradis artificiels, Onechte paradijzen, naast het boek van de Quincey het 19e eeuwse boek over verslaving. Toch was Baudelaire minder enthousiast over hash, hij gaf uiteindelijk de voorkeur aan alcohol, zoals ook uit het volgende citaat blijkt:
Word dronken!
Altijd moet je dronken zijn. Daar gaat het om; dat is de hele kwestie, Om de vreselijke last van de Tijd die uw schouders breekt en u ter aarde doet buigen niet te voelen, moet u zich onophoudelijk bedrinken.
Maar waaraan? Aan wijn, poëzie of deugd, net wat u wilt. Maar bedrink u.
En als u nu en dan wakker wordt op de trappen van een paleis, in het groene gras van een greppel, in de droefgeestige eenzaamheid van uw kamer, en merkt dat de dronkenschap al verminderd of verdwenen is, vraag dan aan de wind, de golf, de ster, de vogel, de klok, aan al wat vliedt, aan al wat kermt, aan al wat rolt, aan al wat zingt, aan al wat praat, vraag hoe laat het is; en de wind, de golf, de ster, de vogel, de klok zullen u antwoorden: “Het is tijd om u te bedrinken! Bedrink u, bedrink u telkens weer, zodat u geen slaaf wordt van de Tijd, die ons tot martelaren maakt! Word dronken van wijn, poëzie of deugd, wat u maar wilt.”
(Charles Baudelaire, Het spleen van Parijs)
We lopen nu naar links langs de Seine, onder de brug door en dan de trap op. Teruglopen over de trap waarop we arriveerden kan ook trouwens. We lopen over de pont de Sully naar de overkant en gaan rechtsaf langs de Seine, naar het hotel de Lauzun. We lopen in de voetsporen van Théophile Gautier.
Toen ik op een decemberavond inging op een geheimzinnige uitnodiging, gesteld in raadselachtige termen die voor ingewijden verstaanbaar, maar onbegrijpelijk waren voor anderen, kwam ik in een afgelegen wijk, een soort van oase van eenzaamheid, midden in Parijs, die de rivier met haar twee armen omsluit en die zij tegen het opdringen van de beschaving schijnt te verdedigen. Want het was in een oud huis op het Ile-Saint-Louis, in het Hotel Pimodan, dat ik voor de eerste maal de maandelijkse bijeenkomst zou bijwonen van de vreemde club waarvan ik sinds kort deel uitmaakte. Ofschoon het nauwelijks zes uur was, was het reeds donker. Een nevel, dichter dan elders door de nabijheid van de Seine, hulde alle omtrekken in zijn watten, die hier en daar gaten vertoonden, en het rossig schijnsel van de lantaarns doorlieten, en strepen licht, ontsnapt aan verlichte ramen. Het plaveisel, overspoeld door de regen, glinsterde onder de lantaarns als een spiegelend watervlak dat het licht van lantaarns weerkaatst, een gure wind, vol ijsdeeltjes, striemde mij in het gelaat en zijn hese gehuil voerde de boventoon in een symfonie waarvan de opgejaagde golven die tegen de brugpijlers sloegen, de bassen vormden ; aan die avond ontbrak geen enkel element van barre winter poëzie. Het was moeilijk langs deze verlaten kade tussen de massa donkere gebouwen het huis te vinden dat ik zocht ; nochtans slaagde mijn koetsier erin, rechtopstaand op de bok, op een marmeren plaat de half afgesleten vergulde naam van het oude huis te lezen dat de plaats was waar de leden van de club bijeenkwamen. Ik liet de gesneden klopper vallen – het gebruik van bellen met koperen knop was in deze afgelegen buurten nog niet doorgedrongen -en ik hoorde het deurkoord verscheidene malen zonder resultaat knarsen ; ten slotte zwichtte het voor een krachtiger ruk, het verroeste oude slot ging open, en de van zware panelen vervaardigde deur kon op haar hengsels draaien.
(…)
Voor zover ik dat kon onderscheiden in het vale licht dat zelfs nog uit de donkerste lucht valt, was de binnenplaats die ik overstak, omringd door gebouwen met oude puntgevels. Ik voelde mijn voeten vochtig worden, als had ik in een wei gelopen, want tussen de tegels van het plaveisel groeide overal gras.
Ik schelde, en werd binnengelaten met de gebruikelijke voorzorg. Ik bevond mij in een grote zaal, aan het einde verlicht door enkele lampen. Hij die hier binnentrad, deed een stap terug naar twee eeuwen geleden. De tijd die zo snel verstrijkt, leek dit huis voorbijgegaan te zijn, en zoals bij een klok die men vergeten heeft op te winden, en die nog immer hetzelfde uur aanwijst, scheen hier de tijd stil te staan. De muren, die betimmerd waren en wit geschilderd, waren voor de helft bedekt met donker linnen dat het stempel van zijn tijd droeg, en op de reusachtige haard prijkte een beeld dat uit de prielen van Versailles gestolen had kunnen zijn. Op het koepelvormige plafond kronkelde een achteloos geschilderde allegorie, in de stijl van Lemoine, en misschien wel van zijn hand. Ik liep door naar het verlichte deel van de zaal waar menselijke gedaanten zich om een tafel bewogen, en zodra het licht mij raakte, mij herkenbaar maakte, klonk een krachtig hoera door tot in de sonore diepten van het oude gebouw. ‘Hij is het, hij is het’, schreeuwden verschillende stemmen tegelijk. ‘Geef hem zijn deel !’ De arts stond bij een buffet waarop zich een dienblad bevond, vol kleine schoteltjes van Japans porselein. Met behulp van een spatel nam hij uit een kristallen vaas een stukje pasta of groenachtig vruchtemoes, ongeveer zo dik als mijn duim, en legde dat naast een verguld zilveren lepel op elk schoteltje, Het gelaat van de arts straalde van geestdrift ; zijn ogen schitterden, zijn wangen kleurden zich vlekkerig rood, de aders aan zijn slapen tekenden zich scherp af, zijn wijdopen neusgaten zogen de lucht krachtig naar binnen. ‘Dit zal van uw aandeel in het Paradijs worden afgetrokken’, zei hij tegen mij en reikte mij de dosis die mij toekwam. Toen eenieder zijn deel gegeten had, werd er koffie geserveerd op de Arabische wijze, dat wil zeggen, met het drab en zonder suiker. Daarna gingen wij aan tafel.
Toen ik weer tot mijzelf kwam, zag ik dat de kamer vol in her zwart geklede mensen was die elkander bedroefd begroetten en met een droefgeestige hartelijkheid de hand schudden, als personen die treurden om een gemeenschappelijk leed. Zij zeiden : ‘De Tijd is dood ; vanaf heden zullen er geen jaren meer zijn, noch maanden, noch uren ; de Tijd is dood, en wij gaan naar zijn begrafenis.’ ‘Her is waar dat hij zeer oud was, maar ik had niet verwacht dat dit zou gebeuren; hij hield zich prachtig voor zijn leeftijd’, zei een van de rouwenden in wie ik een van mijn vrienden, een schilder, herkende.
Inderdaad, een typische hash ervaring. We laten deze club achter in hun roes en lopen door langs de kade. We gaan linksaf de Rue Poulletier in en dan weer rechtsaf de Rue Saint-Louis en Île. Het Île Saint-Louis is één van de twee eilanden (het andere is Île de la Cité) in de Seine in het centrum van Parijs. Het is genoemd naar koning Lodewijk IX, bijgenaamd de heilige (fr. Saint Louis). Ooit bestond het eiland uit twee eilanden, die dienden als weide voor vee en houtopslag. Lodewijk XIII gaf in 1614 de opdracht om er één eiland van te maken. Aan onze linker hand is een kerk die tussen 1664 en 1726 gebouwd is. Het duurde even, want van tijd tot tijd was het geld en/of de menskracht op. Een bijzondere kerk die is opgenomen in de huizenrij, waardoor de façade vrij bescheiden is. De moeite waard voor een bezoekje.
We lopen nu linksaf de Rue des Deux Ponts in. Voor de brug rechtsaf de Quai d’Orleans op. Nu keren we terug naar Maigret, want hier, op nr 29bis, woont Mevrouw Keller, de rijke vrouw van de clochard die 300 meter verderop zwaar gewond werd gevonden, de clochard die wegliep van het luxe leventje.
Naar de Quai des Orfevres?
Neen, naar het eiland Saint-Louis … Quai d’Orleans, …
Het huis waarvoor ze stopten was oud, met een reusachtige koetspoort, maar het was onderhouden als een kostbaar meubel. Het koperwerk, de trapleuning, de treden, de muren, alles glansde en blonk van de zindelijkheid, nergens was een stofje te zien; de conciërge, in een zwarte japon met een wit schortje voor, zag er uit als een dienstbode bij een deftige familie.
Heeft u een afspraak?
Neen, maar mevrouw Keller weet wel dat ik kom …
Een ogenblik, alstublieft. … De loge was een kleine salon waar men meer boenwas dan etensgeuren rook. De conciërge nam de telefoon van de haak.
Hoe is uw naam?
(Georges Simenon: Maigret en de clochard)
Maigret komt in een totaal andere wereld dan die van de clochard, hetgeen zijn sympathie voor de clochard met sprongen doet toenemen. Er is trouwens nog een roman van Simenon die zich op het Île Saint Louis afspeelt: De oude dame, waarin een grootmoeder en kleindochter een moeizame relatie hebben.
We lopen weer door langs de Seine en komen bij de brug Île de la Cité Pont St Louis. De geheel herstelde kathedraal Notre Dame blinkt ons tegemoet. Een heel korte geschiedenis, ontleend aan Wikipedia:
De eerste steen werd in 1163 door paus Alexander III geplaatst. Tegen 1177 was het koor voltooid en het nieuwe hoogaltaar werd in 1182 ingewijd. Na de dood van bisschop Maurice de Sully in 1196, werd onder zijn opvolger Eudes de Sully begonnen met de bouw van het transept en het schip. Halverwege de 13e eeuw waren ook de westtorens voltooid, waarna tot 1345 nog gewerkt werd aan het interieur en de straalkapellen. Tijdens de Franse revolutie werd de kathedraal ernstig beschadigd, maar uiteindelijk toch weer gerestaureerd. De kerk was een van de eerste gebouwen ter wereld waar de luchtbogen gebruikt werden. Het originele ontwerp bevat deze bouwkundige onderdelen echter niet. Toch zijn zij rond het koor en het schip toegepast. Tijdens de gotiek werden dunne muren erg populair. Deze zijn dan ook toegepast in de Notre-Dame, maar bij de bouw kwam men erachter dat deze dunne muren zonder externe steun niet overeind kunnen blijven staan; er kwamen scheuren in de muren en ze begonnen naar buiten te leunen door hun eigen gewicht. Als reactie begonnen de architecten steunen te bouwen rond de buitenmuren. Bij latere kerken bleven deze steunen terugkomen.
Tot zover Wikipedia. De Notre Dame werd wereldnieuws toen de kathedraal recent in vlammen opging. Veel eerder werd hij wereldnieuws door Victor Hugo en zijn roman.
Hiervoor hebben wij getracht die bewonderenswaardige kerk, de Notre-Dame van Parijs, voor de lezer te laten herrijzen. In het kort hebben wij een aantal van de rijkdommen beschreven die in de vijftiende eeuw nog aanwezig waren en tegenwoordig ontbreken. Maar de belangrijkste zijn wij vergeten: het uitzicht over Parijs waarvan men toen vanaf de torens kon genieten. Na de lange klim in de schemerige spiraal die de dikke torenmuren loodrecht doorboort, die plotseling beloond werd met de bevrijdende stap op een van de beide met licht en lucht overstroomde platforms, moet het inderdaad een prachtig uitzicht zijn geweest dat zich naar alle kanten voor de ogen ontrolde; een onvergelijkelijk tafereel dat beter voorstelbaar zal zijn voor diegenen onder de lezers die al eerder kennis hebben gemaakt met een intacte, volledig homogene gotische stad waarvan er nog enkele bestaan: Neurenberg in Beieren, Vittoria in Spanje, of ook kleinere die gaaf bewaard zijn gebleven, zoals Vitre in Bretagne en Nordhausen in Pruisen. Het Parijs van ongeveer driehonderd vijftig jaar geleden, het Parijs van de vijftiende eeuw, was al een reusachtige stad. Wij Parijzenaars vergissen ons meestal in de omvang die de stad sindsdien heeft gekregen. Parijs is sinds Lodewijk x1 met niet veel meer dan een derde gegroeid. En zeker is dat het veel meer verloor aan schoonheid dan het aan gebied heeft gewonnen. Parijs is, zoals wij weten, ontstaan op la Cite, het oude eiland in de Seine dat de vorm heeft van een wieg. De zandige oever van dat eiland was de eerste omwalling, de Seine de eerste vestinggracht. Parijs bleef een aantal eeuwen in deze staat van eiland, met twee bruggen, de een in het noorden, de ander in het zuiden, en twee bruggenhoofden die als poorten en versterkingen fungeerden, het Grand-Chatelet op de rechteroever en het Petit-Chatelet op de linkeroever. Met de komst van het eerste koningshuis kon de stad zich op het kleine eiland weldra niet meer wenden of keren, dus stak Parijs het water over. In die tijd verrezen in de landerijen aan weerskanten van de Seine, voorbij het Grand- en voorbij het Petit-Chatelet, de eerste stadswallen met torens. Van die oude stadsmuur waren in de vorige eeuwen nog enkele sparen over; nu rest alleen de herinnering, en hier en daar een oude naam-de Porte Baudets of Baudoyer, ooit Porta Bagauda. Door de voortdurend vanuit het hart van de stad oprukkende huizenmassa werden deze stadswallen gaandeweg overwoekerd, aangetast, uitgehold en ten slotte weggevaagd. Philips Augustus maakte een nieuwe dijk. Hij omsloot Parijs met een ronde keten van zware torens, hoog en sterk. Meer dan een eeuw lang werd de bebouwing, opgesloten in dat bekken als water in een reservoir, steeds dichter, breder en hoger. De huizen werden dieper, zetten verdieping op verdieping, klommen op elkaar, zochten als elke beklemde vegetatie een uitweg naar boven, ieder poogde zijn hoofd boven de huren uit te steken om wat lucht te happen. De straten werden gereduceerd tot diepe, smalle spelonken; elk plein werd volgebouwd. Ten slotte sprongen de huizen over de muur van Filips Augustus heen en strooiden zich vrolijk uit over de vlakte, kriskras door elkaar als ordeloze vluchtelingen. Daar maakten zij zich breed, zetten de akkers om in tuinen en namen er hun gemak van. In 1367 hadden de buitenwijken zich zo sterk uitgebreid dat er een nieuwe ommuring nodig was, vooral op de rechteroever, die door Karel v werd gebouwd. Maar een stad als Parijs groeit constant door. Zulke steden worden hoofdstad. Het zijn trechters waarin alle geografische, politieke, morele en intellectuele stromingen van een land, alle natuurlijke neigingen van een volk samenkomen; putten van de beschaving, bij wijze van spreken, en ook goten waarin handel, industrie, kennis, bevolking, al wat een natie groeikracht, leven, ziel geeft gezeefd en vergaard wordt, onophoudelijk, drop na drop, eeuw na eeuw. Zo trof de ommuring van Karel v hetzelfde lot als die van Philips Augustus. Tegen het eind van de vijftiende eeuw waren ook deze wallen ingehaald en onder de voet gelopen door de oprukkende buitenwijken.
(Victor Hugo: De klokkenluider van de Notre Dame)
Aan het plein van de Notre Dame ligt tevens het oudste ziekenhuis van Parijs. In dit ziekenhuis ligt de clochard van Maigret. Maar daarvoor even geduld nog, aan de vele ziekenhuizen die al honderden jaren in Parijs liggen gaan we apart aandacht besteden. We besluiten deze Ter Plekke met nog een heel kort overzicht wat er op het Île de la Cité nog meer te zien is.
Op de hoek van de Boulevard du Palais en de Quai de l’Horloge staat de Conciergerie. Ooit het paleis van Filips de Schone (vroege 14e eeuw), later een gevangenis. In het begin van de Franse revolutie werden hier de mensen voor de guillotine vastgehouden, waaronder Marie Antoinette, vrouw van koning Lodewijk XVI.
Doorlopend op de Quai de l’Horloge ligt aan de linkerhand het paleis van Justitie, beroemd uit de Maigret romans. Linksaf, de Rue de Harlay in en dan zien we aan onze rechterhand het Place Dauphine, ook al bekend uit de Maigret romans, want hier laten ze altijd uit een restaurant bij lange verhoren de broodjes en het bier vandaan halen. Daar denken ze ook aan in dit restaurant.

Restaurant Henri IV, Place Dauphine
Ook Ernest Hemingway liep over het Île de la Cité, naar het puntje van het eiland.
Ik liep vaak langs de quais als ik met mijn werk klaar was of iets wilde overdenken. Ik dacht heel wat makkelijker als ik liep of iets deed of anderen iets zag doen waar ze verstand van hadden. Aan het begin van het Ile de la Cite na de Pont Neuf waar het standbeeld van Henri Quatre stond, eindigde het eiland in een punt als de scherpe boeg van een schip en aan de kant van het water was een klein parkje met mooie kastanjes, geweldig groot en uitgespreid, en in de stromingen en binnenwateren die ervoor zorgden dat de Seine voorbijstroomde, waren uitmuntende plekjes om te vissen. Je liep een trap af naar het parken keek naar de hengelaars daar en onder de grote brug. De goede visplekjes wisselden met de hoogte van de rivier en de vissers gebruikten lange, ineengeschroefde bamboehengels, maar visten met heel goede geleiders van darmsnaar en licht tuig en dobbers en ze waren heel bedreven in het azen van het water dat ze afvisten. Ze vingen altijd wat vissen en vaak haalden ze heel wat van die serpeling-achtige vissen, die goujon werden genoemd, op. Ze waren heerlijk als ze heel gebakken werden en ik kon er wel een bord van op. Ze waren dik en het vlees was zoet met zelfs een fijnere smaak dan verse sardines en helemaal niet tranig. We aten ze met graat en al.
(Ernest Hemingway, Een Amerikaan in Parijs.)
We lopen terug stroomopwaarts over de kade die wereldberoemd is geworden door Simenon: de Quai des Orfèvres, met het hoofdbureau van Politie.

We lopen door naar de Pont Saint Michel. Deze plek met de fontein

was het hart van de studentenopstanden in 1968. Hier sprak Sartre de menigte toe. Wij lopen linksaf verder langs de Seine, de Quai Saint Michel tot aan de Rue du Petit Pont. Die steken we over naar de Rue de la Bûcherie. Daar is het moderne Shakespeare and Company gevestigd. Waar ter wereld vindt je nog een boekhandel waar de mensen in de rij staan om naar binnen te mogen?
Hier eindigt deze Ter Plekke. We gaan de reeks in Parijs vervolgen met de Parijse ziekenhuizen, te beginnen met Hotel Dieu.