Scoop 20: 31 januari 2026

In deze aflevering de vertaling van een vroege roman van Hilary Mantel – De Reus, O’Brien – over de in onze hedendaagse ogen bizarre praktijken van een fameuze Britse chirurg aan het eind van de achttiende eeuw; de Belgische film L’Intérêt d’Adam, waarin een zorgverlener zich moet bewegen tussen betrokkenheid bij haar patiënt en voldoen aan de geldende voorschriften en aandacht voor schaamte in de zorg, middels een nieuwe editie van het tijdschrift Literature and Medicine.

Eindredactie/correctie: Cathri van de Haar
Reacties in de vorm van opmerkingen, vragen, tips, kritiek en/of lof kunnen naar: scoop0329@gmail.com

Roman
De Reus, O’Brien, Hilary Mantel, [vertaling: Ine Willems], Meridiaan Uitgevers, 280 blz., 26,50 euro

Reus versus chirurg of: de prijs van de vooruitgang
Charles O’Brien, bekend als de Ierse Reus, werd in 1761 geboren en verdiende zijn brood door zichzelf tentoon te stellen vanwege zijn uitzonderlijke lengte. Hij stierf al op 22-jarige leeftijd, al die tijd geplaagd door één allesoverheersende angst: dat zijn lichaam na zijn dood zou worden geroofd voor anatomisch onderzoek. Die angst bleek niet ongegrond. In het laat-achttiende-eeuwse Londen struinden Resurrection Men ’s nachts de kerkhoven af, op zoek naar verse graven waarvan de lichamen konden worden verkocht aan anatomen. Een ‘gewoon’ lijk leverde al geld op; een uitzonderlijk lichaam als dat van O’Brien was de hoofdprijs. Inderdaad belandde zijn lichaam op de snijtafel van de befaamde Londense anatoom en chirurg John Hunter (1728-1793) en werd het skelet vervolgens ruim twee eeuwen lang tentoongesteld in het Hunterian Museum, waar het enige jaren geleden echter werd verwijderd en in depot geplaatst, slechts nog toegankelijk voor ‘bonafide medisch onderzoek’.

Ruim twee meter
Dit historische gegeven vormt de basis van De Reus, O’Brien, een roman van Hilary Mantel uit 1998, die nu in een uitstekende vertaling van Ine Willems is verschenen. Voor wie het niet (meer) weet: Hilary Mantel (1952-2022) geldt als een van de grootste Britse schrijvers van de afgelopen vijftig jaar. Ze verwierf wereldfaam met haar trilogie over Thomas Cromwell, Engels staatsman en raadsman van Hendrik VIII, die uiteindelijk in ongenade viel. Mantel kreeg zowel voor het eerste als het tweede deel de Bookerprize: een unicum. Lees ook haar schitterende autobiografie, De geest geven, waarin ze uitgebreid stilstaat bij de bij tijd en wijle schier ondraaglijke impact die endometriose op haar leven heeft gehad, niet in het minst doordat artsen het aanvankelijk als een psychische aandoening beschouwden. Haar lichaam, schrijft ze, is verworden tot ‘een haveloos oud gebouw in een gebied dat zwaar wordt gebombardeerd en waaruit de inwoners al jaren geleden zijn vertrokken’.

Levend wonder
Bij Mantel komt de jonge O’Brien anno 1782 naar Londen: een reus van ruim twee meter lang, vergezeld door een gewiekste maar uiteindelijk onbetrouwbare impresario en een klein gevolg van ongeletterde, armoedige Ierse dorpsgenoten. O’Brien staat in zijn dorp en onder vrienden bekend als een groot verhalenverteller, puttend uit de Keltische mythologie, over Ierse koningen, reuzen, feeën, dwergen en ‘..bastaardwezens die je soms zag rondkruipen (…), de mens in hen huilde terwijl het beest in hen naar verstorven vlees wroette’. De roman staat vol met (fragmenten van) deze verhalen, let bijvoorbeeld op de uiterst duistere weergave van wat later waarschijnlijk Sneeuwwitje zou worden.

In Londen wordt de Reus tentoongesteld als curiositeit, als levend wonder: ‘Mensen kregen toegang in selecte groepjes van tien of twaalf per keer, en ze vormden heel juni en juli een gestage stroom: in de maanden dat de damp van de straten sloeg, het vervuilde water uit de pompen sijpelde en de Londense stront in de berm lag te bakken, dat de melk zuur werd, de vis stonk en de sijsjes met hun uitgestoken ogen in hun gulden kooi versuft en stil de hitte doorstonden. Soms werd er een kleiner gezelschap toegelaten: ritselende dames met rode wangen, een overdaad aan onderrokken en de lucht van muskus, gezichtspoeder en stervende snijbloemen. Vaak wilden ze converseren met de Reus – wat hij heel beminnelijk, heel beleefd deed – en ze betaalden niet alleen hun halve kroon maar gaven ook nog eens een flinke fooi. Hij droomde van hun kleine voetjes die op de Londense trappen trippelden als muizenpootjes.’

Anatomische zaken
Parallel aan O’Briens verhaal ontvouwt zich dat van de chirurg John Hunter. Evenals O’Brien groeide hij op in armoede, als telg uit een groot Schots gezin waarvan slechts enkelen de volwassenheid bereikten. In 1748 loopt hij te voet naar Londen om assistent te worden van zijn broer William, een arts. Zijn eerste opdracht: het ontleden van afgehakte menselijke armen. Hunter voert het werk met vaardigheid en enthousiasme uit; hij is opgeleid als meubelmaker en gefascineerd door ‘anatomische zaken’, bij voorkeur dode. Hij publiceert een verhandeling over tanden, trouwt met de dochter van een chirurg en bouwt een bloeiende praktijk op. Met zijn broer raakt hij ernstig gebrouilleerd vanwege een dispuut over de structuur van de placenta.
In Londen vinden beide broers ‘hun prooien’, de stad van: ‘darmendraaiers, kolensjouwers en azijnbrouwers, vlijtige potloodmakers en balladezangers, zeepzieders en schoenlappers, veedrijvers, zwavelstokjesventers en voddenboeren, waar de schoenlappers onder hun kraam slapen en melkboeren bij de koe in de kelder, waar de koe sterft door gebrek aan licht en lucht en de mensen aan waterzucht, keelontsteking, longontsteking, mazelen, kroep, jicht, mondzeer, doorkomende tanden, wiegendood, boothoofd, spruw, droge hoest, kinkhoest, duelleren, overeten, pleuritis, dysenterie, lethargie, kraamkoorts, koningszeer en onbekende oorzaken; en sommigen van hen van verdriet of door het mes van een straatrover of aan handen en voeten geketend in een kerker of door de beet van een dolle hond en anderen aan de Franse pokken, koeliek, griep, rode loop, scheurbuik, fistels, wormen (…).’

Opnieuw groeien
Op zeker moment stelt O’Brien bij zichzelf vast dat hij sinds een week of twee dieper door de knieën moet en dat hij in zijn botten en aan zijn water voelt wat ‘hetgeen anekdote en observatie hem hadden geleerd: een reus die opnieuw begint te groeien die leeft niet lang meer’. Dat heeft Hunter, wiens ware bedoelingen dan nog niet bij de reus bekend zijn, ook in de gaten bij hun eerste ontmoeting. De Reus beschouwt de Schotse heer dan nog als ‘ongepolijst, ongeletterd en ongezellig is, terwijl ik dichterlijk en geleerd ben en graag in beschaafd gezelschap verkeer’, maar merkt ook op dat deze man de enige is die naar zijn gezondheid vraagt en naar het antwoord luistert. Later pas wordt duidelijk waar Hunter op uit is: hij wil – en zal – na O’Briens dood diens lijk krijgen.

Tegenpolen
Mantels beschrijvingen zijn zintuiglijk, meedogenloos, haar stilistische brille maakt dat je de hitte, de kou, de stank, de verstikkende drukte van de stad en het gekuip, het gezuip en het geweld van deze mensen die constant in de overlevingsstand staan, bijna lijfelijk ondergaat. Ze springt daarbij soepel tussen personages en perspectieven, tussen verleden en tegenwoordige tijd – de lezer moet blijven opletten. En ze maakt van de Ierse Reus en de kleine Schotse dokter tegenpolen. De eerste belichaamt de wereld van mythe, magie en mondelinge overlevering, de tweede die van het rudimentaire begin van de experimentele, empirische (medische) wetenschap. De Reus beseft dat en spreekt het, terwijl hij weet dat hij stervende is, ook uit: ‘Hunter kent geen God. Wat is geloof? Hij kan het niet opensnijden. Wat is hoop? Hij kan het gebeente ervan niet koken. Wat is barmhartigheid…Aye, wat is barmhartigheid voor zo’n duchtige empiricus als hij?’ De Reus droomt, vertelt verhalen, Hunter kijkt uitsluitend met het mes in de hand: hij ontleedt lijken, voert bizarre experimenten uit en bouwt een encyclopedische verzameling preparaten en curiositeiten op.
En aan het slot weet je: de toekomst behoort toe aan mensen als Hunter, maar die vooruitgang had wel een mensonterende prijs.
Henk Maassen

Film
L’Intérêt d’Adam, nu in de bioscoop en te zien op picl.nl
De trailer vindt u hier.

Als de beste zorg voor een kind botst met regels
L’Intérêt d’Adam past naadloos in het rijtje Second Victims en Heldin waarin we steeds een arts respectievelijk een verpleegkundige volgen in de hectiek van een dienst in het ziekenhuis. In deze film staat hoofdverpleegkundige Lucy (een magistrale rol van Lea Drucker) centraal, werkzaam op een kinderafdeling. We zien hoe Lucy zich, vaak op de rug gefilmd, zelfverzekerd en daadkrachtig beweegt in een omgeving bevolkt door patiënten en hun families, vaak met een migratieachtergrond.
Toch blijft die hectiek in zekere zin op de achtergrond, want in de kern draait deze film om één patiënt, de 4-jarige Adam, en zijn jonge alleenstaande moeder Rebecca. Adam is opgenomen vanwege een botbreuk, is ondervoed en weigert te eten zonder zijn moeder. Rebecca is weliswaar ten einde raad, maar heeft ook bezwaar tegen de sondevoeding die hij krijgt, en slaat adviezen van artsen en zorgpersoneel in de wind. Gaandeweg wordt duidelijk dat de jeugdrechter al eerder heeft ingegrepen en dat Rebecca haar zoon slechts tijdens bezoekuren mag zien. Maakt ze haar zoontje bewust ziek of is ze overbeschermend? Uit wanhoop of misschien zelfs eigenbelang: Adam is, zoals ze zelf zegt, het enige wat ze heeft. Haar drijfveren blijven mistig.

Documentaire stijl
Filmmaakster Laura Wandel, die we kennen van het geweldige, eveneens in een effectieve, documentaire stijl gedraaide Un monde, over pestgedrag op het schoolplein, begint haar film in medias res: ze dompelt de kijker onmiddellijk onder in Lucy’s dienst. Een aanpak waardoor wij net als Lucy pas geleidelijk meer te weten komen over Rebecca en Adam, en dus des te beter kunnen meevoelen (en meedenken) met Lucy’s handelwijze, de beslissingen die ze neemt en de dilemma’s waarmee ze heeft te dealen. Dat Lucy zich daarbij, ondanks alle tegenwerking van de jonge moeder, in de grond van de zaak empathisch jegens haar blijft opstellen, heeft waarschijnlijk ook te maken met het feit dat ze zelf een alleenstaande moeder is – althans dat suggereert Wandel.
Dat maakt niet alleen haar betrokkenheid begrijpelijk, waarschijnlijk wordt die daardoor ook vertroebeld. Want Lucy gaat in de ogen van de kinderarts en maatschappelijk werkers juist té ver in haar zorg voor moeder en kind. In een interview zei Wandel daarover het volgende: ‘De film laat natuurlijk zien dat iedereen zijn eigen kijk heeft op wat het beste is voor het kind. Dat iedereen dat voorwendsel gebruikt om iets van zichzelf te verdedigen – of je nu arts, maatschappelijk werker of rechter bent.(…) Voor mij staat Adams belang voor het menselijke belang. Dat wil ik centraal stellen.’
L’Intérêt d’Adam toont daarmee indringend hoe dun de scheidslijn is tussen professionele betrokkenheid en een té empathische houding en vooral ook hoe goedbedoelde medische hulp kan stuiten op juridische en sociaal-maatschappelijke regels, protocollen en grenzen.
Henk Maassen

Tijdschrift
Literature and Medicine, hier vindt u de site

Schaamte in de geneeskundige praktijk
In de roman Empusion van de Nobelprijswinnares Olga Tokarczuk is de hoofpersoon Mieczyslaw Wojnicz, een jongeman die voortdurend bang is om bekeken te worden. Hij schaamt zich sterk voor zijn lichaam dat niet helemaal ‘normaal’ is, althans volgens zijn vader. Wat dat is ga ik niet onthullen, lees de roman, maar het is wel aardig dat dat probleem hem aan het eind van de roman juist redt van een wisse dood.
Als Mieczyslaw bij de dokter komt, hij is naar een kuuroord verwezen, weigert hij zich helemaal te ontkleden, ‘om religieuze redenen’, zoals hij zelf verklaart. Altijd hetzelfde met die katholieken, zegt de dokter, die zich niet bepaald gevoelig toont voor de getoonde schaamte. Dat speelt zich allemaal af in 1913, dus dat komt nu nauwelijks meer voor, denken we. Maar wie het laatste nummer van het tijdschrift Literature and Medicine leest weet wel beter: schaamte in de gezondheidszorg is nog steeds onder ons. Overigens is ‘vergeten’ het andere onderwerp van dit nummer, maar schaamte krijgt de meeste ruimte.

Academisch
Maar eerst nog wat over het tijdschrift. Literature and Medicine verschijnt twee keer per jaar, meestal een themanummer en een algemeen nummer. Het is al toe aan de 43ste jaargang. Het tijdschrift is ooit opgericht door artsen en literaire academici, en had als doel de medicus practicus literair bij te staan. Het wordt uitgegeven door Johns Hopkins University Press. Het nummer over schaamte is het lentenummer van 2025, maar kwam pas enkele weken geleden bij mij als abonnee binnen. Dat doet vermoeden dat er of een productieprobleem of een verzendprobleem is.
Het tijdschrift is door de jaren heen langzaam maar zeker meer en meer een academisch tijdschrift van literatuurwetenschappers en sociale wetenschappers geworden, en dat maakt het misschien minder aantrekkelijk voor praktiserende dokters. Voor zover ik het kan beoordelen schrijft er, behoudens een medisch student, geen enkele dokter over schaamte. En dat is jammer, omdat hierdoor de praktische medische ervaring mist. Wel wordt er een verhaal van een dokter over schaamte besproken, Imelda van Richard Selzer. Verder wordt schaamte verbonden met handicap, onverklaarde klachten, abortus, transgender en automutilatie.

Patiënten
Daaruit kun je al opmaken dat de focus duidelijk ligt bij schaamte van patiënten. Natuurlijk is dat interessant voor dokters, maar dan wreekt zich toch een beetje wat ook Susan Sontag overkwam met Illness as a Metaphor. Door zich wat betreft tuberculose vrijwel uitsluitend te oriënteren op wat schrijvers en kunstenaars erover geschreven hadden, ontstond er een zeer geromantiseerd beeld van, dat op geen enkele manier overeenkwam met de dagelijkse praktijk van tbc van arme en ongeletterde mensen, een praktijk die verre van romantisch is te noemen.
Dus hoe realistisch is de schaamte die hier wordt besproken? Een gedeelte van het antwoord op deze vraag is dat het materiaal dat wordt besproken voornamelijk autobiografisch is, maar dat brengt weer het uitgangspunt van de combinatie van literatuur, begrepen als fictie en niet als factie, en geneeskunde in gevaar.
Ik weet natuurlijk dat het niet zo makkelijk is om heldere scheidslijnen te trekken, zodat duidelijk is waar literatuur en geneeskunde ophoudt en literatuurwetenschappen en sociale wetenschappen en geneeskunde beginnen. Maar als zowel de fictie als de dokters uit beeld verdwijnen, dan dreigt, ondanks de vaagheid ervan, die lijn volgens mij overschreden te worden.
Terug naar Olga Tokarczuk. Haar hoofdpersoon is, nu verraad ik het toch, een intersekse persoon. Het duurt even voordat de traditionele dokter daarachter komt, maar hij veroordeelt niet en geeft een goed advies, waardoor Mieczyslaw zijn conditie aanvaardt en zijn schaamte overwint. Over die dokter uit 1913 zou ik weleens een roman willen lezen.
Arko Oderwald