Ter plekke – Parijs (4) – De passages
Adres: Rue de Richelieu/uitgang passage de Beaujolais
Kosten : 13 euro voor de Bibliothèque National
We starten deze Ter plekke op de plaats waar Ter plekke nummer 3 geëindigd is. We zijn net door de korte passage de Beaujolais gelopen en staan nu in de R. de Richelieu. We gaan even rechts en dan weer links, de Rue des petits champs. We steken de Rue Sainte-Anne over en na de Rue des Moulins aan je linkerhand is de passage Choiseul aan de overkant van de straat. Deze passage is een van de passages die nog over is van de vele passages die in de 19e eeuw zijn gemaakt. Thérèse Raquin, de roman van Zola, speelt zich grotendeels af in zo’n passage.

Als men van de quais komt, vindt men aan het eind van de rue Guénégaud een soort nauwe en sombere doorgang, die de rue Mazarin verbindt met de rue de Seine, de passage du Pont-Neuf geheten. Deze passage is op zijn hoogst dertig passen lang en twee passen breed; hij is geplaveid met geelachtige versleten tegels, die hier en daar losgeraakt zijn en door hun vochtigheid een wrange lucht verspreiden; de rechthoekig opstaande glazen overkapping, die deze passages overdekt, is zwart van ’t vuil.
Op mooie zomerdagen, als de zon de straten schroeit, valt een armzalig schijnsel door dit morsige glazen dak neer op het plaveisel. In de mistige morgenuren van zonloze winterdagen heerst er een morsige schemering in dit overdekte steegje.
Links bevinden zich donkere, lage, bouwvallige winkels, die een koude kelderlucht uitwasemen. Er zijn boekwinkels, speelgoedwinkels en boekbinderszaakjes waarvan de etalages als begraven liggen onder een dikke laag stof. Wonderlijk verbogen en verdraaid zien de koopwaren eruit achter de groenachtige ramen, die uit kleine ruitjes bestaan. Daarachter lijkt de winkel een donker gat, waar vreemde vormen zich bewegen.
Zo begint de roman, en de toon is al meteen gezet. Het loopt inderdaad niet goed af.
We gaan dadelijk op ontdekkingsreis door de passages die nog bestaan, maar eerste kort wat over de geschiedenis van de passages. De passage is een architecturale vorm die ontstaan is in het begin van de 19de eeuw. Door de industriële revolutie wordt het stedelijk landschap steeds groter, de welvaart stijgt en bijgevolg ook de vraag naar luxegoederen. Het concept van de winkel verandert: voorheen ging men naar een vakman en liet men goederen op maat maken, nu ontstaan er winkels met kant-en-klaar mee te nemen producten.
De stad is echter vuil en onveilig en bijgevolg geen ideale plek voor de welvarende ‘high society’. Bovendien waren de straten erg smal en modderig. Er waren er geen trottoirs. Wanneer er een koets voorbijkwam riskeerde je een modderbad.
De winkelgalerij vormt een antwoord op dit probleem. Deze nieuwe architecturale vorm werd mogelijk door het gebruik van glas en metaal. Door het glazen dak, krijgt de bezoeker een gevoel buiten te zijn, zonder overgeleverd te zijn aan de grillen van het weer. Daarnaast zorgt deze nieuwe industriële ontwikkeling ook voor het ontstaan van de etalage en kan de bezoeker dus rustig kuieren, terwijl hij de laatste nieuwe trends en producten gade slaat. Deze galerijen waren oorspronkelijk enkel voor de rijken toegankelijk. Aan de ingangen stond er bewaking en soms moest men zelfs entreegeld betalen.
In Parijs werden er in de 19e eeuw zo’n 130 passages gebouwd. Uiteraard waren deze niet allemaal even luxueus, maar van echt architecturaal sobere winkelgalerijen kunnen we ook niet spreken. Elke winkelgalerij uit de 19de eeuw heeft een mooi uitgehouwen ingang vol tierlantijntjes en versieringen. Tussen deze versieringen vind je meestal ook de naam, tenzij die in mozaïek op de grond ligt te pronken. De uitgang – of ingang via een minder drukke straat – is meestal wel architecturaal eenvoudiger.
De luxe van de winkelgalerijen sprak in de 19de en 20ste eeuw tot de verbeelding en was bijgevolg een grote inspiratiebron voor menig filosoof en schrijver. Het was dan ook in deze context dat de flaneur is geboren. De flaneur is voor de Duitse filosoof Walter Benjamin een persoon wiens ‘levenswijze de troosteloosheid van de toekomstige bewoners van onze metropolen verbergt achter een weldadige zinsbegoocheling’
Benjamin ziet in de passages een poging om de wandelende en slenterende mens te verleiden tot de koopwarenindustrie. De voetgangerscultuur wordt omgevormd tot een economisch uit te buiten fenomeen.
In de passages ligt de basis van ons consumptiegedrag. Walter Benjamin zegt hierover:
De koopwaren die ons verleiden vanuit de etalage zijn een soort wensbeelden, droombeelden van een gelukkig leven.
Baudelaire sprak al over de bezoeker van de passages, de flaneur. Maar zijn flaneur is een specialist van het nietsdoen. Hieraan ontleent hij ook zijn persoonlijkheid. De flaneur van Walter Benjamin is hierop gebaseerd maar diens flaneur, dichter bij het eind van de 19e eeuw, dient gesitueerd te worden in een verder gevorderde fase van de steeds uitdijende industrialisatie. De flaneur van Benjamin wil minder gezien worden dan de flaneur van Baudelaire, zoals in onderstaand gedicht uit Les Fleurs du mal, De bloemen van het kwaad, uit 1857.

Voor een voorbijgangster
De straat omgaf mij met haar daverend kabaal en
Lang, slank, in diepe rouw ging mij een vrouw voorbij,
Verheven in haar smart; met fraaie hand liet zij
De zoom van haar gewaad opzweven en weer dalen,
Op snelle benen en met statueske grootheid.
En uit haar ogen, loden lucht waar storm ontspringt,
Dronk ik verkrampt, bevangen als een zonderling,
Zoetheid die fascineert, genot dat tot de dood leidt.
Een bliksemflits… en toen de nacht! – Vluchtige schone
Wier blik mij één moment met levenskracht beloonde,
Zal ik je in het eeuwige leven pas weer zien?
Elders, ver weg van hier! Te laat! Of nooit misschien!
Ik weet niet waar jij vlucht, jij niet waar ik zal gaan,
Vrouw die ik had bemind, vrouw die dat hebt verstaan
Zoals ook onze winkelcentra na verloop van tijd verpauperen, zo verpauperden ook de passages. Ook bedelaars en daklozen vinden in de passage de ideale verblijfplaats voor de nacht. Dit was zo in de 19de eeuw en is nu nog altijd zo. Stalen traliepoorten proberen ongewenste bezoekers in de nacht buiten te houden. Overdag staan deze echter wagenwijd open. Een slapende dakloze, een vrouw in een te korte rok die staat te draaien op één tegel, ruzies tussen prostituee en pooier… je komt ze allemaal tegen in de passage.
De donkere kant van de passage staat in fel contrast met het ideaalbeeld waarin ze geschept is.
Onze eerste passage is die van Choiseul. Het bord is duidelijk te zien aan de overkant van de straat.

En deze passage heeft een duidelijke medisch-literaire relevantie, want hier woonde de jonge Louis-Ferdinand Destouches, beter bekend onder zijn schrijversnaam Louis-Ferdinand Céline.

Céline was arts en schrijver. Hij was zeker begaan met zijn meestal arme patiënten.
Aan zieken geen gebrek, maar je had er niet veel die konden of wilden betalen. Niets zo ondankbaar als het dokters vak. Als je bij rijke patiënten om geld komt, heb je veel weg van een lakei, bij arme patiënten voel je je gewoon een dief. ‘Honorarium’? Wat een woord! Ze hebben niet eens genoeg poen om te vreten en naar de bioscoop te gaan, moet je ze dan ook nog ’s geld afnemen om je ‘honorarium’ bij elkaar te krijgen? Vooral als ze net liggen te kreperen. Dat is niet eenvoudig. Je laat ’t sloffen. Je wordt vriendelijk. En dan ben je verloren.
(Reis naar het einde van de nacht)

Tekening: Tardi
Maar hij idealiseerde zijn patiënten niet.
Op mijn gebied verrichtte ik geen enkel wonder in die paar maanden dat ik bezig was met deze speciale praktijk. Toch had je hier wonderen hard nodig. Maar mijn patiënten waren niet op wonderen van mij gesteld, integendeel, ze rekenden op hun t.b.c. om van een totale ellende, waaraan ze altijd al kapotgingen, in een draaglijke ellende terecht te komen dank zij een piepklein staatspensioentje. Sinds de oorlog sleepten ze hun min of meer positieve fluimen van de ene keuring naar de andere. Ze werden mager van de koorts die maar niet afnam, omdat ze te weinig aten, te veel kotsten, een geweldige hoeveelheid wijn dronken en ook omdat ze, eerlijk gezegd, toch nog werkten, een van de drie dagen.
(Reis naar het einde van de nacht)
Céline werd geboren in 1894, en woonde in zijn jeugd in de passage Choiseul. Zijn moeder had hier een winkel.

De passage Choiseul was dus een passage uit de Benjamin-tijd, toen het verval al was ingetreden. Net als bij Zola is zijn beschrijving nu niet bepaald flatteus.

Wat verderop in de passage woonde een boekbinder met zijn gezin. De kinderen mochten nooit uit, Hun moeder was een barones. De Caravals heette ze. Ze was als de dood dat haar kinderen lelijke woorden zouden leren, Ze speelden het hele jaar met elkaar, netjes binnen, achter hun ruitjes, ze probeerden tegelijkertijd hun neus en allebei hun handen in elkaars mond te stoppen. Ze waren zo bleek als asperges. Een keer per jaar ging mevrouw de Caravals in d’r eentje met vakantie, dan ging ze op bezoek bij haar neven in de Perigord, Ze vertelde aan iedereen die het horen wilde, dat ze door haar familie van het station werd gehaald, in de ‘brik’ met vier ‘superbe renpaarden’. Daarmee reden ze dan door hun onafzienbare landerijen … In de laan voor het kasteel snelden de boeren toe, knielden als ze voorbijgingen … Zo praatte ze dan. Op een keer heeft ze die twee knulletjes van ‘r meegenomen. Ze is alleen teruggekomen, het was al winter, veel later dan anders. Ze was in diepe rouw. Je zag niets meer van d’r gezicht, zoveel sluiers droeg ze, Ze heeft niemand iets gezegd. Thuisgekomen is ze meteen naar bed gegaan. Ze heeft nooit meer tegen iemand een woord gezegd. Voor die kindertjes die nooit buiten mochten, was de overgang te groot. De buitenlucht was te veel voor ze geweest! … Die ramp heeft de hele buurt aan het denken gezet. Van de rue Therese tot de place Gaillon werd over niks anders gepraat dan over zuurstof … Een maand lang …
(Dood op krediet)
De hele passage was diep geroerd door de droevige geschiedenis van de Caravals, en wel zo dat er iets gedaan moest worden. Plotseling bleek iedereen een ‘bleekneusje’ te zijn. Goede raad ging van winkel tot winkel, Ze hadden allemaal de mond vol van microben en het gruwelijke infectiegevaar. De kinderen hebben ’t geweten, al die bezorgdheid van hun ouders. Ze werden volgestouwd met levertraan, van die geconcentreerde levertraan, dubbele porties, hele mandflessen, met vaten tegelijk. Eerlijk gezegd deed het ze niet veel goed. .. Ze gingen ervan boeren. En ze werden er nog groeniger van, ze konden niet meer op hun benen staan, de olie benam ze alle eetlust. Het was inderdaad niet te geloven zo verpest als de lucht was in de passage. Alles werkte mee om je te laten kreperen, langzaam maar zeker, de hondepis, de stront, de fluimen, de gaslekken. Het was er smeriger dan in een cachot. Onder de glazen overkapping was de zon zo ellendig bleek dat een kaars nog meer licht gaf. Iedereen kreeg last van ademnood. De passage werd zich bewust van z’n eigen verstikkende stank! … Iedereen praatte over de stad uitgaan, over velden en dalen, de schoonheden der natuur, luchtkastelen …
(Dood op krediet)
We hadden maar een ding gemeen bij ons thuis in de passage, en dat was de angst voor de honger. Die zat er diep bij ons in. Vanaf m’n eerste ademtocht heb ik ’t gevoeld … ’t Was er met de paplepel bij me ingegoten … We waren ervan bezeten bij ons thuis, allemaal. Een ziel, dat was voor ons pure angst. De angst voor de armoe ..• die droop van de muren … in elke kamer … Daarom zaten we aan tafel altijd zo te schrokken, raffelden we alle maaltijden af, daarom zetten we zo’n rotvaart achter onze bestellingen, als vlooien sprongen we kriskras door Parijs, van de place Maubert tot de Etoile, uit angst voor de deurwaarder, voor de huur, voor de man van ’t gas, doodsbenauwd voor de belasting … lk had nooit tijd om m’n gat af te vegen, zo vlug moest alles.
(Dood op krediet)
We weten dat Céline zijn jeugd wat overdreven verarmd heeft, en dus is het onzeker of hier een waarheidsgetrouw beeld wordt geschetst. Wat we wel weten is dat Marcel Proust rond deze tijd ook in deze passage kwam voor een vergadering van een tijdschrift, waar hij in de redactie zat. Dat is eigenlijk zeer moeilijk te rijmen met bovenstaande beschrijving.
We lopen door de passage Choiseul, nu gevuld met allerlei winkeltjes van het betere soort.

Halverwege nog een uitgang naar links en rechts, maar we lopen door tot het einde. We komen uit in de Rue Saint Augustin, gaan rechtsaf en dan weer rechtsaf, de Rue Saint Anne. Dan linksaf de Rue Rameau in. We lopen langs de Fontaine Louvois.

Rechts van de fontein was de school van Celine toen hij 6 jaar was (1900)

We gaan rechtsaf de Rue de Richelieu in. Aan onze linkerhand is de Bibliotheek Richelieu, genoemd naar kardinaal de Richelieu. We lopen de Rue Richelieu af, gaan linksaf de Rue des petits Champs in (we liepen hier al eerder) en dan weer linksaf de Rue Vivienne in. Aan onze linkerhand is de ingang van de bibliotheek Richelieu, de nationale bibliotheek van Frankrijk.
Kardinaal de Richelieu was een edelman, kerkvorst en staatsman. Hij werd tot bisschop gewijd in 1608 en hij ging later de politiek in, waar hij in 1616 staatssecretaris werd. Richelieu steeg snel in aanzien, in zowel de Katholieke Kerk als in de Franse regering, want hij werd kardinaal in 1622, en de eerste minister van koning Lodewijk XIII in 1624.

Kardinaal de Richelieu werd bekend als ‘eerste minister’ van de koning. Als gevolg daarvan wordt hij beschouwd als ’s werelds eerste premier, in de moderne zin van het woord. Hij wilde de koninklijke macht versterken en binnenlandse facties vernietigen. Door het afremmen van de macht van de adel transformeerde hij Frankrijk tot een sterke, gecentraliseerde staat. Zijn belangrijkste buitenlandse politieke doelen waren de macht van het Oostenrijks-Spaanse Huis Habsburg te beteugelen en Franse veiligheidsbelangen te behartigen in de Dertigjarige Oorlog. Hoewel hij een kardinaal was, aarzelde hij niet om allianties aan te gaan met protestantse heersers om zijn doelen te bereiken.
Richelieu werd ook beroemd vanwege zijn bescherming van de kunsten; vooral dan omdat hij de Académie française oprichtte, een wetenschappelijk genootschap op het gebied van de Franse taal.
Hij is een van de hoofdpersonen in het boek De drie musketiers van Alexandre Dumas père. Hij wordt daarin afgeschilderd als een machtige heerser, zelfs machtiger dan de koning, maar gebeurtenissen zoals de Journée des dupes in 1830, de dag waarop de koning bijna het vertrouwen in hem opzegde, laten zien dat zijn macht in feite zeer afhankelijk was van het vertrouwen dat de koning in hem stelde.
De huidige bibliotheek Richelieu is zeer de moeite waard om te bezoeken. Na een heel lange restauratie is het gebouw zowel gemoderniseerd als in oude glorie hersteld. Een mooie tentoonstellingsruimte en een prachtige bibliotheek zijn er te bewonderen.


Als we de bibliotheek weer verlaten zien we aan de overkant van de Rue Vivienne de toegang tot de tweede passage die we bezoeken, de Passage Colbert. Net zoals vroeger is er bij deze passage een beveiliger die even in je rugzak wil kijken. Erg overtuigend is dat allemaal niet eerlijk gezegd.

De passage Colbert werd gebouwd in 1823. De passage ligt dicht bij zijn grote rivaal, de passage Vivienne. De passage Colbert is eigendom van de Nationale Bibliotheek en heeft, in tegenstelling tot andere passages in Parijs, geen enkele winkel. Het richt zich op cultuur en herbergt het Franse nationale instituut voor kunstgeschiedenis en het nationale instituut voor erfgoed. Het is open voor het publiek, dat wordt uitgenodigd om de prachtige rotonde te ontdekken, bekroond door een glazen koepel. De brasserie Le Grand Colbert, een historisch Art Nouveau monument, vaak gebruikt voor de opname van films, bevindt zich in de passage, entree aan de Rue Vivienne.

Bij de uitgang gaan we linksaf en al snel weer linksaf, de passage Vivienne in. Deze was recent onder reconstructie.

Deze passage dateert ook uit 1823. De overdekte winkelstraat heeft de sfeer uit vervlogen tijden weten te bewaren terwijl de wereld er omheen steeds meer een ander gezicht begon te krijgen. In de loop der jaren begon de passage Vivienne langzaam aan te vervallen. Een grootschalige restauratie in de jaren zestig van de vorige eeuw heeft ervoor gezorgd dat de passage Vivienne hopelijk voor lange tijd bewaard zal blijven. De passage Vivienne is rijkelijk gedecoreerd en vooral in een neoclassicistische stijl ingericht. De mozaïeken op de grond, met elkaar verweven in kleurrijke patronen, zijn van de beroemde mozaïekmaker Facchina .
Ideaal gelegen tussen het Palais-Royal en de Bourse, is de Vivienne passage, met 70 winkels, een doorslaand succes na de restauratie.
In de 20e eeuw krijgt de passage Vivienne een tweede leven na de jaren 60, zoals de meeste overdekte passages. De modeboetieks – Jean Paul Gaultier, Yuki Torii – hebben sterk bijgedragen aan de heropstanding.
In het hart van deze prachtige passage bestaat de boekhandel Jousseaume al sinds 1826. Liefhebbers van literatuur worden steevast verleid door deze charmante boekhandel die ooit werd bezocht door Colette en Aragon. Oude boeken, nieuw of gebruikt, de keuze is enorm.
Na een hoek van 90 graden komen we uit de passage Vivienne terug in de Rue Vivienne. Aan de overkant weer de Nationale bibliotheek Richelieu. We gaan rechtsaf en wandelen een paar honderd meter naar de Place de la Bourse. Op het plein voor de beurs is, afhankelijk van de dag, een markt. Het beursgebouw zelf huisvest de beurs van Parijs, die vanaf 2000 bekend staat als Euronext Paris. Het gebouw, bekend als het Palais Brongniart, gebouwd naar de ontwerpen van architect Alexandre-Théodore Brongniart van 1808 tot 1813 en voltooid door Éloi Labarre van 1813 tot 1826.
Brongniart diende spontaan zijn project in, dat een rechthoekige neoklassieke Romeinse tempel was met een gigantische Corinthische colonnade.

Napoleon bewonderde het ontwerp, maar later werd het ontwerp bekritiseerd vanwege de vermeende academische saaiheid. De autoriteiten hadden van Brongniart geëist dat hij zijn ontwerpen zou aanpassen, en na de dood van Brongniart in 1813, veranderde Labarre ze nog verder, waardoor de originele intenties van Brongniart sterk werden verzwakt. Van 1901 tot 1905 ontwierp Jean-Baptiste-Frederic Cavel de toevoeging van twee zijvleugels, resulterend in een kruisvormig plan met vele kolommen. Volgens de architectuurhistoricus Andrew Ayers hebben deze aanpassingen “niets gedaan om de reputatie van dit ongeïnspireerde monument te verbeteren”.
L’Argent, een roman van Emile Zola die in 1891 werd gepubliceerd, speelt zich in belangrijke mate hier af. L’Argent beschrijft nauwgezet de intense activiteit van de Place de la Bourse kort voor zijn hoogtepunt: aankomend vanuit de vier hoeken, een koets en koetsballon kriskras door een groot plein bedekt met kastanjebomen en banken, waar het gonsde van de met geruchten en onderhandelingen, in de winkels, banken, cafés en restaurants rondom.
We vervolgen onze passage tocht in de Rue Vivienne en slaan rechtsaf in de Rue Feydeau. Vervolgens linksaf de Rue des Panoramas in, de straat oversteken en even naar rechts zien we de ingang van de Passage des Panoramas,

De Passage des Panoramas is de oudste overdekte passage van Parijs; Het is een van de vroegste locaties van de Parijse filatelistische handel en het was een van de eerste overdekte commerciële doorgangen in Europa. Bazaars en soeks in het Oosten hadden al eeuwen daarvoor commerciële doorgangen overdekt, maar de Passage de Panoramas innoveerde in het gebruik van glazen dakbedekkingen en later in 1817, gaslicht voor verlichting.
De passage werd geopend in 1800 op de plaats van de stadsresidentie van de Marechal de Montmorency, hertog van Luxemburg, die in 1704 was gebouwd. De deuropening van het moderne gebouw van het huis, dat op de rue Saint-Marc werd geopend, tegenover de rue des Panoramas, was de poort van het oorspronkelijke landhuis. De naam kwam van een attractie die op de site was gebouwd; twee grote rotondes waar panoramische schilderijen van Parijs, Toulon, Rome, Jeruzalem en andere beroemde steden werden getoond. Ze waren een zakelijke onderneming van de Amerikaanse uitvinder Robert Fulton, die naar Parijs was gekomen om zijn nieuwste uitvindingen, de stoomboot, onderzeeër en torpedo, aan Napoleon aan te bieden. In afwachting van een antwoord verdiende Fulton geld met zijn tentoonstelling. Napoleon, die weinig belangstelling had voor de marine, verwierp uiteindelijk de projecten van Fulton. Fulton liet zijn Panorama’s achter en ging naar Londen om zijn uitvindingen aan de Britten aan te bieden.
In de jaren 1830 vernieuwde de architect Jean-Louis Victor Grisart de passage en creëerde drie extra passages in het huizenblok: de Saint-Marc passage parallel aan de passage des panorama’s, de passage des Varietés die toegang geeft tot de artiesteningang van het theater van de Varietes, en de Feydeau en Montmartre passage. Het deel van de passage dicht bij de boulevard Montmartre is rijkelijk versierd, terwijl waar wij binnenkomen bescheidener is. De passage, zoals het was in 1867, wordt beschreven in hoofdstuk VII van de roman Nana van Émile Zola .

Nana vertelt het verhaal van de opkomst van Nana Coupeau tot hoogstaande prostituee gedurende de laatste drie jaar van het Franse Tweede Keizerrijk. De persoon Nana verscheen voor het eerst aan het einde van Zola’s eerdere roman uit de Rougon-Macquart-serie, L’Assommoir (1877), waar ze de dochter is van een dronkaard. Aan het einde van die roman leeft ze op straat en begint ze net aan een leven van prostitutie.
Drie maanden later wandelde graaf Muffat op een decemberavond door de passage des Panoramas. De avond was heel zacht, een stortbui had net de passage met een golf mensen gevuld. Het was daar een gedrang, mensen die tussen de winkels samengepakt moeizaam en langzaam voorbij liepen. Onder het glazen dak dat door de spiegeling ondoorzichtig was geworden, was het fel verlicht, overal heldere vlekken, witte bollen, rode lantaarns, blauwe lampionnen, gaslantaarns, reusachtige horloges en waaiers waar vlammen doorheen schoren. En de bonte mengeling van de etalages, het goud van de juweliers, het kristal van de suikerbakkers, de lichtgekleurde zijde van de hoedenmaaksters vlamden in de felle lichtval van de vlakken die het licht weerkaatsten achter de doorzichtigheid van de ramen. Tussen de bontgekleurde mengeling van uithangborden leek in de verte een enorme purperen handschoen op een bloederige hand die was af gesneden en aan een gele manchet was bevestigd.
Graaf Muffat was langzaam tot aan de boulevard gelopen. Hij wierp een blik over de weg, liep toen langzaam vlak langs de winkels weer terug. Een vochtige en verhitte atmosfeer wierp een oplichtende nevel in de smalle doorgang. Voetstappen klonken ononderbroken over de tegels die door het water dat van de paraplu’s rolde, doornat waren geworden, geen geluid van stemmen was hoorbaar. Wandelaars die hem bij iedere hoek aanstootten, keken hem met een zwijgend gezicht dat door het gaslicht bleek was geworden onderzoekend aan. Om aan deze nieuwsgierige blikken te ontsnappen ging de graaf toen voor een kantoorboekhandel staan, waar hij heel aandachtig een etalage van presse-papiers en glazen bollen waarin landschappen en bloemen dreven bekeek.
Hij zag niets, hij dacht aan Nana. Waarom had ze weer gelogen? Die morgen had ze hem geschreven dat hij vanavond niet hoefde te komen onder voorwendsel dat Louiset ziek was en dat ze de nacht bij haar tante zou doorbrengen, om bij hem te waken. Maar hij was achterdochtig geworden en toen hij naar haar huis was gegaan had hij van de conciërge gehoord dar mevrouw net naar haar theater was gegaan. Dat verbaasde hem, want ze speelde niet in het nieuwe stuk mee. Waarom dan deze leugen, en wat zou ze vanavond in het Variete-theater te doen kunnen hebben?
De passage des Panoramas eindigt op de Boulevard Montmartre.

We steken de straat over naar de volgende passage, de passage Jouffroy.


De Passage Jouffroy werd gebouwd in 1845 langs de lijn van de Passage des Panoramas om te profiteren van de populariteit van de laatste. Een privé-bedrijf werd opgericht om het te leiden, onder leiding van graaf Félix de Jouffroy-Gonsans die zijn naam gaf aan de passage, en Verdeau, die zijn naam gaf aan de passage die werd gebouwd als een verdere uitbreiding, de Passage Verdeau. De Passage Jouffroy vertegenwoordigt een belangrijke fase in de technologische evolutie van de 19e eeuw en de beheersing van ijzeren structuren. Het is de eerste Parijse passage die volledig is opgetrokken uit metaal en glas. Alleen de decoratieve elementen zijn van hout. In de vroege jaren 1880 overlegde Arthur Meyer, oprichter van de krant Le Gaulois, met de cartoonist Alfred Grévin om een galerij van wassenbeelden te maken op een terrein naast de doorgang. Het werd ingehuldigd op 10 januari 1882 en heeft sindsdien de naam van het Musée Grévin aangenomen. De uitgang van het museum, versierd met een montage van verschillende karakters, bevindt zich in de passage en draagt voor een groot deel bij aan het succes van de passage. Het museum omvat een zaal van spiegels die oorspronkelijk waren ontworpen voor de wereldtentoonstelling van 1900. In 1974 werd de passage geregistreerd als een monument historique. De passage werd in 1987 volledig gerenoveerd. De oorspronkelijke bestrating keerde toen weer terug.
Deze passage eindigt op Rue La Grange Batelière. Oversteken en je kunt de passage Verdeau inlopen
Opgericht in 1846 door de Société du passage Jouffroy, ligt de Verdeau-passage in het verlengde van de passages van de Panorama’s en Jouffroy. De passage Verdeau heeft altijd geleden onder de vergelijking met de passages die in het verlengde liggen. Toch is het een mooie passage, met een hoge luifel in visgraten en een elegant neoklassiek ontwerp.
De opening van het Drouot-hotel heeft veel antiquairs aangetrokken die zich daar hebben gevestigd en de doorgang heeft sindsdien veel verzamelaars van oude boeken of oude ansichtkaarten aangetrokken. Een fotowinkel (14-16) bevindt zich al sinds 1901 op dezelfde locatie.
Hier eindigt onze passage wandeling op de Rue du Faubourg Montmartre

In de volgende aflevering van Ter plekke lopen we door naar Montmartre, waar nog meer interessante medisch-literaire geschiedenis op ons wacht.
Arko Oderwald
Sofie Vandamme
Literatuur
Charles Baudelaire: De bloemen van het kwaad
Walter Benjamin: Das Passagenwerk
Louis-Ferdinand Céline: Reis naar het einde van de nacht
Louis-Ferdinand Céline: Dood op krediet
Tardi/Céline: Reis naar het einde van de nacht
Emile Zola: Nana
Emile Zola: De kroeg (L’Assommoir)
Emile Zola: Thérèse Raquin
Emile Zola: Geld (L’Argent)