In deze aflevering een kloeke roman (De Hemel & Aarde Winkel) over – onder zeer veel meer – een foute dokter in het racistisch en etnisch verdeelde Amerika van de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw, een film (Vie privée) over een psychiater, een oogarts en een patiënt van de eerste die zelfmoord pleegde, en ten slotte de film Signs of Life: over hoe het leven je letterlijk met stomheid kan slaan.
Eindredactie/correctie: Cathri van de Haar
Reacties in de vorm van opmerkingen, vragen, tips, kritiek en/of lof kunnen naar: scoop0329@gmail.com
Roman
De Hemel & Aarde Winkel, James McBride, [Vertaling: Kees Molleman], Meridiaan Uitgevers, 480 blz., 27,99 euro

Hoe zorg een racistische maatschappij weerspiegelt
Doc Earl Roberts, huisarts te Pottstown, Pennsylvania, is een kleinzielig man die aanvankelijk droomde van een glanzende carrière maar het lef niet had die ambitie te verwezenlijken. Want – we schrijven de jaren dertig van de vorige eeuw – de grote stad boezemde hem angst in met zijn vreemdelingen, zijn zwarte bevolking, en al die witte gezinnen die anders dan hij al generaties zwemmen in het geld. Het was veiliger om na de voltooiing van zijn studie naar zijn geboortestad terug te keren en daar de zieken te genezen. Maar ook dat blijkt inmiddels een stad van immigranten en zwarten geworden. De schilderachtige door paarden getrokken rijtuigen uit zijn kindertijd zijn vervangen door trucks met opleggers die staal vervoeren, de talloze melkveehouderijen door grootschalige industrie die rook uitbraakt en Mainstreet staat op zaterdag vol met auto’s. Roberts is dikke maatjes met de blanke notabelen en verplaatst zich ondanks het feit dat er een glimmende Chevrolet op de oprit van zijn met klimop begroeide huis staat nog steeds met paard en wagen.
Moeilijke voeten
In de Ku Klux Klan vindt de arts medestanders, mannen zoals hij, die Amerika willen ‘redden’ en willen verhinderen dat het pure erfgoed van de witte Angelsaksische protestanten wordt vermengd met dat van de Grieken, de Italianen, de Joden en de zwarte bevolking ‘waarvan de mannen ervan droomden blanke vrouwen te verkrachten en wier lustige zwarte vrouwen gevaar vormden voor iedere fatsoenlijke godvrezende blanke man’. En hoewel tijdens optochten de mannen onder een laken en een puntmuts schuilgaan, verraadt de plaatselijke huisarts zich telkens weer door zijn manke loopje, gevolg van een door polio aangetaste linkervoet. Gedoe met moeilijke voeten is een rode draad in De Hemel & Aarde Winkel van James McBride (1959), dat behalve het portret van een kleurrijke volkswijk in een fictieve stad, bij tijd en wijle ook een grappig boek is. Zo wordt Doc Roberts de schrik van de zwarte kinderen, het middelpunt zelfs van hun nachtmerries, al was het maar omdat hij fungeert als een makkelijk in te zetten boeman: ‘Als je nu je ogen niet dichtdoet breng ik je naar Doc Roberts.’
Skelet
Het verhaal begint in 1972, met de ontdekking van een skelet in een waterput. Identiteit onbekend. Er zijn aanwijzingen dat het om iemand van Joodse afkomst gaat. De autoriteiten ondervragen de enige overgebleven Joodse man uit de voorheen levendige Joodse gemeenschap van Pottstown, maar het onderzoek strandt als een storm voorgoed alle sporen uitwist. Vervolgens schieten we terug in de tijd, naar de jaren twintig en dertig, naar Chicken Hill, de wijk in Pottstown waar Joodse, zwarte en Latijns-Amerikaanse immigranten zich hebben gevestigd. Centraal staan aanvankelijk Moshe Ludlow, een Roemeense Jood die eigenaar is van het plaatselijke theater en de danszaal, en zijn vrouw Chona, die de kruidenierswinkel exploiteert waarnaar het boek is vernoemd. Die winkel kost beiden meer geld dan die oplevert, omdat Chona veel van de zwarte en Europese immigranten krediet verstrekt – krediet dat zelden wordt afgelost.
De handeling komt verder op gang als Chona en Moshe een zwart, doof weeskind, genaamd Dodo, verbergen, omdat autoriteiten hem willen opsluiten in het in alle opzichten gruwelijke gesticht Pennhurst, waar mentaal en fysiek beperkte mensen een bar bestaan leiden. Als de staatsfunctionarissen hem toch te pakken krijgen, wordt er door de lokale gemeenschap een bevrijdingsactie op touw gezet.
Web van verhaallijnen
Chona, Moshe, Doc Roberts en Dodo zijn slechts vier van de lange parade aan karakters die voorbijtrekken in het web van verhaallijnen dat McBride spint, verhaallijnen die uiteindelijk allemaal ‘netjes’ samenkomen: we komen erachter wie het lijk is en hoe het Dodo uiteindelijk vergaat. Die twee hoofdlijnen blijven soms langere tijd uit beeld, omdat andere verhaalelementen ook de nodige aandacht krijgen: ze vormen slechts de motor, maar niet het wezen van deze vertelling. En vertelling is het juiste woord, want McBride toont zich een grandioos en bijna klassiek, alleswetend verteller. In de beste traditie van de Dickensiaanse roman of misschien beter nog de Great American Novel, schildert hij een fresco van de sociale, raciale en etnische verhoudingen en spanningen in de eerste decennia van de twintigste eeuw, die nog altijd hun sporen nalaten in het Amerika van vandaag. Een land waarin mensen bepaald worden door het verleden dat ze achterlieten in de oude wereld (lees: Europa) of in de zuidelijke staten van de VS, en die dat verleden tegelijkertijd in al hun optimisme van zich af willen schudden en een nieuwe start willen maken. En daarbij als de nood aan de man is een grote onderlinge solidariteit weten op te brengen, over al die verschillen heen.
En die verschillen zijn er, zelfs binnen de zwarte bevolking bijvoorbeeld: je hebt er die wonen in de wijk Chicken Hill, en die het volgens de zwarten die verderop wonen maar hoog in de bol hebben. Ze doen te veel hun best om bij de witte inwoners in een goed blaadje te komen. Zij – de Lowgods noemen ze zich – denken dat dit een te grote last voor het lichaam is. Want kijk maar: precies daardoor zijn sommige van de zwarte mensen die nu in Pennhurst zijn opgenomen – ‘de besten, de eerlijksten’ – gek geworden.
Inhumaan oord
Dat Pennhurst, waar Dodo gedwongen wordt ondergebracht, heeft McBride niet uit zijn duim gezogen. Een onguur, inhumaan oord, waar patiënten als vee worden behandeld: ‘Het is niet de viezigheid, of de naakte mensen die er rondrennen en met hun hoofd tegen de muur bonken, of zelfs niet de geur, die de rest van je leven in je neus blijft hangen. Een kettinghond op een erf heeft het beter dan iemand in Pennhurst. Je hebt geen idee wat lijden is, voordat je veertig volwassenen hebt gezien die de hele dag in de huiskamer rondhangen, jaar in jaar uit, om een glimp van buiten op te kunnen vangen. Of een volwassen, hoogopgeleide man die tegen een radiator plast terwijl hij doet alsof hij een radio-omroeper is, omdat hij te bang is om een verzorger te vragen of hij naar het toilet mag. Of een tienermeisje dat bij een volwassen mannelijke verzorger om een sigaret bedelt en hem haar intieme delen laat zien.’ Van de artsen die er werken is niet goed duidelijk wat ze er precies doen: ze komen en gaan ‘en dan komt er een andere dokter die niet weet wat de eerste heeft gedaan’. ‘Er zijn muilezels die een beter leven hebben.’
Progressieve ziekte
Chona is in zekere zin de centrale figuur in de roman: ze heeft veel gelezen over politiek, over socialisme, progressieve joden, vakbondsoprichters en pacifisten, mensen die allemaal de beperkingen die hun werden opgelegd opzijschoven en dezelfde volheid van het Amerikaanse leven eisten die anderen, meer welgestelden, ontvangen. Haar kruidenierswinkel is de belichaming van het multiculturele karakter van de wijk, want zij is een van de weinige witte winkeliers die ook zwarte klanten welkom heten. Ze lijdt aan een vreemde, progressieve ziekte, met plotselinge flauwtes en epileptische aanvallen. Maar ze weigert zich te laten behandelen door Doc Roberts. Die meer dan een oogje op haar heeft, maar haar ook gemeen en arrogant vindt, een mix die uiteindelijk leidt tot een dramatisch keerpunt in de roman.
McBride laat zien hoe de staat van de zorg – de beroepsopvatting en levenshouding van de huisarts, het lot van Dodo, de ziekte van Chona en de toestanden in Pennhurst – een nauwkeurige afspiegeling is van het gemankeerde sociale weefsel waar zijn talrijke protagonisten deel van uitmaken. En dat de tegenpolen Chona en Doc Roberts exemplarisch zijn voor twee fundamenteel verschillende visies op wat de Amerikaanse droom behelst. Dat die tot op de dag van vandaag doorwerken, daar windt McBride in de laatste pagina’s van zijn prachtige roman geen doekjes om.
Jazz
Twee opmerkingen ten slotte: McBride hanteert veelvuldig het ‘n-woord’, omdat dat nu eenmaal gangbaar was in de jaren twintig en dertig, en jazzfans kunnen hun hart ophalen, want Moshe laat zowat alle grootheden uit de Swing-era optreden in zijn danshal: Count Basie, Lionel Hampton, Louis Jordan, Chick Webb en zo meer. Een fijne playlist staat hier.
Henk Maassen
Film
Vie privée, nu in de bioscoop
Hier vindt u de trailer.

Psychiater en oogarts leggen een puzzel
Wie in een whodunnit de inspanningen van een psychiater met die van een oogarts combineert in de zoektocht naar de dader en zo zinspeelt op emotie en intuïtie (psychiater!) versus rationaliteit en objectief oordeelsvermogen (oogarts!) zal ongetwijfeld het verwijt krijgen zich te begeven op het gladde pad van afgetrapte clichés en riskante stereotypen. Toch is dat wat de film Vie privée doet, maar niet zoals je bij voorbaat zou verwachten. Al was het maar omdat juist de psychiater een koudbloedige, cerebrale vrouw blijkt te zijn en de oogarts een zachtaardige, empathische man.
Arts met issues
In vlekkeloos Frans speelt Jodie Foster in deze film de van huis uit Amerikaanse psychiater Lilian Steiner. Ze is een arts met issues, maar welke dat zijn wordt nooit helemaal duidelijk, althans deze kijker kon er uiteindelijk niet de vinger op leggen, maar Lilian misschien ook zelf wel niet. Lilian raakt zwaar van slag als ze verneemt dat een geliefde patiënt met wie ze een langdurige behandelrelatie onderhield, volkomen onverwacht zelfmoord heeft gepleegd. Ervan overtuigd dat ze is vermoord, begint ze een privéonderzoek. Haar ex-man, oogarts Gabriel (fraaie rol van Daniel Auteuil), stemt ermee in om haar daarbij te helpen. Dat ze van slag is, dat is de controlfreak Lilian niet onmiddellijk duidelijk. Ze houdt haar tranen, ongetwijfeld het gevolg van onderdrukte rouw om het verlies, voor een afwijking aan haar ogen, reden waarom ze haar ex raadpleegt.
Twijfel
Uiteindelijk draait het in deze film om de vraag of Lilian werkelijk op het spoor is van een moord, of dat ze zich geen raad weet met de wetenschap dat ze de zelfmoord van haar patiënt niet zag aankomen – een patiënt die ze juist zo goed dacht te kennen. Beroepsmatige twijfel bekruipt haar: luistert ze eigenlijk wel goed naar wat haar patiënten haar toevertrouwen? Neemt ze daarom al die gesprekken op? Hoe goed kent Lilian haar patiënten eigenlijk? En de vraag achter al deze vragen: wat doet een psychiater, zeker als die zoals Lilian een psychoanalytische oriëntatie heeft, eigenlijk anders dan tekens interpreteren in een poging daar een soms vals, maar coherent (levens-)verhaal van te maken.
Hypnotiseur
De film van Rebecca Zlotowski kreeg afgelopen mei een ovatie op het filmfestival in Cannes, maar ik kreeg er aanvankelijk niet helemaal vat op – het lijkt wel of de maakster niet kon kiezen tussen ernst en milde humor, tussen een volbloed thriller, een zwarte komedie of een min of meer filosofische verhandeling over de grenzen van het vak van psychiater, ja zelfs over de rol die esoterische ‘werkelijkheden’ in het menselijk bestaan kunnen spelen. Zie hoe Lilian tegen al haar rationaliteit in een hypnotiseur raadpleegt en zo in een hallucinerende droomtoestand terechtkomt, waarin zij en haar overleden patiënt in een vorig leven geliefden waren. Zo zijn er ook telkens terugkerende verwijzingen naar Joods-zijn, naar de dybbuk bijvoorbeeld: in de Joodse folklore de ziel van een overleden persoon die een levend lichaam overneemt om onafgemaakte zaken te volbrengen.
Legpuzzel
Maar dat deze film niet aan ‘genrehygiëne’ doet, blijkt achteraf juist een sterk punt. Vie privée is daarmee veel meer dan een vrij triviaal drama over een ontdooiende ijskoningin. Neem als voorbeeld daarvan de cameo van de fameuze documentairemaker Frederick Wiseman – zelf een geniaal ‘kijker’, want de man die in ellenlange films menselijke interacties in instituties zoals het leger en de gezondheidszorg heeft vastgelegd met zijn ‘objectief’ registrerende camera. In een extreem korte, maar dubbelzinnige casting speelt hij een oude, wijze collega van Lilian die haar adviseert te peuren in haar verleden, meer in het bijzonder naar de rol van haar moeder daarin. Maar of dat tot een sluitend verhaal leidt, waarin zich haar innerlijke demonen zullen openbaren?
Nee, zo gemakkelijk is de legpuzzel van het leven niet te leggen. Dat weet je natuurlijk wel, maar zo vermakelijk als in Vie privée krijg je het niet vaak voorgeschoteld.
Henk Maassen
Film
Signs of Life, nu in de bioscoop
De trailer vindt u hier.

Met stomheid geslagen
Een vrouw, stuurs gezicht met zonnebril, arriveert alleen in een hotel op het Canarische eiland Lanzarote. Ze spreekt niet, maar hoort kennelijk wel. Kan ze niet spreken of wil ze dat niet? In het hotel houdt ze het niet lang vol, opgejaagd als ze zich voelt door het lawaai van luidruchtige, opdringerige, zelfs vijandige jongeren. Dakloos zwerft ze ’s nachts over het eiland. Ze ontmoet een praatzuchtige man, type goedzak, die een luxueuze villa heeft gehuurd voor hem en zijn kinderen, maar die kwamen niet met hem mee, zijn ex heeft ze dat verboden. Nu is hij alleen. Hij biedt haar onderdak aan. De vrouw accepteert zijn uitnodiging, zij het met enige schroom, en trekt bij hem in. Ze blijft zich intussen hullen in zwijgzaamheid. Ze is kennelijk letterlijk met stomheid geslagen, want verkeert in een diepe rouw: de liefde van haar leven is overleden.
Intiem drama
Signs of Life is het sympathieke regiedebuut van de Britse acteur Joseph Millson: een intiem, eenvoudig drama, dat leunt op twee uitstekende acteurs, die als twee tegenpolen steun bij elkaar vinden. Zij in haar depressieve sprakeloosheid, hij in zijn verdrietige woede. Het naargeestige landschap waarin ze zich bewegen helpt niet om de stemming wat op te beuren, de irritante muziek ook niet. En toch zult u goedgemutst de bioscoop verlaten.
Henk Maassen