Ter Plekke – Parijs (3) – Palais-Royal

Ter plekke – Parijs (3) – Palais Royal
Adres: Rue Saint Honoré/Place Colette
Toegang: gratis
Hoe kom je er: Metro 1 halte Palais Royal/Musée de Louvre , uitgang Place Colette/Comédie Française

Het Palais-Royal speelt een belangrijke rol in (medische) romans, zoals in De huid van chagrijn van Honoré de Balzac, Le malade imaginaire van Molière en De klokken van Bicêtre van Georges Simenon. We nemen Metro 1 naar Palais-Royal en stappen uit bij de Rue Saint-Honoré.

Als we uit de opvallend versierde uitgang van de metro komen staan we voor de Comédie Française.

De Comédie-Française of Théâtre-Français, is het voornaamste staatstheater van Frankrijk en het enige waaraan een vast toneelgezelschap verbonden is. Het is gevestigd in een prestigieus gebouw aan de rue de Richelieu in het centrum van Parijs. De Comédie brengt hoofdzakelijk klassieke Franse toneelstukken, hoewel af en toe buitenlandse opvoeringen plaats hebben. Het bestuur van de onderneming berust bij de vaste acteurs en actrices (sociétaires) onder leiding van de langst in dienst zijnde, de doyen. Acteurs die (nog) geen sociétaire zijn, worden pensionnaires genoemd. Vrijwel alle belangrijke toneelspelers die Frankrijk in het verleden heeft gehad, zijn korte of lange tijd verbonden geweest aan de Comédie-Française.

Loop nu onder de poort rechts van de Comédie door. Je betreedt dan het Palais-Royal. Het Palais-Royal is een voormalig koninklijk paleis en nu een tuin in Parijs. Tegenwoordig is het Franse Ministerie van Cultuur, de Franse Raad van State en Grondwettelijke Raad in het paleis ondergebracht.

In 1624 kocht de eerste minister Kardinaal de Richelieu in de buurt van het Louvre een herenhuis met een stuk grond dat zich uitstrekte tot de stadsmuur van Karel V. In 1632 gaf hij architect Jacques Lemercier opdracht het reusachtige herenhuis te bouwen dat bekend zou worden als het paleis van de kardinaal. In 1642 liet de kardinaal op zijn sterfbed het paleis na aan Lodewijk XIII, die hem echter niet lang zou overleven. Diens weduwe, Anna van Oostenrijk, verliet het Louvre en nam samen met haar zoon, koning Lodewijk XIV haar intrek in het Palais Cardinal, dat veel meer comfort bood dan het Louvre. Het Paleis heette nu Palais Royal.

Lodewijk keerde terug naar het Louvre en het Palais Royal werd aan allerlei familieleden ter beschikking gesteld. Philippe d’Orleans zorgde voor de arcaden die nu het beeld bepalen. Het had en heeft 60 ‘paviljoens’, elk met drie bogen en elk met vier verdiepingen. Philippe verkocht ze voor buitensporige prijzen. Hij liet een grote hal van hout bouwen in het midden van de tuin en dat werd de Galeries de Bois genoemd. Het werd het centrum van het leven in Parijs; en een enorm commercieel succes – evenals het model voor alle andere galerijen en passages die nog moeten komen.
Vandaag de dag kunnen nog steeds rijke burgers voor veel geld een appartement huren of kopen, terwijl op de begane grond dure winkels zijn.

Bijna alle Franse revoluties (1789, 1830, 1848) werden hier voorbereid. Victor Hugo noemde het Palais Royal Het oog van de komeet Revolutie. In de 19e eeuw hangt Honoré de Balzac hier uren rond, komt hier eten en geld verspelen. De beroemde kruidenier Chevet, wiens naam je meer dan twintig keer in de Comedie humaine aantreft, had hier op nummer 22 ook in het echt een winkel. Ook het chique restaurant Very, waar mensen met goed gevulde beurzen nu nog steeds tafelen, smokkelt Balzac regelmatig zijn romans binnen. Op die manier betaalt Balzac de steeds hoger oplopende rekeningen.

Honoré de Balzac in Illusions perdu over Véry:

Toen Lucien de Rubempré ongelukkig en vernederd uit Angoulême aankwam, sloeg hij de weg naar het Palais-Royal in, na die eerst te hebben gevraagd omdat hij de topografie van zijn wijk nog niet kende. Hij ging bij Véry binnen, bestelde zich om zich in te wijden in de genoegens van Parijs een diner dat hem troost in zijn wanhoop kon brengen. Een fles bordeaux, oesters uit Oostende, een vis, een patrijs, een macaronischotel en fruit. Hij genoot van die rijke uitspatting met de gedachte dat hij ‘s avonds bij markiezin d’Espard esprit aan de dag kon leggen en de armzaligheid van zijn vreemde uitdossing kon compenseren door zijn intellectuele rijkdommen tentoon te spreiden. Hij werd uit de droom geholpen door het bedrag van de rekening dat hem de vijftig franc ontnam waarmee hij meende in Parijs heel ver te kunnen komen. Van de prijs van dat diner had hij een maand in Angoulême kunnen leven.

Personages uit het werk van Balzac, zoals Rastignac, Rubempre en Valentin komen er met wisselend succes hun geluk in de speelhuizen beproeven.

‘Spanje mag zijn stierengevechten hebben, en Rome eertijds zijn gladiatoren, maar Parijs kan zich beroemen op zijn Palais-Royal, waar de prikkelende roulettes het genoegen bieden, bloed in stromen te zien vloeien zonder dat de voeten van de parterre gevaar lopen erin uit te glijden.’ (Balzac: De huid van chagrijn)

Eind oktober 1829 stapt Raphael de Valentin, de hoofdpersoon van De huid van chagrijn, het Palais-Royal binnen op het moment dat de speelhuizen openen. Hij verspeelt er zijn laatste centen. Moedeloos vlucht hij weg onder de arcaden van het Palais-Royal en gaat hij ‘met besluiteloze stap door de tuinen van de Tuilerieen’ slenteren. Het idee van zelfmoord sluimert in zijn hoofd. Zover komt het niet, want het lot zal hem bij een antiquair op de andere Seine-oever op magische wijze een handje toesteken.

Er plegen evenwel zoveel jongelui zelfmoord nadat ze alles bij het spelen hebben verloren, dat Louis-Philippe de speelhuizen op 31 december 1836 om middernacht sluit.
In onze tijd heeft het houten paleis plaats gemaakt voor een mooi aangelegde tuin met fonteinen, waar veel mensen zomers zitten.

Maar voor dat je daar komt passeer je eerst aan je rechterhand de gestreepte zuilen van Daniel Buren. Zomers een bron van vermaak voor kleine kinderen. Zegt dat wat over deze vorm van kunst? Dit omstreden project werd doorgezet door Jack Lang, cultuurminister van François Mitterand.

We lopen nu links onder de arcaden langs de winkeltjes. Sommige zijn modern opgeknapt, maar andere zijn in deplorabele staat.

Let ook op het mozaïek waar je overheen loopt. Het is soms bijna verdwenen, maar dan opeens weer een gaaf gedeelte.

Helemaal aan het eind van de arcaden is een beroemd restaurant, Le grand Véfour.

Le Grand Véfour, het eerste grand restaurant in Parijs en in Frankrijk, werd in 1784 geopend in de arcaden van het Palais-Royal door Antoine Aubertot, als het Café de Chartres, en werd in 1820 gekocht door Jean Véfour, die het binnen drie jaar weer verkocht aan Jean Boissier.
Een lijst met vaste klanten in de afgelopen twee eeuwen bevat de meeste onsterfelijke zwaargewichten van de Franse cultuur en politiek. In 1948 kwam Grand Véfour onder de gevierde chef-kok Raymond Oliver. Jean Cocteau ontwierp zijn menu. Het restaurant heeft nog steeds zijn vroeg negentiende-eeuwse neoklassieke inrichting van grote spiegels in vergulde frames en geschilderde supra porten. Toen het een van de drie Michelin-sterren verloor was dat groot nieuws.

Gezien deze geschiedenis is het niet vreemd dat Le Grand Véfour ook in de literatuur terecht is gekomen. De hoofdpersoon uit De klokken van Bicêtre van Georges Simenon, die we in een andere aflevering van Ter plekke ook nog zullen tegenkomen, gaat hier elke maand eten met een groep vrienden, die allemaal belangrijke personen zijn. Als hij gaat telefoneren en daarna plassen wordt hij getroffen door een hersenbloeding. Hij wordt wakker in het ziekenhuis.

De professor is niet meer in rok en hij heeft zijn witte jas niet aan. Zestig jaar is hij; hij heeft een bijzonder mooie kop, verfijnde manieren, is altijd even hoffelijk en gaat altijd met de grootste zorg gekleed.
‘Hoe voel je je? … Probeer nog niet om te spreken … Stil blijven liggen . . . Ik zie aan je blik dat je de schok heel goed doorstaan hebt … ‘
Welke schok? En waarom meent zijn vriend Pierre op de zalvende toon te moeten spreken waarop hij altijd tegen zijn patiënten spreekt?
‘Je herinnert je zeker niets?’
Hij had graag willen antwoorden: ‘Ja zeker wel!’ Want zojuist is hem, plotseling, het zaaltje in Le Grand Véfour weer voor de geest gekomen, het zaaltje op de tussenverdieping, boven aan de wenteltrap, waar ze elke eerste dinsdag van de maand mes elkaar dejeuneren, vroeger met zijn dertienen, tegenwoordig, doordat er enkelen overleden zijn, met zijn tienen.
Hoeveel tijd is er sedert dat moment verlopen? Hij zou onmogelijk kunnen zeggen of het een dag of een week is. Er was geen zon zoals vanmorgen, want hij ziet aan het licht, aan een zekere prilheid van het zonlicht, dat het morgen is. Hij is nog niet zo ver dat hij zich om de juiste tijd bekommert, maar vlak bij zijn kamer zijn vrouwen aan het vegen en hij hoort emmers verzetten.
Ze waren bijeen in Le Grand Véfour en konden door het halvemaanvormige venster de tuin van het Palais-Royal met zijn galerijen onder de fijne motregen zien liggen.
Besson zat tegenover hem en bijna iedereen was aanwezig, Clabaud, de advocaat, Julien Marel, lid van de Academie Francaise, wiens nieuwste stuk juist in de schouwburg tegenover hen gespeeld werd, Couffe, eveneens lid van de Academie, Chabut.
Hij zou ze op het rijtje af kunnen opnoemen, precies kunnen zeggen hoe ze op dat moment gezeten hadden en hij ziet Victor, de keldermeester, die hen al meer dan twintig jaar bedient, nog voor zich zoals die met een grote fles armagnac van de een naar de ander gaat. Hij is toen opgestaan om het bureau van zijn dagblad te gaan opbellen. De telefoon bevindt zich tussen de damestoiletten en die van de heren. Hij heeft Fernand Colère aan de lijn gehad, zijn hoofdredacteur, die ondanks zijn naam* zo zacht is als een lam.
Als hij het bureau verlaat, al is het maar voor een uur, voelt hij altijd de behoefte om op te bellen en hij geeft dan, kortaf en op een ietwat snijdende toon, nauwkeurige instructies. ‘Neen. Aan pagina een niets veranderen … De derde kolom op pagina drie moet eruit … Zeg maar tegen Binnenlandse Zaken dat we er niets aan kunnen doen en dat we dat voorval onmogelijk kunnen verzwijgen.
Besson d’ Argoulet, die nog steeds zijn sigaret zit te roken, meent hem te moeten uitleggen: ‘We zaten allemaal aan tafel, in Le Grand Véfour … Jij ging even weg om op te bellen terwijl de cognac ingeschonken werd … Toen ben je naar de toiletten gegaan en daar moet je niet goed geworden zijn want toen Clabaud daar ook heen ging, een minuut of tien, vijftien later, vond hij je bewusteloos op de grond liggen .. .’
Waarom al die omhaal, die geduldige breedvoerigheid? Hij wordt als een kind behandeld, of als een ernstige zieke. Ja, meer als een ernstige zieke, wat hij in werkelijkheid ook is.
Op één punt vergist de professor zich, ondanks zijn zelfverzekerdheid.
En ook dat is merkwaardig, zo merkwaardig dat Maugras, als hij had kunnen spreken, er niets van gezegd zou hebben. Het is waar dat hij, nadat hij de telefoon op de haak gehangen had, naar de toiletten gegaan is. Hij is voor een urinoir gaan staan in de belachelijke, maar alle mannen vertrouwde houding. Hij dacht aan Colere en aan de poging van het ministerie van Binnenlandse Zaken toen hij, zonder dat hij iets gevoeld had wat een waarschuwing had kunnen zijn, plotseling gewankeld had.
Hij herinnert zich een onsmakelijke bijzonderheid. Hij heeft zich, met al zijn kracht, proberen staande te houden met zijn beide banden tegen het kleverige email van het urinoir voordat hij neerviel.
Wat zei Besson zojuist?
‘Toen Clabaud daar een minuut of tien, vijftien later ook heen ging, vond hij je bewusteloos op de grond liggen … ‘
Die woorden delen geen enkele bijzonderheid mee over de houding waarin hij aangetroffen is. Maar zelf ziet hij nog precies hoe hij lag, dwars in de enge ruimte op de tegelvloer, terwijl hij wanhopige pogingen doet, niet om overeind te komen, niet om hulp te roepen, maar om zijn broek dicht te knopen. Wat een mysterie voor hem is, is dat hij zichzelf werkelijk ziet liggen zoals een ander hem moet hebben zien liggen, dat hij zichzelf van buitenaf ziet, zoals Clabaud hem gevonden moet hebben. Is een dergelijke persoonsverdubbeling mogelijk?

We lopen nu naar rechts, langs de korte kant van het Palais Royal, en komen bij de plaats waar Colette gewoond heeft.

Colette was schrijfster en comédienne. Ze trouwde een aantal keer en had affaires met vrouwen en veel jongere mannen. In die tijd zeker controversieel, maar bij haar dood was ze alom gewaardeerd. Ze was in 1954 de eerste Franse schrijfster die een staatsbegrafenis kreeg. Colette schreef over het Palais-Royal dat het een klein provinciestadje was in Parijs. Iedereen kent er elkaar en praat met elkaar. Na twee huwelijken, de geboorte van haar dochter en 15 verhuizingen in Parijs, wordt Colette de ‘dame van Palais-Royale’. In 1926 arriveert ze hier, weliswaar in het souterrain. Tot januari 1930 verblijft ze daar in wat ze noemt haar ‘tunnel’. Ze zegt erover: het is hier altijd donker, er was de hele dag licht nodig. Het is hier zo smal dat je er alleen maar paling kan eten. Het was eigenlijk een uitkijkpost voor meisjes van plezier, een plaats waar die dames wachtten op hun klanten achter een raam. In feite dus een bordeel. Later verhuist Colette naar boven naar een zonnige etage waar ze lang blijft wonen.

In Parijs ontkleden zich heel veel vrouwen zonder te beminnen en heel veel mannen beminnen zonder zich uit te kleden.

We lopen door en zien op de hoek de voormalige winkel van Stella McCartney, dochter van Paul McCartney en wereldberoemd modeontwerpster. Wie nu van haar werk (zonder dierlijke producten) wil genieten moet naar de Rue Saint Honoré nr 231. Daar is een veel bescheidener winkel dan er ooit in het Palais-Royal was.

We lopen een stukje terug en lopen door de passage Du Perron en komen in de Rue de Beaujolais. We lopen naar links en na de bocht naar links een blik op het Théatre du Palais-Royal, oorspronkelijk uit 1784, maar op de plaats van een ouder theater.

Het eerste Théâtre du Palais-Royal opende op 14 Januari 1641. Het theater werd gebruikt door het gezelschap van Molière van 1660 tot 1673. Bijna alle bekende werken van Molière werden hier opgevoerd, waaronder op 10 Februari 1673 Le malade imaginaire.

Molière (pseudoniem van Jean-Baptiste Poquelin) werd geboren in Parijs in 1622. Na enige tijd rechten gestudeerd te hebben in Orléans, richtte hij in 1643 samen met enkele anderen een toneelgezelschap op, L’illustre Théâtre geheten. Dit theatergezelschap ging echter enkele jaren later – in 1645 – failliet, waardoor Molière korte tijd in de gevangenis moest verblijven. Daarna trok hij met een nieuw theatergezelschap door het land. In de jaren veertig begon Molière met het schrijven van toneelstukken. Zijn komedies, die zeer kritisch waren ten opzichte van verschillende groeperingen (medici, geleerden), kenden een groot succes en leverden hem de lof en steun van koning Louis XIV op. Vooral Tartuffe (1664), Dom Juan (1665) en L’Avare (1668) zijn bekend geworden. Het laatste stuk van Molière’s hand was Le malade imaginaire (1673). Tijdens een opvoering van deze komedie, waarin Molière de rol van de hypochonder Argan speelde, werd hij onwel; op dezelfde avond overleed Molière, die aan tuberculose leed, op eenenvijftigjarige leeftijd.

De ingebeelde zieke gaat over Argan, die aan hypochondrie lijdt. Angstig als hij is, neemt hij zijn artsen zeer serieus. Hoewel Argan prima gezond is, deinzen de doktoren er niet voor terug om flink aan hem te verdienen. Om de kosten te drukken, wil Argan zijn dochter Angélique uithuwelijken aan een jonge arts – zijn medische behandelingen zullen dan immers gratis zijn. Uiteindelijk loopt alles echter goed af. Argans dienstmeid Toinette en zijn broer Béralde slagen er in om Argan van zijn hypochondrie te bevrijden, waardoor dochter Angélique met Cléante – naar wie haar hart eigenlijk uitgaat – kan trouwen. Ook wordt Argans tweede vrouw Beline ontmaskerd: het blijkt dat zij alleen maar voor het geld met hem getrouwd is.

Argan: Beste broer, ik denk dat je de spot met mij drijft. Kan ik op mijn leeftijd nog medicijnen gaan studeren?
Béralde: Wat, studeren? Je bent wijs genoeg. Bovendien zijn veel doktoren niet bekwamer dan jij.
Argan: Maar ik moet Latijn leren spreken, ziekten vaststellen en behandelen.
Béralde: Als jij de doktershoed en -mantel krijgt zul je dat alles meteen begrijpen en vervolgens zul je bekwamer zijn dan je denkt.
Argan: Wat? Kan men over ziekten discussiëren zodra men een doktersmantel aanheeft?
Béralde: Ja. Men kan alleen medisch praten wanneer men gekleed is in een doktersmantel en een doktershoed op heeft. Alle wartaal wordt dan geleerd en elke dwaasheid wordt verstandig.
Toinette (dienster): Sterker nog, alleen uw baard zou al bijna genoeg zijn. Een baard is immers de helft van een dokter.


Na het thuistheater van Molière werd het theater een operahuis van 1673 tot 1763. In 1763 werd het vernietigd door brand. Het werd herbouwd en opende weer in 1770, maar elf jaar later werd het opnieuw door brand verwoest.

Brand van 8 Juni 1781

Er kwam in 1784 een ander theater voor in de plaats, dat nu nog steeds in bedrijf is.

We gaan nu rechtsaf door de passage de Baujolais en komen op de Rue de Richeleu. Daar vervolgen we onze weg in de volgende aflevering van Ter Plekke, over de passages van Parijs.

Arko Oderwald & Sofie Vandamme