In deze aflevering de visie van psychiater Yolande de Kok op Zwaag, de nu al veelbesproken biografie van Maria Vlaar over schrijver Joost Zwagerman. Verder een blik in de geest van een ooit beroemd en berucht ‘genezer’ via de roman De straaljager van Vrouwkje Tuinman; een film ( If I Had Legs, I’d Kick You) over een moeder die gebukt gaat onder de zorg voor haar jonge dochter die lijdt aan een ernstige eetstoornis en twee komedies met een behoorlijk zwart randje: de film The Last Viking en de theatervoorstelling Wat moeten we met Maartje?.
Let op: in verband met de kerstdagen en de jaarwisseling zal de volgende editie van deze rubriek verschijnen opzaterdag 3 januari.
Eindredactie/correctie: Cathri van de Haar
Reacties in de vorm van opmerkingen, vragen, tips, kritiek en/of lof kunnen naar: scoop0329@gmail.com
Biografie
Zwaag. De zeven levens van Joost Zwagerman, Maria Vlaar, Arbeiderspers, 768 blz., 45 euro

‘Misschien heeft God zich in mijn dood vergist.’
Zwaag, de biografie van schrijver en tv-persoonlijkheid Joost Zwagerman (1963-2015) door Maria Vlaar heeft als ondertitel: de zeven levens van Joost Zwagerman. Die ondertitel verwijst naar zijn gedicht De zeven Joosten (‘Die nacht had ik zeven mooie hoofden/ die ik naast mijn ene leven legde op de kast…’). In de inleiding relativeert Maria Vlaar de mogelijkheden van een biografie. Meer dan een gedeeltelijke versie van zijn privéleven kan ook de biografie van Zwaag, zoals Zwagerman door vrienden werd genoemd, niet zijn, ondanks de uitgebreide documentatie waarover zij kon beschikken (Zwagerman schonk zijn privécollectie aan het Letterkundig Museum) en de negen jaar die zij aan de biografie werkte. De mensen die zij sprak kenden hem allemaal op een andere manier: de één als romanschrijver, de ander als lyrisch dichter, de derde als kunstbeschouwer, de vierde als vurig polemist, de vijfde als ruziemaker, de zesde als zelfmoordenaar, en voor de zevende was hij de liefste.
Invalshoeken
Ook de biografie laat zich vanuit verschillende invalshoeken lezen. Voor de één zal dat zijn vanuit interesse voor Zwagermans werk, voor de ander uit interesse voor de literaire kringen waarvan hij deel uitmaakte, voor de derde vanwege beroepsmatige of familiale ervaring met suïcide. Vlaar stelt expliciet dat ze dit laatste aspect, de suïcide waarmee Joosts leven eindigde en de depressies en suïcidaliteit waar hij al eerder last van had, niet méér wil benadrukken dan de andere kanten van zijn persoonlijkheid: zijn enthousiasme, zijn vermogen tot bewonderen van andere kunstenaars, zijn werklust. De biografie eindigt dan ook niet met zijn dood, maar met een hoofdstuk over Zwagermans kijk op beeldende kunst en het werk dat hij, ook als essayist en kunstcommentator, heeft nagelaten.
Suïcidaliteit als thema is wel onverbrekelijk verbonden met zijn leven en zijn werk. Joosts vader deed in 1998 een serieuze zelfmoordpoging en later zou zijn enige broer hetzelfde doen. Ook een lievelingsoom had een eind aan zijn leven gemaakt. Joost was na de suïcidepoging van zijn vader bang dat hij zelf ook met het ‘zelfmoordgen’ besmet was.
Het thema suïcide is door hem uitgewerkt in een roman, Zes sterren (2002), en in een bundel essays en interviews met nabestaanden van suïcide: Door eigen hand. Zelfmoord en de nabestaanden (2005). Hij benadrukte hierin hoe belangrijk het was dat de omgeving van iemand met suïcidale gedachten alles deed om diegene van suïcide te weerhouden. In dezelfde geest verzette hij zich als columnist tegen de verstrekking van een euthanasiepil, waar sommigen voor pleitten.
Grote impact op Zwagerman had de suïcide van zijn huisarts Nico Tromp uit Tuitjenhorn in 2013. Deze huisarts had hem het jaar daarvoor geholpen toen Zwagerman zelf in een depressie zat en in zijn recreatiewoning in Tuitjenhorn verbleef. Tromp suïcideerde zich nadat het Openbaar Ministerie hem wilde vervolgen voor de euthanasie van een patiënt met terminale kanker en de Inspectie hem had geschrapt uit het BIG-register (iets waar de Inspectie later excuses voor aanbood en smartengeld voor betaalde aan zijn weduwe, nadat was vastgesteld dat de euthanasie wel zorgvuldig en geheel volgens de richtlijnen was gegeven). Zwagerman had plannen om een roman over Nico Tromp te schrijven, maar is hier vanwege depressiviteit niet aan begonnen.
Rogie Wieg
Met vriend en dichter Rogie Wieg, die aan depressies en een dwangstoornis leed en die meermaals suïcidaal was, had Zwagerman eerder de afspraak gemaakt om elkaar van suïcide te weerhouden. Schokkend was dan ook het bericht dat Wieg euthanasie zou krijgen vanwege psychisch lijden. Zwagerman kreeg het bericht toen hij op Terschelling zat waar hij die dag niet meer vandaan kon en mobiliseerde vrienden om Wieg van euthanasie te weerhouden. Vergeefs. Twee maanden later suïcideerde hij zichzelf.
Na zijn dood verschenen twee werken: De stilte van het licht, een bundel essays over kunst en de dichtbundel Wakend over God, waaruit onderstaand gedicht:
Mijn lief, wees alsjeblieft
heel lief voor mij, nu God
mij denkelijk heeft uitgewist.
Mijn lief, blijf alsjeblieft
heel dicht bij mij. Misschien
word ik door God gemist.
Mijn lief, vertrouw ook
nu op mij. Ik ben niet weg,
God ademt mij. Mijn lief,
wees alsjeblieft heel lief
voor mij. Misschien heeft God
Zich in mijn dood vergist.
Maximalen
Veertig jaar voordat hij deze sterke bundel naliet, had Zwagerman met poëzie van zich laten horen als woordvoerder van de groep de Maximalen: een aantal jonge dichters die de poëzie wilden vernieuwen, maar die vooral naam maakten door hun optreden in de media (zo draaiden twee van hen eens een teil rotte vis om boven het hoofd van de criticus Michaël Zeeman, die hun poëzie met rotte vis had vergeleken). De groep hield na een jaar op te bestaan.
De inkijk in de literaire wereld, met zijn intriges en bondjes, en hoe Zwagerman hierin een plek wist te veroveren, is boeiend voor literatuurgeïnteresseerden (en ontluisterend). Hoe ongezond is een wereld waarin iemands succes alleen wordt bepaald door hoe hij bij de juiste mensen in de smaak valt en waarin mensen elkaar in hun streven naar succes hard en persoonlijk aanvallen.
In zijn eigen werk ging Zwagerman steeds meer over van fictie naar het schrijven van essays over kunst. Veel bewondering had hij voor de abstracte schilder Mark Rothko, onder meer bekend om zijn geheel zwarte schilderijen waarbij Zwagerman uitlegde dat er licht was te zien in het zwart. Saillant detail is dat ook Rothko door suïcide om het leven kwam.
Ten slotte, en niet onbelangrijk bij de biografie van iemand die zo in kunst geïnteresseerd was: het boek is mooi vormgegeven, hardback, met leeslint, en een losse omslag met gekleurde vlakken, en voorzien van diverse foto’s, die in de digitale uitgave ontbreken.
Yolande de Kok, psychiater
Roman
De straaljager, Vrouwkje Tuinman, Cossee, 256 blz., 24,99 euro

Drijfveren en denken van een alternatief genezer
Op de kop af 66 jaar geleden werd getuige dit bericht de brandkast van de bekende alternatieve genezer Jan Mieremet (1885-1967) gestolen. Vrouwkje Tuinman neemt dat incident als uitgangspunt voor haar boek De straaljager, dat half fictie, half non-fictie is, en waarmee ze hem weer tot leven wil brengen. Mieremet is op het moment van de diefstal bekend én berucht als de ‘uitvinder’ van kastjes die volgens hem beschermen tegen de invloed van aardstralen, waarvan hij het bestaan zegt te kunnen aantonen met een wichelroede. Die bescherming zou nodig zijn, omdat volgens hem aardstralen allerlei mentale aandoeningen én fysiek ongemak, niet zelden ook ernstige ziekten zoals reuma of kanker, veroorzaken, bij mensen en dieren. De kastjes waren commercieel een groot succes: ze stonden op duizenden boerderijen, in woonhuizen, bij paardenrenbanen, ziekenhuizen en gemeentehuizen, in het Amsterdamse Concertgebouw, zelfs op Paleis Soestdijk. Poverni heetten ze, afkorting voor: POtentiaal VERschillen NIvelleren.
Om de man maar meteen te situeren: arts en kwakzalverijbestrijder Cees Renckens rekent hem tot de twintig ‘meest notoire genezers van de twintigste eeuw’.
Zonder oordelen
In een interview met Het Parool heeft Vrouwkje Tuinman haar bedoelingen uiteengezet: ‘Ik heb heel lang geworsteld met de vraag hoe ik het verhaal van Mieremet zou vertellen. Ik wilde het hele fenomeen schetsen, zonder oordelen. Voor of tegen hem kiezen zou afbreuk doen aan zijn verhaal, dus ik had iemand anders nodig aan wie Mieremet over zijn gedachtegoed kon vertellen. Toen ik las over die gestolen kluis waarin al Mieremets paperassen lagen, dacht ik: dit moet voor hem een moment zijn geweest om zijn leven en loopbaan onder de loep te nemen. En daarmee ontstond ruimte voor mijn rechercheur, die een beetje anders in het leven staat dan Mieremet – helaas én gelukkig is er niks meer over van die politiezaak van toen, waardoor ik alles kon verzinnen.’
En dus krijgen we een roman waarin de rechercheur (soms samen met zijn vrouw) zijn werk doet, en geleidelijk nogal in de ban raakt van Mieremets denken, zonder zich daar overigens aan over te geven. En waarin Mieremet daarop reflecteert, afgewisseld met zijn pogingen om aan de hand van herinneringen zijn levenswerk te reconstrueren – want de neerslag daarvan zat in die gestolen brandkast, en is naar hij vreest voorgoed verloren.
Patroon
Tuinman moet hebben gedacht dat we zo zicht zouden krijgen op Mieremets drijfveren, zijn persoonlijkheid, de ontwikkeling van zijn denken en zijn bedoelingen. Dat is ten dele gelukt. Maar in weerwil van Tuinmans bedoeling niet te willen oordelen, zag deze lezer een patroon dat je vaker, misschien bijna altijd ziet bij alternatieve genezers met messianistische neigingen.
Ten eerste: het besef dat de wereld anders in elkaar steekt dan ons wordt voorgehouden, ook of misschien vooral waar het gaat om gezondheid en ziekte. Citaat: ‘Op enig moment is voor mij (…) de vitrage die rondom de medische wetenschap hing van de roede gegleden. Vanaf dat moment zag ik die voor wat ze in feite is: giswerk. Ten tweede: van meet af aan weten hoe de wereld dan wel in elkaar zit. Mieremet: ‘Het heeft allemaal te maken met energie. Alles wat leeft bestaat uit verzamelingen van krachten, positief en negatief, door elkaar lopend, trillend. Ikzelf ook. Met mijn gave kan ik botsende energieën tot rust brengen, verkeerde vibraties opheffen, kracht toevoegen waar een gebrek aan vitaliteit is. Soms weet ik bijna meteen dat iemand last heeft van benauwdheid, maar niet exact waarom. Dan moet ik meer vragen stellen, het soort adviezen geven dat mensen niet willen krijgen.’
Halve heiligen
Punt drie: afkeer van de hoogmoed van de reguliere geneeskunde, ingegeven door de vernederende, hooghartige manier waarop die zich opstelt c.q. opstelde tegenover de sociale klasse waaruit de genezer afkomstig is. Dokters waren volgens Mieremet, en dat zeker in zijn jeugdjaren, ‘halve heiligen’. ‘Als de arts zei dat er niets met je aan de hand was, dan was er niets met je aan de hand.’ Mieremet groeide op in eenvoudig milieu en had gemerkt dat de arbeidersklasse in de ogen van het artsengilde bestond ‘uit onbeschofte lui die hun ellende aan zichzelf te danken hebben’.
Heel belangrijk is ook het selfmade-ideaal, een heilig geloof in eigen kunnen – later noemden we dat ‘punk’. Zoals Mieremet retorisch vraagt: ‘In principe is iedereen die een piano bespeelt toch pianist?’ De kern van het ‘muzikant zijn’ zit hem, meent hij, niet in de vaardigheid noten te kunnen lezen. Mutatis mutandis geldt voor de beoefening van de geneeskunde iets soortgelijks. Anders gezegd: sommigen hebben een muzikaal of geneeskundig talent, zonder daarvoor doorgeleerd te hebben.
En ten slotte de immer wederkerende uitweg voor het geval dat een ‘behandeling’ niet aanslaat: alle ziekten zijn weliswaar te genezen, maar niet alle zieken. Want, stelt Mieremet, genezing krijgt geen kans als een zieke geen vertrouwen heeft, zich verzet, of ‘al te erg kapot behandeld’ is door artsen, maar bijvoorbeeld ook als ‘een magnetiseur geen kennis heeft van de wetten, die in ’t Heelal werkzaam zijn’. Het instrumentarium van de genezer is waardeloos op het moment dat het wordt gehanteerd door iemand ‘die geen zuiver, onbaatzuchtig verlangen heeft’.
Menslievende wereld
Bij Mieremet loopt dat uit op de messianistische wens de wereld als geheel te zuiveren, of beter: te genezen. Die is namelijk chaotisch en wordt beheerst door egoïsme. Altruïsme is het gepaste antwoord en de geschiktste wegbereiders voor een nieuwe, menslievende wereld, een wereld van vrede, dat waren magnetiseurs – mensen dus als Mieremet zelf. Later in zijn leven probeerde hij het wereldraadsel en het menselijk ongeluk te verklaren, puttend uit een amalgaam aan ongelijkwaardige bronnen, zoals Bijbelcitaten, krantenartikelen, natuurkundige formules, passages van filosofen, geschiedkundige hoofdstukjes uit encyclopedieën, astrologische berekeningen. Zijn conclusie was dat in de twintigste eeuw een keerpunt bereikt kon worden – als de mens zijn eigen ketenen maar durfde te verbreken. Dat alles maakt zijn denken en doen tot een warrige mix van halfbegrepen of meestal zelfs niet begrepen wetenschap, volstrekt ondeugdelijke onderzoeksmethodiek en vooral jumping to conclusions.
Dwaallicht
Rechercheur Peeters (en ik neem aan dat hij spreekt namens Tuinman) moet erkennen dat Mieremets logica ‘onnavolgbaar, maar op een vreemde manier overtuigend’ was, ‘misschien door de ongekunsteldheid ervan’. Dat maakt De straaljager tot het portret van een goedbedoelend dwaallicht, een man die koppig aan zijn eigen waarheden bleef geloven, die een zeer gevoelige snaar bleek te raken bij het grote publiek (van ‘laag’ tot ‘hoog’), maar uiteindelijk een tragisch figuur bleek, beland als hij was in een labyrint van overtuigingen, fabels en theorieën zonder uitgang.
Het is jammer dat het boek van Tuinman nauwelijks aandacht besteedt aan de sociale en (wetenschaps-)historische omstandigheden waarin Mieremet kon floreren, ondanks de aanhoudende tegenstand van de gevestigde wetenschap die hij steeds weer trachtte te weerstaan. Hij opereerde immers in een tijd dat de geneeskundige onderzoeksmethodologie nog in ontwikkeling was; vandaar dat er ook onder sommige artsen enige welwillendheid was voor zijn aanpak. Ze had dan ook kunnen laten zien dat hij in bepaalde opzichten een voorafschaduwing is van hedendaagse (gezondheids-)influencers en alternativo’s: immers ook vaak bezig met het zuiveren van het lichaam en de zuivering van de mensheid als zodanig.
Henk Maassen
Film
If I Had Legs, I’d Kick You, vanaf 18 december in de bioscoop
Hier vindt u de trailer.

Moeder ontspoort door aanhoudende rampspoed
Linda heeft een dochter met een ernstige eetstoornis, waardoor het meisje al haar aandacht vraagt. De naamloze dochter krijgen we niet te zien, althans niet helemaal: louter delen van haar lijf en we horen haar, soms smekende stem. In tegenstelling tot Linda: de camera maakt haar – vaak close in beeld – tot het centrum van alle scènes in If I Had Legs, I’d Kick You.
De ziekte van haar dochter is bij lange na niet de enige chronische of incidentele rampspoed die Linda treft: een gigantische lekkage veroorzaakt een gat in het plafond van haar huis – een gat dat later bijna metafysische betekenis zal krijgen. Ze heeft als psychotherapeut te dealen met lastige cliënten; een van hen, een vrouw met een postnatale depressie, loopt zelfs zomaar uit haar spreekkamer weg en laat haar baby bij Linda achter. Een parkeerwacht haalt dagelijks het bloed onder haar nagels vandaan. De bijtgrage hamster van haar dochter wordt dood gereden. En intussen moet Linda het allemaal alleen rooien, want haar man is gedurende een groot deel van de film alleen via de telefoon bereikbaar voor raad; hij werkt lange periodes op zee. De schade aan haar huis maakt dat moeder en dochter hun toevlucht moeten zoeken in een motel. Waar Linda goed overweg kan met een van de medewerkers. Nou ja, aanvankelijk dan… En tot overmaat van ramp ziet ze zich genoodzaakt haar professionele grenzen te overschrijden. Ziehier een reeks gebeurtenissen die, droog en objectief weergegeven, ook een zwarte komedie hadden kunnen opleveren. Maar dat is niet de richting waarin regisseur/scenarist Mary Bronstein met haar film beweegt, ofschoon die niet helemaal vrij is van wrange humor.
Zinsbegoochelingen
Linda ondergaat alles in een afwisseling van zowel razernij als gespeelde gelatenheid: ‘Everything is under control.’ Je zou denken dat ze als therapeut voldoende is getraind in het soort advies dat ze zelf nodig heeft om overeind te blijven. Quod non, want, zegt ze: ‘Ik ben een van die mensen die geen moeder horen te zijn.’ We zien haar langzaam bezwijken onder de druk van het moederschap, waarbij haar projecties en zinsbegoochelingen zich vermengen met de werkelijkheid. Dat gat in het plafond en het gat in het lijf van haar dochter waar een voedingssonde naar binnen gaat, weerspiegelen elkaar en krijgen een metaforische lading, misschien zelfs meer dan dat. Het sounddesign van de film en de vaak benauwende enscenering maken Linda’s claustrofobie voelbaar. Geen wonder: Bronstein wilde met haar film het diepgewortelde gevoel vastleggen ‘van die wanhopige mentale toestand waarin je bang bent dat alles niet alleen uit elkaar valt, maar dat het uit elkaar vallen allemaal jouw schuld is’.
Uitvergroting
Maar je kunt Linda’s drama ook zien als een nachtmerrieachtige uitvergroting van een van de grote vragen van deze tijd: waarom blijven we het leven versnellen als we weten dat het ons ziek maakt? De mentale gevolgen van die ‘versnelling’ zijn niet louter voor de psychiatrie, omdat die discipline simpelweg niet beschikt over de tools om de culturele of existentiële oorzaken van dit lijden aan te pakken. Ze werkt immers met stoornissen, classificaties en behandelprotocollen – noodzakelijk in de medische context, maar ontoereikend voor een maatschappelijk probleem dat zich uitstrekt voorbij het kwetsbare individu.
En toch eindigt deze film met een volgens mij opbeurend, hoopvol beeld. Aanrader!
Henk Maassen
FILM
The Last Viking, nu in de bioscoop
Hier vindt u de trailer.

Humor zien in ziekelijke ellende
Anker komt vrij na een gevangenisstraf van vijftien jaar. Zijn broer Manfred heeft de buit van zijn bankroof destijds begraven en weet als enige waar die is verstopt. Helaas heeft Manfred een psychische stoornis ontwikkeld, meer precies een dissociatieve identiteitsstoornis. Hij zegt de plek niet meer te kunnen aanwijzen, bovendien meent hij soms een Viking te zijn, en soms de gereïncarneerde John Lennon. Met een bloeddorstige rivaal op de hielen gaan de broers niettemin op zoek naar het geld. Maar vooral naar zichzelf.
Ziedaar in een notendop het gegeven van het behoorlijk hilarische The Last Viking.
Pijnlijke grappen
Die psychische stoornis, bij lange na niet de enige in deze film overigens, moeten we in termen van DSM-5 maar met een korrel zout nemen. Wie zich daaraan stoort lijdt aan de tegenwoordige alom levende vloek van de letterlijkheid en het psychologisch realisme. Daar doet regisseur/scenarist Anders Thomas Jensen niet aan. Hij zet daar zijn vrije verbeelding tegenover, en stelt met zijn film vragen als: Wat is beter: lelijk of mooi? En hoe kan iedereen gelijk zijn aan elkaar? Evenals in zijn eerdere films draait het om trauma en mentale gezondheid, en om de familiaire overerving daarvan. Psychiatrische ziektebeelden zet hij daarbij niet neer op de karikaturale, maar lievig-komische manier zoals dat bijvoorbeeld gebeurde in de Nederlandse serie Loenatik, maar in een zwartgallige, absurdistische vorm met pijnlijke grappen, slapstick en vooral bruut geweld en dito omgangsvormen, compleet met hilarische running gags over IKEA en de Holocaust. Ik heb een paar keer hard gelachen.
Daaronder klopt bij Jensen altijd een melancholiek, meelevend hart: noem het ruwe bolster, blanke pit. De maker zelf daarover: ‘De film onderzoekt hoe onze identiteit wordt gevormd door de perceptie van anderen, in de hoop dat we ondanks uitdagingen ons ware zelf kunnen ontdekken. De film benadrukt dat mensen meer dan één ding zijn, en stimuleert een meer holistische kijk die inherent vergevingsgezinder en minder veroordelend is.’
Smerig en diep verontrustend drama, noemt Jensen dat, om er vervolgens plezier en komedie in te zien. Hij kon daarvoor ook nu weer een beroep doen op beroemde Deense acteurs als Mads Mikkelsen en Nikolaj Lie Kaas.
Henk Maassen
Theater
Wat moeten we met Maartje?, nog t/m 16 januari te zien.
Speeldata zie: moretheater.nl

Terminaal zieke actrice speelt door
Net als The Last Viking (hierboven besproken) is Wat moeten we met Maartje? een komedie met een zwart randje. We zijn bij een stel toneelspelers uit ‘de provincie’, die in een seizoen allerlei stukken op het programma hebben staan: van (een pastiche op) Tsjechov tot kluchtig boulevardtoneel. We zien ze in de kleedkamer, tijdens een repetitie en zijn getuige van fragmenten van de diverse voorstellingen. Hun onderlinge verhouding blijkt vriendschappelijk maar zeker niet wrijvingsloos.
Verkleedpartijen
Regisseur Pieter Kramer en auteur Don Duyns zorgen voor continue scènewisselingen en daarmee voor veel vlekkeloos uitgevoerde verkleedpartijen. Met de acteurs zit het wel goed: Jacqueline Blom, Mark Rietman, Annick Boer en Dick van den Toorn kruipen steeds in de huid van hun zeer diverse personages en leggen die huid vervolgens weer even snel af, als er een scène in de kleedkamer volgt.
Althans dat is de bedoeling, want een van hen, Maartje (Jacqueline Blom), gaat dat langzaam minder goed af. Zo komt ze op als een personage uit een ander stuk, is rekwisieten kwijt, verhaspelt of vergeet teksten. Ze bekent op zeker moment dat ze terminaal ziek is en daardoor last heeft van verlammingen en geheugenstoornissen (hersentumor?). Dat stelt het gezelschap voor een existentieel dilemma: spelen ze door of heffen ze zich op? Maartje wil in ieder geval niet opgeven: ze speelt door.
Professionele standaard
Dat deed mij denken aan de film A Late Quartet waarin in de aanloop naar het 25-jarige jubileumconcert van een fameus strijkkwartet bij de cellist de ziekte van Parkinson wordt geconstateerd. De toekomst van het kwartet wordt dan plots hoogst onzeker. Want hoe vanaf nu zowel de hoogst mogelijke professionele standaard als de liefde voor het uitvoeren van muziek – die je niemand wilt ontnemen – te bewaren?
Het kwartet spelers in Wat moeten we met Maartje? slaat zichzelf niet zo hoog aan, want weet best dat ze tweede garnituur zijn. Misschien dat het drama daarom veel minder uitgesproken is dan in die film. Het gevolg is dat de schmierende humor niet altijd in evenwicht is met de milde ironie die het stuk van Duyns ook ademt, waardoor het geheel soms het aura krijgt van een niet helemaal gelukte klucht, waarin bovendien voor de ernst van het drama uiteindelijk minder ruimte is dan je zou wensen. Het resultaat: een vermakelijke voorstelling, maar meer ook niet.
Henk Maassen