In Parijs geeft de stichting voor Literatuur en Geneeskunde twee cursussen. Parijs is zo rijk aan medisch-literair materiaal dat we niet alleen twee cursussen kunnen vullen, maar ook vele afleveringen van deze rubriek. De indeling daarvoor is een beetje arbitrair. We zullen zowel aandacht besteden aan romans, aan medische en literaire personen, als aan de vele oude ziekenhuizen die nog steeds in Parijs staan en nog steeds in gebruik zijn. In sommige van die ziekenhuizen zijn dan weer romans gesitueerd.
Ter Plekke – Parijs (2): De catacomben
Let op: vanwege de kerstvakantie is de volgende aflevering over drie weken, op zaterdag 10 Januari
Adres: Avenue du Colonel Henri Roi-Tanguy nummer 1
Bezoek: behalve op maandag van 09.45 – 20.30 uur.
Hoe kom je daar: Metro 4, Denfert-Rochereau
Kosten: ongeveer 30 euro
Sterk aanbevolen: toegangskaartje vooraf online kopen, let op de juiste site
Informatie: https://www.catacombes.paris.fr/
Tickets: www.billetterie-parismusees.paris.fr
NB: Volgens de site voor renovatie gesloten tot voorjaar 2026
Deze bijdrage is gedeeltelijk gebaseerd op een eerder geschreven essay: Arko Oderwald. Arrête! C’est ici l’Empire de la Mort! Over begraafplaatsen, In : Arko Oderwald, Koos Neuvel, Willem van Tilburg en Abel Thijs (red.). Het laatste woord. De dood in fictie. Utrecht: De Tijdstroom, 2015.
Overal waar je in Parijs bovengronds kunt komen, kan dat ook ondergronds. De eerste gedachte is dan natuurlijk aan het metro/RER net, maar er zijn nog veel meer tunnels die beloopbaar en bekruipbaar zijn. Handig in de oorlog, als mogelijkheid om je te verbergen of om wapens op te slaan. Een mooi verslag van zo’n ondergrondse route in Parijs staat in:

In Parijs zijn die tunnels onder andere ontstaan door het uitgraven van steen om huizen te bouwen. En ze bleken ook erg handig te zijn om een ernstig gezondheidsprobleem op te lossen: dat van de begraafplaatsen binnen de muren van een stad.
In tegenstelling van wat gezegd wordt, zijn de rijken en de armen ook in de dood van elkaar gescheiden. Tegenwoordig kan er ook voor de armen wel een steentje of een urn af, hoewel het dodenhuis van de katholieke begraafplaatsen voor hen onbereikbaar blijft. Maar die steen of die urn is een vooruitgang vergeleken met de tijden van vóór 1800. Er werd weliswaar begraven midden in de stad, maar vaak volstond een eenvoudig gat in de grond. Als het vol was, werd over de bestaande graven aarde gestort en werden er nieuwe mensen begraven. En dat honderden jaren lang. Dit is bijvoorbeeld het geval met het beroemde Joodse kerkhof in Praag.

Dat dit kerkhof nog bestaat is opvallend, want zo rond 1780 werden in heel Europa maatregelen genomen om niet alleen het begraven in steden te verbieden, maar ook om de bestaande begraafplaatsen te ontruimen. Sommige van de huidige begraafplaatsen vinden hier hun oorsprong, zoals de begraafplaats San Michele op een geïsoleerd eiland in Venetië, waar onder andere Joseph Brodsky, Ezra Pound, Igor Strawinsky, Serge Daghiliev en Tine, de eerste vrouw van Eduard Douwes Dekker begraven liggen.

De reden voor deze ontruimingen was het feit dat deze ongecontroleerde begraafplaatsen een gevaar voor de volksgezondheid waren geworden. In Parijs werd vlak voor de Franse revolutie het besluit genomen dat de meeste begraafplaatsen in Parijs geruimd moesten worden. Een van de grootste begraafplaatsen was Le Cimetière des Innocents, vlak bij de Saint Eustache kerk, die weer vlak bij de voormalige Hallen ligt. Wie op het plein voor het Centre Pompidou staat met het Centre aan zijn linkerhand, dan rechtdoor loopt, langs de Fontaine Stravinsky, het kunstwerk van Ives Tanguely en Nikki de Saint Phalle uit 1983,

komt uit bij de Fontaine des Innocents. Hier op deze plek was de begraafplaats.

Die begraafplaats heeft langer dan wie ook zich kan heugen de lijken van Parijs opgeslorpt. Zelfs in de oudheid al, toen de stad uit nauwelijks meer bestond dan de eilanden. Toen was de situatie waarschijnlijk vrij aanvaardbaar. Een lap grond met weinig of niets eromheen. Maar de stad groeide. De stad omsloot dat stukje grond. Er werd een kerk op gebouwd. En muren rond het kerkhof. En rond die muren: huizen, winkels, taveernes. Het hele leven. Het kerkhof werd bekend, beroemd, een bedevaartsoord. De moederkerk maakte fortuin met de begrafenisrechten. Zoveel voor een plaatsje binnen de kerk. Iets minder voor een plaatsje in de zuilengangen erbuiten. De kuilen waren natuurlijk gratis. Je kunt niet iemand vragen te betalen om zijn stoffelijk overschot boven op andere te laten stapelen, als een plakje spek.
Ik heb me laten vertellen dat er tijdens één uitbraak van de pest in minder dan een maand vijftigduizend lijken op Les Innocents werden begraven. En zo ging het door, lijk op lijk, de begrafeniskoetsen stonden in de Rue Saint-Denis in de rij. Zelfs ’s nachts werd er begraven, bij fakkellicht. Het ene lijk boven op het andere. Een aantal dat elke raming tart. Hele legioenen samengepakt in een stuk grond niet groter dan een aardappelveld. Toch leek niemand daar moeite mee te hebben. Er werd niet geprotesteerd, niemand sprak zijn afschuw uit. Misschien leek het zelfs normaal. En toen, zo ongeveer een generatie geleden, kwamen de eerste klachten. Enkele mensen die bij de begraafplaats woonden begonnen die nabijheid onplezierig te vinden. Voedsel bedierf snel. Kaarsen doofden, alsof ze werden uitgeknepen door onzichtbare vingers. Mensen die ’s ochtends de trap af liepen, vielen flauw. En er waren morele uitwassen, vooral onder de jongeren. Jonge mannen en vrouwen met een tot dan toe onbesproken bestaan …
Toen in 1785 het besluit viel deze begraafplaats met arme stinkerds te ontruimen, was deze al meer dan tien eeuwen in gebruik. Soms, zo bleek later, lagen er meer dan 22 meter lijken boven op elkaar gestapeld. Andrew Miller schrijft over deze periode de roman Puur, waarin wij ons verplaatsen in de gedachten van de ingenieur Jean Baptiste Baratte die door een minister van Lodewijk XVI wordt ingehuurd om de ontruimingsklus te klaren. Het is deze minister die spreekt in bovenstaand citaat uit deze roman.

Andrew Miller schreef eerder Ingenious Pain (Heelmeester pijn) over een arts die geen pijn kan voelen, dat zich ongeveer in dezelfde tijd in Engeland afspeelt. De achttiende eeuw is hem wel toevertrouwd dus, en zo wordt de lezer effectief ondergedompeld in de alles doortrekkende stank van de begraafplaats, waar Vlaamse mijnwerkers zijn ingehuurd door de jonge ingenieur om de klus te klaren.
Dat is geen eenvoudige klus, zo blijkt. Zo is er de confrontatie met de gedachte dat dit allemaal ooit levende mensen zijn geweest:
Jean-Baptiste vergeet intussen liever dat botten eigenaren hebben, namen. Als hij ze moet gaan behandelen als voormalige mensen, hoefsmeden, moeders, misschien wel als voormalige ingenieurs, hoe zal hij dan ooit een spa in de grond durven steken en een voet tot het einde der tijden van een been scheiden, een hoofd van de bijbehorende hals?
Nog doordringender blijken de kwalijke dampen te zijn die er uit en in de graafputten van soms 22 meter diepte opwellen.
Op bepaalde momenten lijken de mannen – alle mannen – overspoeld door golven van walging. Met de ogen dicht staan ze te trillen, te aarzelen, dan spuugt er een in zijn vuist, laat een laars of klomp resoluter op het blad van een spa neerkomen, en het ritme herstelt zich. Tegen de tijd dat de stadsklokken vier slaan, verdwijnt het licht en zijn de mannen, wier gebogen hoofden nu onder het grondniveau verdwijnen, van bovenaf gezien veranderd in delvende schimmen. Er worden fakkels in de wanden van de kuil gestoken. Nu is het echt een spektakel: een groepje mannen in een rood gat, die botten van onder hun voeten vandaan wrikken. De bottenmuur loopt langs de hele lengte van één kant van de kuil en reikt tot schouderhoogte. Het laatste uur voelt als een dag op zich. Jean-Baptiste houdt de cognacfles in het gras naast zich. Met tussenpozen – tussenpozen die steeds korter worden – geeft hij hem door naar beneden, ziet hem van de een naar de ander gaan, en krijgt de lichtere fles weer in handen. Om kwart voor zes zet hij de zaak stop. Hij weet dat hij later zal moeten eisen dat ze ’s nachts werken, maar nu niet. Hij zou het zelf niet kunnen; hij kan het hun niet vragen.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat sommige mannen ziek worden. Gelukkig zijn er ook een aantal nieuwsgierige artsen betrokken bij dit werk. Een van hen is de op dat moment nog onbekende jonge dokter Guillotin, inderdaad, de uitvinder van de Guillotine.

In deze roman komt hij naar voren als een zeer humane dokter, die weliswaar bovenal is geïnteresseerd in wat de opgegraven botten hem kunnen leren, maar ook de levenden met raad en daad terzijde staat.
Guillotin stapt dichterbij. Hij kijkt, maar net als de meeste van zijn collega’s raakt hij niet gauw iemand aan. Hij knikt: ‘U mag zijn hemd omlaag trekken. Dank u, monsieur Block. We zullen iets vinden om u te helpen, goed?’
Als ze een paar stappen van de tent verwijderd zijn, zegt de dokter: ‘Hij heeft een vergiftiging opgelopen door iets wat bij het vallen in hem is gekomen. De wonden moeten onmiddellijk worden gereinigd met een zwaveloplossing. Wat de koorts betreft, hij zou kinabastpoeder moeten nemen, opgelost in een beetje cognac. Ik ben er evenwel niet voor om de koorts geheel te onderdrukken. Koorts is niet de vijand. Koorts is het vuur waarin de ziekte verbrandt: Hij stopt, kijkt Jean-Baptiste scherp aan. ‘Zelfs als we kerngezond zijn; zegt hij, ‘worden we voortdurend vernieuwd door een warmte die we zelf opwekken. Bent u vertrouwd met de theorie van flogiston?’
‘Ik weet er iets van: ‘Flogiston, uit het Grieks, “in brand steken”. Het brandbare element in alle dingen. Het latente vuur. Het mogelijke vuur. Passief totdat het wordt opgeroepen.
‘Opgeroepen door een vonk?’
‘Of door een schok of wrijving. Of simpelweg geleidelijke warmtetoename.
‘Is het mogelijk dat Blocks infectie is veroorzaakt door een ziekte die is blijven voortbestaan in de botten?’ vraagt Jean-Baptiste. ‘Dat de botten nog steeds een residu in zich dragen van de ziekten waar ze ooit aan hebben geleden? Ik bedoel, waaraan de mensen hebben geleden aan wie ze ooit toebehoorden?’
‘Wat stelt u het ongewoon; zegt Guillotin. ‘U spreekt alsof onze botten louter bezittingen zijn, als een paard of een horloge. Maar om uw vraag te beantwoorden, ik acht het onwaarschijnlijk dat een ziekte haar slachtoffer zo lang overleeft. Daarentegen wil ik u en uw mannen adviseren de botten niet in contact te brengen met open zweren of wonden. Als algemeen ontsmettingsmiddel raad ik azijn aan. En gezuiverde alcohol. Ethanol. Zeer effectief. Hoewel u moet oppassen waar u het opbergt. Een krachtige borrel. Ook zeer brandgevaarlijk. Zelfs de damp. Vooral de damp.
Jean-Baptiste vraagt nog of de patiënt niet beter naar een ziekenhuis kan worden gebracht.
De dokter spert zijn neusgaten open. ‘Ziekenhuizen zijn erg gevaarlijke plaatsen. Speciaal voor iemand die al verzwakt is door ziekte.’
De botten die bij dit werk naar boven komen, worden vervolgens ’s nachts, onder begeleiding van priesters, in karren over de Pont Neuf naar steengroeven aan de zuidkant van de Seine gebracht om daar te worden opgestapeld. Dit is het moment dat al die gangen van pas komen. Nu, bijna 250 jaar later, is het resultaat hiervan nog steeds te bezoeken in Parijs. De ingang van deze Parijse catacomben met uitgestrekte skeletmuren, bevindt zich op Avenue du Colonel Henri Roi-Tanguy nummer 1, en is, behalve op maandag, van 09.45 tot 20.30 uur te bezoeken.

Niet dat dat eenvoudig is als je niet van te voren een online kaartje hebt gekocht. En ook dat is niet eenvoudig, omdat het pas een week van te voren mogelijk is. De ingang is in een onooglijk gebouwtje midden op een rond plein, aan alle kanten omgeven door voortrazende auto’s. Bij aankomst zie je de rij staan van de mensen zonder kaartje. Heb je geen kaartje, dan wordt je gevraagd aan te schuiven in de cirkelvormige rij. Je doet er twee uur over om terug bij de ingang te komen. Wat aan al schuifelende het meest opvalt is het relatief grote aantal kinderen onder de tien. Wat hopen hun ouders deze kinderen aan stichtelijke boodschap mee te geven daar beneden?

Eenmaal binnen ga je via een wenteltrap 25 meter naar beneden. Er volgt een lange wandeling door lage gangen, de kinderen voor en achter mij snateren er op los. Maar dan zijn we er: ‘Arrête! C’est ici l’Empire de la Mort’, staat er boven de toegangspoort.

Maar niemand stopt natuurlijk. Ik denk dat de meesten om mij heen het Frans ook niet kunnen lezen trouwens. Dan volgt een kronkelige wandeling tussen voor het gevoel eindeloze gangen en ruimtes met botten en schedels, netjes opgestapeld langs de wanden.

Het gesnater verstomt. Daar is ook het bordje waarop staat dat dit de botten van Cemetière de L’Innocents moeten zijn. We vertrouwen er op.

Sindsdien zijn er nog meer begraafplaatsen leeggehaald en hier ondergebracht. Ik zag bordjes die 1859 vermelden. De botten van L’Innocents beslaan slechts een fractie van het totaal. En dan niet alleen van het totaal van wat je te zien krijgt, want er zijn nog veel meer gangen, die niet toegankelijk zijn. Er is ook nog een ondergrondse kapel en een waterbassin.
Drie kwartier later klim ik met een zelfde soort wenteltrap weer naar boven en kom uit in een keurige straat, de Rue Rémy Dumoncel. Rémy is als verzetsman gestorven in 1945, lees ik op het straatnaambordje. Geen toeval denk ik, want de catacomben werden toen gebruikt door het verzet. Het is, zo midden in de gebruikelijke souvenirwinkel, deze keer met skeletten, een vreemde uitgang van de vreemdste en indrukwekkendste begraafplaats die ik ooit heb gezien.

Het Zentralfriedhof in Wenen, ook het resultaat van het verplaatsen van botten, is dan wel veel groter, maar haalt het qua aantal ter aarde bestelden niet bij dit ondergrondse ossuarium. Ook het oorlogsmonument voor de eerste wereldoorlog van Mussolini, Sacrario di Redipuglia, haalt het qua aantallen niet bij deze catacomben.

Maar het is niet het aantal dat mijn ervaring het meest kleurt. Eindelijk zie ik hier wat al onze begraafplaatsen proberen te verbergen: hier is in de dood toch iedereen gelijk. Op de rijke stinkers na natuurlijk.