Vanwege praktische redenen iets eerder dan normaal een nieuwe editie van deze rubriek. Deze keer over twee romans: Monsterzicht van Jan van Aken en Het oogappeltje van dokter Josef door de Poolse Zyta Rudzka. Twee films: The President’s Cake en Sukkwan Island. En verder een aanbevolen tv-serie: The Narrow Road to the Deep North, naar de gelijknamige roman van Richard Flanagan en een bijna niet te categoriseren maar magistraal boek, Vraag 7, van dezelfde auteur.
Reacties in de vorm van opmerkingen, vragen, tips, kritiek en/of lof kunnen naar: scoop0329@gmail.com
Roman
Monsterzicht, Jan van Aken, Querido, 320 blz. 27,99 euro

‘Alsof alle mensen zijn veranderd in hybride wezens.’
In Monsterzicht, de negende roman van Jan van Aken (1961), gaat arts-assistent psychiatrie Victor Montanus anno 1939 werken in Sint Dymphna, een psychiatrische kliniek gevestigd ergens in Brabant. De vrouwenafdeling is zijn terrein; nonnen zorgen daar voor de verpleging. Zijn patiënten zijn hysterische vrouwen, paranoïci en melancholici. Lichtere gevallen, noemt zijn baas ze, ‘een beetje luxeproblemen’. De mannenafdeling is een andere zaak: gevuld als die is met goed van de buitenwereld afgeschermde ‘psychopaten’.
Het is de tijd van ongure, in onze hedendaagse ogen tamelijke vreselijke behandelingen als insulinecomatherapie en cardiazolinjectie die heftige, maar – naar werd aangenomen – heilzame insulten en toevallen bij patiënten moesten opwekken. Victor, een gedreven type zoals we dat ook eerdere boeken van Van Aken kennen, mag echter zijn nieuwe, psychoanalytische inzichten toepassen op de ‘luxegevallen’.
Jung
Montanus heeft dan al enige tijd in Heidelberg doorgebracht, waar hij in het spoor van de psychoanalyticus Carl Gustav Jung (1875-1961) wilde treden. Wiens psychoanalyse niet draait om Freudiaanse seksuele verdringing, maar die het onbewuste ziet als een schaduw, als de duistere kant van de persoonlijkheid, die aan het licht moet komen wil je een volledig mens kunnen worden. Het gaat daarbij om de herkenning van oerbeelden en ‘dat kan van alles zijn, zelfs je ideale vrouwbeeld, dat je vervolgens projecteert op een echte vrouw.’
Al snel komt Victor er in Heidelberg achter dat de psychoanalyse van Freud (een Jood immers) door de aanstormende nazi’s in de ban is gedaan en dat Jungs denken weliswaar beter bevalt – Jung heeft zelfs nog even gesympathiseerd met het nazisme – maar toch ook op een zijspoor is beland.
Minderwaardigen
Psychiatrie staat in Duitsland meer en meer in het teken van het opsporen van ‘gedegenereerde minderwaardigen’ voor wie geen plaats is in de samenleving en die zich om eugenetische redenen niet mogen voortplanten. Victors zinnelijke minnares Verena Kirsch, een studente en fanatieke nazi, wordt daar uiteindelijk als ‘nymfomane’ het slachtoffer van. Grootscheepse euthanasie van minderwaardigen kondigt zich aan.
Victor merkt het ook als hij bij toeval in aanraking komt met de nu vermaarde Prinzhorn-collectie – een rijke verzameling beelden gemaakt door psychiatrische patiënten ‘van onzichtbare gestalten die in elke geest leefden, maar waartoe de geciviliseerde mens geen toegang meer had. Geometrische landschappen, antropomorfe dieren, wriemelende poliepen met mensengezichten die elkaar in verbijstering aankeken.’ Entartete Kunst, luidt het oordeel, van zijn beroepsgenoten. Kunst van krankzinnigen en dus waardeloos, want ‘waarom zou iemand die gekken willen begrijpen?’
Hybride wezens
In Sint Dymphna wordt Victors getrokken door Lena, een hoog-intelligente jongedame die op haar vijftiende haar moeder voor haar ogen heeft zien verongelukken, en sindsdien lijdt aan monsterzicht, ook wel propometamorfopsie genoemd. In brieven aan haar vader (die nooit worden verstuurd door de leiding van de kliniek) schrijft ze: ‘Ik zag, en ik zie, menselijke gezichten gespleten in een normale en een monsterlijke helft. Het lijkt alsof alle mensen zijn veranderd in hybride wezens, zoals de Chimaera in de mythologie.’
Victor meent er het bewijs voor Jungs theorieën over archetypes en het collectief onderbewuste in te vinden, zoals hij die ook terugzag in de Prinzhorn-collectie. Zeker als ze dit opmerkt: ‘U begrijpt het niet, die alledaagse gezichtshelften die júllie zien, dát zijn de maskers.’ Een zuiver voorbeeld van ‘persona’, stelt Victor dan vast, Jung indachtig. ‘Latijn voor “masker”.’ En dat, zo weet hij, is een van de belangrijkste oerbeelden in Jungs dieptepsychologie.
Jungiaans genot
Als wordt voorgesteld dat Lena gesteriliseerd moet worden – ook in Nederland doemt het eugenetisch denken op in bepaalde kringen – laat de stoere Moeder-overste in een ongenadige woedeuitbarsting van zich horen: ‘Veto!’ riep ze. Ze plantte haar handen iets uit elkaar op de tafel. ‘Veto, godverdomme!’ Allen bevroren op hun stoelen. ‘Er wordt hier niet gesteriliseerd,’ zei ze, zachter nu, maar met een stem die trilde van woede. ‘Zelfs het kromste boompje kan nog gezonde vruchten voortbrengen. Klaar nu met die onzin!’ Het bleef even doodstil. Een zweem van mirre hing boven de vergadertafel. Victor, sidderend van ontzag, voelde hoe de grote wieling van archetypen door de collectieve geesten wentelde. Hier sprak de Engel der Wrake (….) De hele heidense santenkraam, dacht hij, terwijl rillingen van jungiaans genot hem over de rug liepen.’
Maar dat jungiaans genot zal niet van lange duur blijken, het keert zich tegen Victor. Als hij denkt dat Lena als een soort Cassandra de oorlog moet hebben voorzien, gaat hij te ver. Hoe en waarom? Lees deze intrigerende roman. Je vraagt je intussen wel af: zagen Victor en daarmee Lena het toch goed? In die oorlog lieten de ware monsters immers hun gezicht zien en vielen hun maskers, als die er al waren, af.
In onze podcast vertelt Jan van Aken er meer over.
Henk Maassen
Film
Sukkwan Island, nu in de bioscoop.
De trailer vindt u hier.

Legende van een zelfmoord
Het hartverscheurende Legende van een zelfmoord van David Vann uit 2008 is moeilijk in één genre te plaatsen: het zit tussen fictie en autobiografie in. Vann verwerkt gebeurtenissen uit zijn eigen familiegeschiedenis — soms wat aangepast of zelfs verzonnen — om de zelfmoord van zijn vader beter te begrijpen en te verwerken. Een deel van dat merkwaardige, maar prachtige boek – de sectie Sukkwan Island – is nu door Vladimir de Fontenay onder dezelfde titel verfilmd. Het is het deel dat in de derde persoon is geschreven, waardoor het verhaal iets meer afstand neemt van de persoonlijke ervaring, terwijl het verdriet en de emotionele impact centraal blijven staan. De filmmaker heeft de plaats van handeling verplaatst van Alaska naar Noorwegen, en zijn scenario is ook een wat meer rechttoe-rechtaan vertelling – althans in schijn.
Uitdagingen
Het verhaal: in een poging om weer verbinding te zoeken met zijn vader Tom– zijn ouders leven gescheiden – besluit de 13-jarige Roy om hem te vergezellen naar Sukkwan Island, een onbewoond eiland diep in het hoge noorden. Het moet voor beiden een vormend en verbindend tussenjaar in de wilde natuur worden. Maar dat ontaardt vanwege de barre omstandigheden op het eiland en de wispelturigheid van zijn vader al snel in een survivaltest. Vooral naarmate de winter vordert gaat het slechter door de fysieke en praktische uitdagingen van het leven in de vrieskou: er zijn bijvoorbeeld confrontaties met beren, het radiocontact met de buitenwereld valt stil en tot overmaat van ramp begint Toms geestelijke gezondheid te wankelen, en dat duidelijk niet voor de eerste keer.
Perspectief
Deze geschiedenis wordt omlijst door scènes van de volwassen Roy die tien jaar later het inmiddels gammele verblijf op het eiland bezoekt. Dat bezoek zet al het voorgaande in een nieuw en diep-tragisch perspectief en doet daarmee de geest van Vanns boek recht. De Fontenay bedoelde zijn film als ‘een spiegelspel tussen het verhaal dat het boek vertelt en datgene wat het in de schaduw laat.’ Dat is helemaal gelukt.
Henk Maassen
Film
The President’s Cake, nu in de bioscoop.
De trailer vindt u hier.

Overleven in tijden van schaarste
De handeling van The President’s Cake, het debuut van Hasan Hadi, is snel verteld: we zijn in Irak, begin jaren negentig, tijdens het regime van Saddam Hussein en de zware economische sancties na de inval in Koeweit. De negenjarige Lamia woont met haar grootmoeder Bibi in de arme moerasgebieden in het zuidoosten van het land. Op school krijgt ze de opdracht een taart te bakken voor de verjaardag van de president – een jaarlijks terugkerend ritueel in die tijd. Hoewel voedsel schaars en duur is, dreigt de school met straf als ze dit niet doet. Samen met Bibi reist Lamia naar de stad om ingrediënten te zoeken. Onderweg raakt Lamia van haar grootmoeder gescheiden en beleeft ze met haar vriend Saeed allerlei gevaarlijke situaties.
Ziekenhuis
Dat dit Hadi’s eerste film is, die bovendien met beperkte middelen tot stand kwam, en met een cast van uitstekende, maar niet-professionele acteurs, is eigenlijk nergens aan af te zien. Hadi wil, via de ogen van hoofdzakelijk twee kinderen, laten zien hoe de Irakese maatschappij onder deze zeer moeilijke omstandigheden functioneert, of liever niet functioneert. Hoe mensen het hoofd boven water houden, vervallen in abject gedrag of ten onder gaan: let bijvoorbeeld op de kruidenier die in ruil voor voedsel misbruik maakt van een hongerige en hoogzwangere vrouw. Of zie bijvoorbeeld ook de uiterst levensechte, chaotische taferelen die zich in een ziekenhuis afspelen, waar goedwillende verpleegkundigen en artsen moeten roeien met de karige riemen die ze hebben. Het resultaat is een authentieke, levensechte film.
Henk Maassen
Serie/Boek
The Narrow Road to the Deep North, te zien via Videoland.
De trailer vindt u hier.
Vraag 7, Richard Flanagan, [Vertaling: Thijs van Nimwegen], Koppernik, 248 blz, 24,50 euro

Medische dilemma’s in een hel
De vijfdelige tv-serie The Narrow Road to the Deep North is een buitengewoon adequate verfilming van de beroemde, met de Bookerprize bekroonde gelijknamige roman van Richard Flanagan (zie voor een recensie hier). In drie tijdlijnen wordt daarin het verhaal van de Australische arts Dorrigo Evans verteld, vóór, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Voor de oorlog: zijn huwelijk met Ella, geboortig uit hogere Australische kringen en zijn overspelige liefde voor Amy, de jonge vrouw van zijn oom. Zijn krijgsgevangenschap in Birma tijdens de aanleg van wat later de Dodenspoorweg werd genoemd is de tweede verhaallijn. En dan is er nog het jaar 1989: Dorrigo, nog steeds gehuwd met Ella, is dan een gevierd chirurg, gaat vreemd met de echtgenote van een collega-chirurg, raakt verwikkeld in een tuchtzaak en wordt achtervolgd door de keuzes die hij in zijn leven heeft gemaakt, niet in het minst tijdens zijn krijgsgevangenschap, toen hij voor onmogelijke dilemma’s stond bij de behandeling van zijn aan ondervoeding, dysenterie, malaria en cholera lijdende medegevangenen. Dorrigo (in zijn jonge jaren gespeeld door filmster-in-wording Jacob Elordi, anno 1989 door de Ierse veteraan Ciarán Hinds) staat aan de vooravond van de publicatie van zijn memoires. Alles wijst erop dat hij vindt gefaald te hebben.
Realisme
Flanagan maakt de lezers in zijn boek ook deelgenoot van wat de Japanse slavendrijvers bewoog, en daar is ook in de tv-bewerking zeker oog voor, zij het aanzienlijk minder dan in de roman. Dat Dorrigo een uiterst complexe persoonlijkheid is, komt in de serie ook wat minder uit de verf, maar daar staat tegenover dat de deprimerende, gruwelijke hel waaraan de krijgsgevangenen waren blootgesteld en waarin Evans als medicus moest handelen met ontzagwekkend realisme wordt getoond. Kijkers hebben een sterke maag nodig. Hier geldt dat beeld iets vermag waar woorden alleen maar aan kunnen raken. Regisseur Justin Kurzel verweeft op slimme wijze alle tijdsniveaus met vloeiende beeldovergangen die Dorrigo terug in die nachtmerrie brengen. Zijn indrukwekkende tv-serie laat zich gemakkelijk in een of twee keer (totale duur: 220 min) bekijken.

Ketting
Met het recent in het Nederlands vertaalde Vraag 7 geeft Richard Flanagan (geboren in 1961) nog meer lading aan de serie en vooral aan zijn eerdere roman. In deze mengeling van autobiografie, essay, literaire en wetenschapsgeschiedenis kijkt hij terug op de wereld waarin hij opgroeide, een mijndorpje in Tasmanië. En verbindt dat kleine verhaal ragfijn en betekenisvol met een ogenschijnlijk causale ketting van grote verhalen waarin onder meer de auteurs H.G. Wells en Rebecca West, de atoomfysicus Leó Szilárd, de genocide op de Tasmaanse aboriginals en de atoombom op Hiroshima een beslissende rol spelen. Flanagans vader was krijgsgevangene in een Japans dwangarbeiderskamp, die de hel niet lang meer zou hebben overleefd als ‘de bom’ geen einde aan de oorlog zou hebben gemaakt. Precies daar raken grote en kleine geschiedenis elkaar.
Tsjechov
En dat alles tegen het licht van Anton Tsjechovs opvatting dat de literatuur niet de taak heeft om antwoorden te bieden, maar om de noodzakelijke vragen te stellen. Flanagan schrijft daar prachtig over: ‘Een van Tsjechovs vroegste verhalen was een parodie op hoofdrekenvragen zoals die aan schoolkinderen werden voorgelegd, en waarvan Tsjechovs vraag 7 een typisch voorbeeld is: “Op woensdag 17 juni 1881 moet een trein om 3 uur ’s middags van station A vertrekken om om 11 uur ’s avonds op station B aan te komen, maar net toen de trein op het punt stond om te vertrekken, kwam er het bevel dat de trein om 7 uur ’s avonds op station B moest aankomen. Wie heeft langer lief, een man of een vrouw?” Zoals in veel van Tsjechovs geschriften gaat vraag 7 over de wereld waaruit wij denken betekenis en zin te putten, maar die niet de echte wereld is. Het is een oppervlaktewereld, een oppervlakkige wereld, een bevroren wereld van uiterlijkheden, waaronder een volkomen andere wereld opgolft, als een woeste rivier die ons ieder moment kan overspoelen. Een vrouw die bij het diner genegeerd wordt, een bedrogen danseresje, een man die zichzelf wijsmaakt dat hij op het platteland gelukkiger is, een versierder die tegen zichzelf zegt dat hij niet verliefd aan het worden is, een rouwende koetsier die al zijn passagiers tracht te vertellen dat zijn zoon net is gestorven, maar steeds genegeerd wordt, en uiteindelijk ontdekt dat zijn paard de enige is die tijd heeft om te luisteren; allemaal valsheden, waaronder we pas in de laatste alinea, of soms zelfs in de laatste zin, de waarheid over deze mensen ontdekken, en via hen over het leven zelf. Deugd en zedelijkheid worden weggerukt om wreedheid en verdorvenheid te onthullen, terwijl wreedheid en verdorvenheid, op hun beurt, worden weggerukt om zachtaardigheid en goedheid te onthullen. Net als in het echte leven zijn we geschokt.’ Later wijst Flanagan op de arts in Tsjechovs verhaal Een praktijkgeval, die ‘heel even de tragedie ervaart waarin alle mensen verstrengeld zitten en waaraan niemand kan ontsnappen’.
Gehoorproblemen
Maar Flanagan schrijft ook en zeer invoelend over de gevolgen van de gehoorproblemen waar hij in zijn jeugd mee worstelde: ‘Bevrijd van de oordelen en strenge regels van andermans taal kwam de wereld tot mij als een onverdunde openbaring, die me altijd zou bijblijven.’ Over het stervensbed van zijn moeder en adembenemend over de uren die hij op zijn 21-ste in een vastgelopen kajak doorbracht, zwevend op de rand tussen leven en de verdrinkingsdood.
Al dat en nog veel meer heeft zijn kijk op leven en dood voorgoed verandert. Het maakt Vraag 7 tot het mooiste boek dat ik tot dusver dit jaar las.
Henk Maassen
Roman
Het oogappeltje van dokter Josef, Zyta Rudzka, [vertaling: Charlotte Pothuizen]. Koppernik, 264 blz., 23,50 euro.

Oude mensen en de dingen die niet voorbij gaan
Enkele jaren geleden las ik het alom bejubelde boek van de Nederlandse schrijfster Annet Daanje, De herinnerde soldaat. Ik moest eraan denken bij het lezen van Het oogappeltje van dokter Josef, de Nederlandse vertaling van een uit 2006 daterend boek van de Poolse Zyta Rudzka. Beide namelijk hebben een inhoudelijk fantastisch en intrigerend verhaal opgeschreven in een stijl die mij – met de nadruk op ‘mij’ – verhindert er echt in te komen en maar door te lezen tot het boek na de laatste zin met tranen in de ogen kan worden weggelegd. Was dit bij Daanje het gebruik van het woord ‘en’ vooraan iedere zin, bij Rudzka is het de algehele vertelstijl. Daardoor was het bij Daanje wel makkelijker om de verstorende factor te vermijden. Kwestie van over die ‘en’ heenlezen. Een algehele stijl echter is niet te vermijden Een voorbeeld van een willekeurige pagina, (32):
Wij hebben in een andere wereld geleefd.
Zei mevrouw Leokadia stellig.
Een mens heeft maar één heilig recht voor zijn dood: z’n hart luchten.
Verkondigde meneer Henoch
Waarover valt er te praten?
Teemde meneer Miron.
Ik weet één ding: te lang leven zorgt ervoor dat het hart in een spier verandert. Erger nog: in een slappe spier.
Orakelde meneer Henoch.
Dan zijn we op ongeveer 1/3 van die ene pagina van de in totaal 261, en het is absoluut geen afwijkende pagina in dat geheel.
Natuurlijk kan het zo zijn dat, evenals dat dit bij Daanje het geval was, veel lezers door deze stijl juist meegetrokken worden in het verhaal dat Rudzka vertelt, maar bij mij was dat dus niet het geval. En dat is jammer want, wederom evenals bij Daanje, dat verhaal is intrigerend en belangrijk.
Levensbepalende sporen
Het is het verhaal van een groep Poolse bejaarden in een verzorgingstehuis die hun tijd al pratend doorbrengen, ogenschijnlijk veelal over koetjes en kalfjes met slechts hier en daar iets waarin het allesbepalende verleden, het oorlogsverleden, of doorschemert of expliciet wordt benoemd. Een van hen is de – zo wordt herhaaldelijk gezegd – voor haar leeftijd nog steeds mooie Czechna, de zus van de genoemde Leokadia. Czechna was ‘Miss Auschwitz’, het in de titel genoemde oogappeltje van dokter Josef, achter wie uiteraard Mengele schuilgaat. Door de titel schemert de beruchte kamparts – die ook Czechna aan experimenten heeft blootgesteld, die haar een van haar armen hebben gekost – door het hele verhaal heen. De scene erover is bloedstollend. Op de keper beschouwd wordt hij echter slechts enkele keren expliciet in het verhaal genoemd.
Dit is dan ook geen verhaal over het kamp en de gruwelijkheden die zich daar hebben afgespeeld. En ook niet over de manier waarop Czechna en blijkbaar in haar kielzog Leokadia dat kamp hebben overleefd. Het is een verhaal over wat het kamp, en oorlog in het algemeen, aan nooit uitgewiste, nooit uit te wissen, levensbepalende sporen nalaat in het leven van mensen. Dat maakt het tot een belangrijk boek, helaas ook nu nog. En of de stijl nu wel of geen barrière vormt, de laatste zin breekt ieders hart.
Leo van Bergen, medisch historicus