In deze editie: twee films, een theatervoorstelling, een gedichtenbundel en een roman. Overkoepelende thematiek: de (illusoire) maakbaarheid én het einde van het leven. Maar er is ook drankzucht en verwarring.
Haast u voor de theatervoorstelling – Tsjechovs Oom Wanja – want die is er nog maar kort.
Reacties in de vorm van opmerkingen, vragen, tips, kritiek en/of lof kunnen naar: scoop0329@gmail.com
Film
Tre Ciotole nu in de bioscoop en via picl.nl
De trailer vindt u hier

Met het einde in zicht
Tre Ciotole – letterlijk: drie schaaltjes – is een zachtmoedige, prachtig geschreven film; een van de beste die ik tot dusver dit jaar zag. De maakster, Isabel Coixet, kennen we van eerdere, gelijkwaardige producties als My Life Without Me (2003) en The Secret Life of Words (2005).
Een man, Antonio, en een vrouw, Marta, besluiten een eind te maken aan hun relatie, niet met een klap, maar omdat ze – vindt vooral hij – uit elkaar zijn gegroeid. Hij is kok en restauranteigenaar, zij een introverte gymlerares. Na de scheiding, die er vooral bij haar inhakt, ontwikkelt ze maagklachten. Aanvankelijk duidt ze die als psychisch, maar het blijkt veel ernstiger: terminale kanker.
Melancholieke sfeer
Hoofdrolspeler Alba Rohrwacher is – als altijd – geweldig en Coixet houdt de toon van de film licht. Bovendien maakt ze van de personages die Marta en Antonio omringen volbloed karakters: Marta’s empathische arts, haar opdringerige maar zorgzame zus, haar sociaal wat onhandige maar betrokken collega. Toch is er een letterlijk bordkartonnen karakter, dat uiteindelijk echter minder bordkarton blijkt dan je denkt. De intermezzo’s met scenes uit het verleden van Marta en Antonio, toen alles nog koek en ei tussen beiden was, en die zijn vastgelegd op 16 mm film, vergroten de droefgeestige sfeer waarin de film baadt.
Intussen is de film ook nog eens een bescheiden ode aan de stad der steden Rome en de fantastische Italiaanse keuken: eten als communicatiemedium, als memoir aan vervlogen tijden, maar ook als herinnering aan het feit dat de mens in de eerste plaats een zintuiglijk, fysiek wezen is, indachtig de woorden van de filosoof Feuerbach met wie Marta’s sympathieke collega wegloopt: ‘Der Mensch ist, was er ißt’.
Dat klinkt als een merkwaardig amalgaam, en toch is dit een ontroerende film die u gegarandeerd in uw hart sluit.
Henk Maassen
Theater
Oom Wanja door Toneelgroep Maastricht. Zie voor de speeldata: www.toneelgroepmaastricht.nl/agenda/oom-wanja

Dokter aan de drank
Oom Wanja is een toneelstuk uit 1899, geschreven door Anton Tsjechov. De eerste opvoering in Moskou werd geregisseerd door Konstantin Stanislavsky, de vader van het method acting, en Olga Knipper, Tsjechovs latere echtgenote, speelde een hoofdrol. Het verhaal draait om Wanja, die samen met zijn nicht Sonja een landgoed beheert. Het landgoed staat op haar naam, maar haar vader, een gepensioneerde professor, maakt de dienst uit. De opbrengsten van het landgoed gaan naar hem. Hij was getrouwd met de overleden zus van Wanja, de moeder van Sonja, en is nu getrouwd met een veel jongere vrouw, Jelena. De professor woont in Moskou, maar is nu op het landgoed. Hij heeft allerlei kwaaltjes en ontbiedt de lokale dokter, die aan het bijkomen is van een ramp met vele doden. Deze dokter drinkt nog al veel.
De professor kondigt aan dat hij het landgoed wil verkopen. Hij stuit op een woedende Wanja, die zijn levenswerk vernietigd ziet. Sonja is verliefd op de dokter, die haar niet ziet staan en het op zijn beurt aanlegt met Jelena. De ruzie loopt zo hoog op dat Wanja op de professor schiet, maar hopeloos mist.
Veel somberheid dus, met een grote rol voor de drank.

Eerste opvoering in Moskou, 1899.
Menselijke tragedies
Oom Wanja is al een aantal keren in Nederland opgevoerd en is nu te zien in een gloednieuwe versie van Toneelgroep Maastricht. Het toneel is schaars aangekleed, met kleine stoeltjes en één enorme stoel die beklommen kan worden, en dan nog een tafeltje met glazen en een fles voor de alcohol.
Hoewel deze uitvoering duidelijk gemoderniseerd is, blijft het origineel toch onaangetast, en dat is een knappe prestatie van regisseur Michiel Sluysmans. De cast speelt de opeenstapeling van menselijke tragedies fenomenaal. Levensechte dialogen slepen de toeschouwers mee naar het eind, waarin Wanja en Sonja, na de mislukte schoten en het vertrek van de professor, achterblijven met de ondankbare taak om het landgoed draaiende te houden totdat het wordt verkocht.
Illusies
De alcoholische (?) dokter verdient aparte vermelding. Hij is duidelijk terneergeslagen door zijn ondankbare werk en al die dode mensen. Hij maakt zich daarom druk om het behoud van de bossen – en dat is verrassend modern. Het is altijd een schok voor eerstejaars studenten geneeskunde als ze horen dat ze statistisch gesproken meer kans hebben op een verslaving dan de gemiddelde burger (en ook iets korter leven). Tsjechov ondervond dat aan den lijve en stopte die desillusie in deze dokter, inclusief een tamelijk pessimistische kijk op het leven in het algemeen. Mooi samengevat in: ‘Als je geen echt leven hebt moet je je behelpen met illusies. Dat is altijd nog beter dan niets.’
Tot eind mei zijn er nog voorstellingen te zien van dit mooie toneelstuk, onder andere in het Nieuwe de la Mar in Amsterdam.
Arko Oderwald
Poëzie
Op mijn tenen, Toon Tellegen, Querido, 48 blz., 19,99 euro

Lelietjes-van-dalen en een oude boterham
Toon Tellegen is nu 84 jaar en het is dus niet merkwaardig dat de dood de laatste jaren een steeds belangrijker plaats inneemt in zijn oeuvre. Vorig jaar werd op basis van zijn tekst en met muziek van Corrie van Binsbergen door Silbersee een Requiem voor de onwerkelijkheid opgevoerd en verscheen er de dichtbundel De werkelijkheid. En die werkelijkheid is dat wij allen sterven. Onlangs verscheen er een nieuwe poëziebundel van zijn hand, getiteld Op mijn tenen. Bijna alle gedichten zijn mijmeringen over het onvermijdelijke einde. Niet altijd even prettig, grimmig zelfs:
Jarenlang
Ik lig op mijn sterfbed,
lig daar al jarenlang
af en toe komt iemand langs om te zien
of ik al gestorven ben
alleen mijn geheugen is al dood,
wat ik wist ligt verfomfaaid op de grond
om mij heen wemelt het van wespen met menselijke trekken,
hongerig en mopperend
mijn dood grinnikt onafgebroken,
hij houdt van treuzelen en achterhoedegevechten
kinderen komen voor mij zingen,
willen nog iets van mij weten
‘is hij dood of doet hij maar alsof?’ vragen ze –
ik weet het niet.
Maar soms ook weer erg komisch:
Eigenheimer
Ze vroegen mijn moeder:
‘die … eh … jongen daar, is dat uw zoon?’
‘nou,’ zei mijn moeder, ‘hij is wel mijn zoon,
maar ik noem hem liever mijn eigenheimer,
hij is namelijk nogal eigengereid, hoe zal ik het zeggen: eigenzuchtig’
‘maar,’ voegde ze daaraan toe, ‘als je hem schilt, opzet met zout
en ruim twintig minuten in zijn eigen sop laat gaarkoken,
dan is hij heel smakelijk’
ze zette me elke dag op tafel.
Beide gedichten zijn typische, zeer herkenbare Toon Tellegen – gedichten. Niet-fysieke menselijke eigenschappen, zoals geheugen, worden fysiek gemaakt en verfomfaaid op de grond gegooid, of eigenzinnigheid wordt als aardappel in zijn eigen sop gaargekookt, elke dag weer.
De rouw over zijn broer beschrijft hij in één van de laatste gedichten van de bundel zo:
Mijn broer, mijn grote broer,
die maar doodgaat en doodgaat, en niet ophoudt met doodgaan.
Het gedicht werd door Toon Tellegen, gezeten aan een tafeltje met een lampje, voorgedragen tijdens een poëzieavond die op 11 April 2026 in Carré plaatsvond. De beginregels werden gevolgd door een ogenschijnlijk eindeloze opsomming van momenten dat zijn broer telkens maar weer doodgaat. Het gedicht eindigt als volgt:
en die ten slotte vredig naast mij komt zitten als ik doodga,
mijn grote broer,
zijn arm om mijn schouder, nog iets zeggend over mijn moeder,
zijn moeder, onze moeder,
en die dan samen met mij voor de laatste maal doodgaat.
Tot slot nog een gedicht over waar de schrijver denkt naar toe te gaan, met een verwijzing naar zijn beroemde dierenverhalen, Toon Tellegen op zijn best:
Paradijs
En in de verte het paradijs,
mijn paradijs,
een olifant op een vlaggenmast, deinend in de wind,
een merel die een cantate zingt
in mijn hand een boeketje lelietjes-van-dalen
en een oude boterham:
mijn gedachten zijn stofjes in een brownse beweging,
mijn verstand de microscoop van mijn vader
ik zie mijzelf vergaan,
zo mooi, zo definitief …
Dit is poëzie van een ongekend hoog niveau.
Arko Oderwald
Film
Een mislukt eerbetoon aan de moederliefde, nu in de bioscoop en te zien op picl.nl .
De trailer vindt u hier.

Verlies en de maakbaarheid van het leven
In Een mislukt eerbetoon aan de moederliefde schetst Dan Geesin een even bevreemdende als herkenbare wereld. Het is 2030, we zijn ergens in Noord-Nederland waar de regels van het bestaan een absurdistische draai hebben gekregen. Emoties die te lang worden opgekropt, leiden hier niet tot stille wanhoop, maar tot letterlijke explosies. Om de samenleving enigszins leefbaar te houden, zijn er ontplofcabines ingericht: plekken waar je gecontroleerd uit elkaar kunt spatten.
Maakbaarheid
Tegen deze achtergrond ontvouwt zich een verhaal over verlangen, verlies en de maakbaarheid van het leven. De film opent met een conflict: een man wil kinderen, zijn vrouw niet. Wanneer zij uiteindelijk – in lijn met de logica van deze wereld – ontploft, blijft hij achter met een onvervulde kinderwens en een leegte die niet zomaar te dichten is. Zijn toevlucht zoekt hij bij zijn moeder, een aandoenlijke, licht excentrieke heks die liefdesdrankjes brouwt en gelooft in de maakbaarheid van geluk, mits men bereid is offers te brengen.
Opoffering
Die offers worden in de film letterlijk genomen. Ouderschap betekent hier dat je letterlijk delen van jezelf opgeeft, verwerkt tot iets nieuws – een kind als product van opoffering en intentie. Het is een scherpe, bijna cynische reflectie op hedendaagse opvattingen over opvoeding, waarin investeren in je kind gelijk zou staan aan succesgarantie. Geesin prikt die illusie door: geluk laat zich niet afdwingen, het is niet maakbaar: toeval, pech en lot spelen minstens zo’n grote rol.
Visueel contrasteert de film zijn bizarre premissen met verstilde, bijna schilderachtige beelden van het Groningse landschap. Juist die herkenbaarheid maakt de absurditeit van de gebeurtenissen des te indringender. Het surreële sijpelt langzaam binnen in het alledaagse, zonder ooit volledig te worden genormaliseerd.
Fragmentarisch
Toch weet de film zijn thematische ambities niet altijd waar te maken. De fragmentarische aanpak is daar debet aan: wie is bijvoorbeeld toch dat geblinddoekte meisje dat af en toe opduikt? Dat lijkt samen te hangen met Geesins eigen bekentenis: hij noemt zichzelf chaotisch, iemand die van de hak op de tak springt en moeite heeft om direct te communiceren.
Geesins motief om deze film te maken was overigens uiterst persoonlijk: zijn eigen onvervulde kinderwens en de burn-out die daarop volgde, door hem zelf omschreven als ‘een innerlijke explosie’.
Henk Maassen
Roman
Transcriptie, Ben Lerner, [Vertaling: Arthur Wevers], Atlas Contact, 160 blz., 19,99 euro

‘Je noemt het fictie, maar het is meer’
Wat gebeurt er als je als journalist een interview wilt opnemen en kort voor het gesprek valt je smartphone dood neer in de wasbak? Het overkomt de 45-jarige naamloze verteller van Transcriptie. Hij wil Thomas, zijn 90-jarige mentor van vroeger, interviewen over zijn leven en werk. Thomas is historicus, maker van toneel en film, en allesweter. Hij heeft niet in de gaten dat de opname niet werkt, ziet de verteller aan voor zijn zoon Max – een bijzondere vorm van een overdrachtsrelatie. Het zal niet de enige keer zijn dat Freud op een afstandje staat mee te kijken.
Oude en nieuwe aandoeningen
In kort bestek schudt de Amerikaanse schrijver Ben Lerner (1979), wiens ouders psychotherapeut zijn, de lezer compleet door elkaar. Zijn roman zit stampvol psychiatrie, met oude en nieuwe aandoeningen, van Capgras tot ARFID. Het gaat over dromen die volgens Thomas niet van één persoon, maar collectief, van alle mensen zijn. Maar ook over hoe je het horen van stemmen in bestaande geluiden moet zien, over de invloed van beeldschermen, over moeilijke en verstoorde relaties met vrienden en binnen gezinnen; onder andere met een afstandelijke vader en een verdwenen Joodse moeder.
Inzinking
De meeste indruk maakt het ‘exitgesprek’ van Max met zijn vader Thomas die in het ziekenhuis ligt met Covid. Via zijn iPad en ten slotte via zijn telefoon. Geheel van deze tijd is al het gedoe van Max’ dochter Emmie met eten. En nee, het is geen anorexia.
De verteller heeft ooit een inzinking gehad, een psychose mag je het niet noemen; hij hoorde onder andere gelach in het ritselen van droge bladeren. ‘Ons hallucineren is sociaal’, zei Thomas toen geruststellend tegen hem. Daardoor voelde de verteller zich minder gestoord en eenzaam. Thomas heeft hem toen geholpen, met kunsttherapie. Thomas heeft hem gered. Maar Arjun, een studiegenoot, had minder geluk. Bij Arjun bleven de klachten bestaan.
Mooiste zin: ‘Onmogelijk fijne vezels van glas onder de grond, onder water, in de longen, in de cochlea, die trillen wanneer ze worden geraakt door de kleine golven – je noemt het fictie, maar het is meer.’
Aan het slot is lang niet alles duidelijk. Dan ga je het boek opnieuw lezen. Om te weten te komen wat er met ‘Dignitas’ en ‘naar Zwitserland gaan’ bedoeld wordt.
Intrigerende roman.
Hans van der Ploeg, psychiater