Deze keer twee essayistische publicaties over het voortrazende leven dat zonder aanzien des persoons de blinde pech van ernstige ziekte en achteraf bezien verkeerde afslagen in petto kan hebben; een roman over een arts die verdacht wordt van moord maar het beste voorhad met zijn patiënt en ten slotte een film over een wolfskind met de waarschuwing: sluit mensen niet op in hun verhalen.
Eindredactie/correctie: Cathri van de Haar
Reacties in de vorm van opmerkingen, vragen, tips, kritiek en/of lof kunnen naar: scoop0329@gmail.com
Non-fictie
Elke dag. Over de drie stadia van sterfelijkheid, De Bezige Bij, 172 blz., 23,99 euro

Het onbeweeglijk voortrazende leven
‘Boeken over ziekte en ziekenhuizen lees ik niet graag, en het zou dus ook niet logisch zijn er zelf eentje te schrijven. De clichés van die witte medische wereld met zijn terugkerende gesprekken, behandelingen, scans en controles, om van het vele wachten nog te zwijgen, liggen voortdurend op de loer. Het echte, essentiële onderwerp, zo realiseerde ik me, is ook niet ziekte, kanker of een ziekenhuisverblijf. Dat zijn slechts de symptomen, de gevolgen. Het onderliggende onderwerp is waar het om gaat, en dat is de menselijke sterfelijkheid.’ Maarten Asscher (1957) maakt in het ‘Vooraf’ van zijn ‘autobiografische essay-cum-memoir’ Elke dag meteen duidelijk waarom het hem is te doen. En dat zonder de pretentie, zo zal hij ons later voorhouden, ‘iets heel origineels over sterfelijkheid, leven, ziekte en dood, jeugd en ouderdom te beweren’. Hetgeen niet wegneemt dat de schrijver en voormalig uitgever/ boekverkoper een prachtig boek heeft geschreven.
Immuuntherapie
In 2014 kreeg Asscher de diagnose blaaskanker. Die werd met succes behandeld, maar negen jaar later bleek de kanker tijdens een controle in alle hevigheid te zijn teruggekeerd. Als onderdeel van zijn behandeling kreeg hij het afgelopen jaar immuuntherapie. Door een zeldzame bijwerking begon zijn lichaam echter zijn eigen spieren aan te vallen, waardoor zijn onderlichaam tijdelijk verlamd raakte en zijn hartspier werd beschadigd. Tal van ziekenhuisopnamen waren nodig. Zijn gezondheid is fragiel, voorzien als hij is van een pacemaker en een dagelijkse hoeveelheid pillen. Zijn overlevingskans is niet groot, valt op te maken uit hetgeen hij daarover meedeelt. Maar hoe groot of klein, daarover laat hij de lezer in het ongewisse. Zijn ziekte en behandeling zijn aanleiding voor een reeks losjes aaneengeregen lucide genoteerde, essayistische overpeinzingen.
Kerkhof bij de zee
Leidraad is het werk van literaire grootheden als Thomas Gray, Emily Dickinson, Fernando Pessoa, William Shakespeare en de doodsverachter Elias Canetti. Maar Asscher vertelt ook over de lotgevallen, misschien beter sterfgevallen, van een aantal min of meer intieme vrienden zoals uitgever en minnaar van de letteren Johan Polak, schrijver Frans Kellendonk, journalist/auteur Michael Zeeman en uitgever/dichter Theo Sontrop. Belangrijke ruggengraat in zijn vertoog is een lang het gedicht van Paul Valéry: Le Cimetière Marin (Het kerkhof bij de zee, in Asschers vertaling). In 24 strofen van 6 regels onderzoekt Valéry daarin verschillende perspectieven op zijn eigen sterfelijkheid. Hij doet dat aan de hand van een begraafplaats in zijn geboortestad Sète, een havenstadje aan de Franse zuidkust. Voor Valéry is de dood ‘als een worm die onweerlegbaar vreet’. Citaat uit dat gedicht:
Zelfhaat of eigenliefde? Zijn geheime
venijnigheid bijt altijd zo dicht bij me
dat men haar elke naam zou kunnen geven!
Wat maakt het uit! Hij kijkt, wil, denkt, hij raakt
mij aan, met smaak! Of ik nu slaap of waak,
ik leef om te behoren aan zijn leven!
Zeno! Zeno van Elea! Hoe wreed zijt gij!
Uw vleugelpijl die trilt en vliegt heeft mij,
al vliegt hij ook weer niet, doorboord!
’t Geluid schenkt leven en de pijl verwondt!
O schildpadschaduw voor de ziel…De zon!
Achilles haast zich onbeweeglijk voort!
Stadia
Dat ‘zich onbeweeglijk voorthaasten’ – dat is voor Asscher het beeld voor hoe de menselijke sterfelijkheid functioneert. Hij stelt vast dat er drie stadia zijn. Het eerste stadium is dat je van de dood nog geen weet hebt en het onderwerp niet echt tot je doordringt. Het tweede stadium begint vanaf het moment dat je voor het eerst ten volle met het sterven van andere mensen geconfronteerd wordt. En het derde breekt aan als het ernaar uitziet dat de dood nu jou op het oog heeft. Sterven, stelt hij vast, is geen kortstondige gebeurtenis, geen op zichzelf staande verandering van toestand, maar eerder een proces: een aaneenschakeling van pijnlijke, verdrietige en uiteindelijk onomkeerbare fases. Zoals het leven volgens sommigen begint met groeispurten, zo laat je sterfelijkheid zich zien in momenten van verval. Daarna lijkt alles zich een tijdlang te stabiliseren, totdat zich opnieuw een fase van achteruitgang aandient.
Prachtig is de vergelijking die Asscher maakt tussen de verwoestende aardbeving annex tsunami die op 1 november 1755 Lissabon verwoestte – en de inwoners in diepe twijfel deed verzinken over hun geloof in en de goedheid van een rechtvaardige God – en de ramp op individueel niveau die een kankerdiagnose betekent: allebei blinde pech, blind noodlot.
Maar het gaat in zijn boek ook over broederliefde, over een brief aan zijn jongere ik, de overgave aan het (of een) geloof als de laatste uren slaan en onsterfelijkheid: ‘Zoals het tegenovergestelde van lawaai niet simpelweg stilte is, maar muziek, zo is het tegenovergestelde van de dood niet het leven, maar onsterfelijkheid.’
Eindeloos heden
Het vreemde is, zo moet Asscher constateren, dat hij zich in al die opeenvolgende ziekenhuisbedden niet met het perspectief op zijn nog resterende levensjaren bezighield. ‘Kennelijk is er iets in de omstandigheden van een ziekenhuisverblijf dat een mens vasthoudt in het heden, in alle praktische dingen die er op een dag gebeuren. En dat heden duurt eindeloos.’ Tijd en ruimte schuiven ineen tot een enkele, egale sensatie, het is inderdaad alsof het leven onbeweeglijk voortraast. En jazeker: Asscher vergeet daarbij niet te denken aan Hans Castorp.
Henk Maassen
Non-fictie
Ik ben hier liever niet alleen, Marjoleine de Vos, Van Oorschot, 96 blz., 17,50 euro

‘Goed leven, daar gaat het om.’
Na haar prachtige autobiografische boekje over haar eigen ziekte (Zo hevig in leven) verscheen onlangs van Marjoleine de Vos Ik ben hier liever niet alleen. De ondertitel is ‘Over verbondenheid’. Opnieuw een autobiografisch boek, en opnieuw ben ik zeer enthousiast over de wijze waarop de schrijfster haar leven filosofisch uitpluist. Dit boek gaat over haar relatie met haar jongste broer, die ergens na hun jeugd een andere afslag in het leven heeft genomen. Ernstige verslavingen (heroïne) en antisociaal gedrag maken deze relatie uiterst moeizaam. Wat de oorzaak daarvan is, is onduidelijk, of zoals ze het zelf zegt: ‘Maar als je niet één betrekkelijk kleine reactie isoleert, en die aanwijst als “het begin” of niet stopt bij de directe oorzaak, dan is het aantal oorzaken oneindig. Een grassprietje buigt, ik weet waarom: het is de wind. Maar dan opeens opent zich meteen een afgrondelijk perspectief: hoe komt die wind zo te waaien? Hoe komt die grasspriet daar zo te staan? Eindeloos ver kan ik gaan in mijn verklaringen en vast en zeker blijkt Napoleon er ook iets mee te maken te hebben. Maar verklarende kracht hebben die oorzaken allang niet meer. Als je het determinisme serieus neemt krijgt het weer verrassend veel weg van willekeur. Het is niet voor niets dat Borges spreekt over een “labyrint” en dat hij menigmaal verzucht dat de mens snakt naar een plattegrond van het labyrint.’
Oorzakelijk denken
Met een paar zinnen wordt het oorzakelijke denken gefileerd. En dat is niet zonder betekenis, want oorzaak en schuld horen bij elkaar. Wie in die termen denkt, laat het familielid in nood dat niet deugde in de steek. Marjoleine de Vos doet dat niet als haar broer een dodelijke vorm van kanker blijkt te hebben: ‘Ook al vind ik de dood, die steeds vaker in de buurt rondhangt, verschrikkelijk, toch denk ik: lang leven, ach, dat is niet het belangrijkste. Goed leven, dáár gaat het om. Zinvol, betekenisvol. Maar misschien is dat niet waar, als het erop aankomt. Misschien gaat het inderdaad alleen maar om leven. Mijn broer gaf dat wel te denken. “Goed” is zijn leven niet geweest. Maar hij wilde het beslist niet kwijt. Hij wilde het licht van de zon zien, zoals de Grieken eenvoudigweg zeiden.’
En hoe gaat dat dan, een broer en een zus die van elkaar vervreemd zijn? Marjoleine zou wel troostrijke gedichten willen lezen, maar nee, dat is niets voor hem. ‘Maar mijn broer las echt geen gedichten. Hij draaide natuurlijk wel muziek, keiharde, die de hele straat wakker maakte, maar ook weleens gewoon, neem ik aan. ’Toch lukt het hen om, ondanks alles, met elkaar te praten.
Een prachtig verslag met filosofische uitweidingen!
Arko Oderwald
Roman
De krenking, Wanda Reisel, Atlas Contact, 204 blz., 21,99 euro

Palliatieve sedatie mondt uit in moordzaak
Als zijn terminaal zieke patiënt met uitgezaaid slokdarmcarcinoom dreigt te stikken in zijn bloed besluit waarnemend huisarts Levi Levi tijdens een palliatieve sedatie een heel grote dosis morfine en dormicum te geven, hetgeen de dood van de patiënt tot gevolg heeft. Een tijdje later wordt hij door de politie van zijn bed gelicht op beschuldiging van moord. Een in alle opzichten ontwrichtende ervaring. Met die laatste gebeurtenis opent de nieuwe roman van Wanda Reisel: De krenking.
Zaak Tuitjenhorn
Reisel baseerde haar roman op de spraakmakende Tuitjenhorn-affaire: op 20 september 2013 komt huisarts Nico Tromp uit Tuitjenhorn weer thuis. Hij heeft dan twee weken op een gesloten afdeling gezeten wegens een zware depressie. In die periode is hij verhoord over zijn handelen aan het sterfbed van zijn patiënt Theo Spaansen, een maand eerder. Hij heeft hem hoge doses morfine en dormicum toegediend, waarna Spaansen is overleden. De familie is tevreden. Maar de coassistent die erbij was, is ongerust over het handelen van de huisarts, en doet verslag bij haar opleider in het AMC. Deze opleider overlegt met de inspectie die een onderzoek start en het Openbaar Ministerie inschakelt. Tromp krijgt hiervan niets te horen en merkt pas dat er wat aan de hand is als inspectie en OM een inval doen in zijn huis. Hij meldt zich ziek en zal nooit meer werken. Begin oktober zet de inspectie de arts publiekelijk op non-actief met een bevel. Tegelijk neemt de rechter-commissaris hem in bewaring maar schort dit onder voorwaarden op. Die nacht beneemt huisarts Tromp zich het leven.
Reisel volgt dit drama in De krenking niet op de voet en brengt bovendien nog een extra schakel in: de huisarts, een loner die in een camper in de duinen bivakkeert, wordt hier niet bijgestaan door een coassistent, maar door de praktijkassistente. Die heeft weer een vriend die coassistent is en die vertelt het voorval aan zijn opleider interne geneeskunde, die vervolgens contact opneemt met de inspectie.
Huidige generatie dokters
Dankzij Reisels Plattegrond van een jeugd (2010) weten we dat ze opgroeide in een groot huis in de buurt van het Vondelpark, waar haar vader als internist een praktijk aan huis had. Haar moeder was verpleegkundige, grootvader van moederszijde een prominent gynaecoloog. Misschien dat haar ervaringen in die omgeving maken dat ze wat mismoedig is over de huidige generatie dokters, ‘die volledig van de leg raakt als medisch handelen niet het heroïsche, fluwelen proces blijkt te zijn zoals voorgesteld. Niet voorbereid op de emoties rond dit soort sterven en in plaats daarvan verontwaardigd over de beroepskilte. De dood doet zich in dit vak vaker voor dan je wilt, dus kom je als arts onder druk voor ethisch lastige vragen te staan, waarbij de afweging maken niets anders is dan kiezen tussen lijden of dood, wat meestal neerkomt op de trekker van het pistool overhalen. De verantwoording nemen voor iets afschuwelijks als doodgaan lijkt voor deze jonge generatie bijna onmogelijk. Doodgaan? Streng verboden.’
Bovendien bewijst het optreden van de inspectie dat er iets grondig mis is met het vigerende ethisch besef volgens Levi (en Reisel zelf mag je aannemen). De geest van de wet lijkt vervlogen: ‘Nooit alleen de letter van de wet, altijd per geval de interpretatie ervan, zo heb ík het geleerd.’ Zo niet, dan vernielt dat onherroepelijk het fundament waarop je als arts handelt.
Terminaal zieke vader
Naast de centrale plot weeft Reisel verschillende nevenverhaallijnen door haar roman, die in zeker opzicht een voortzetting is van Nacht over Westwoud (2011). Toen werkte Levi ook al als waarnemer voor een plattelandsarts. En opnieuw is daar de moeizame relatie van Levi met zijn dominante, nu terminaal zieke vader, een beroemde chirurg met een verdrongen oorlogsverleden. Hij belichaamt een andere generatie en een andere vorm van (medische) autoriteit. Verder is er de liefdevolle band van Levi met zijn bezorgde dochter, de moeizame relatie met zijn ex, de band die hij onderhoudt met de echtgenote van de zieke arts die Levi moet vervangen en zijn verontrustende kennismaking met Thera en Falco: twee alternatieve genezers die met complottheorieën en suggestie invloed uitoefenen op kwetsbare mensen.
Contrapunt
Reisel wil veel laten zien met deze roman, iets te veel. Maar ze doet dat bij tijd en wijle wel met de nodige spot; met name alternatieve genezers krijgen ervan langs. Alle verhaallijnen grijpen, soms nogal geconstrueerd, in elkaar en vormen zo deels een contrapunt met de medische wereld van Levi. Waar hij worstelt met verantwoordelijkheid, bewijs en ethiek, opereren bijvoorbeeld Thera en Falco in een domein van geloof en illusie, heeft zijn vader een schier onneembare vesting rond zijn traumatische verleden gebouwd, en blijkt zijn dochter hem nogal wat leugens op de mouw te hebben gespeld.
Dat alles raakt dan weer aan thematiek die we kennen uit eerder werk van Reisel: de al te menselijke behoefte aan bedrog en zelfbedrog, aan illusoire hoop. Bij uitstek iets waar dokters mee te dealen hebben. Maar het raakt ook aan het besef van Levi daar zelf niet vrij van te zijn. Hij vult het alleen op een andere manier in: ‘En ik dacht aan die eeuwige handelaars in hoop, priesters, kwakzalvers, oplichters, en ik zag in dat die hoop, hoe absurd ook, niet erg ver af stond van mijn eigen verlangen. Maar dat dat verlangen geen plek was in de verte, maar een beweging, een wandeling bijvoorbeeld, langs een kust.’
Henk Maassen
Film
The Wolf, The Fox and the Leopard, vanaf 16 april in de bioscoop en te zien via picl.nl
De trailer vindt u hier.

Wolvenkind opgesloten in een verhaal
In The Wolf, the Fox and the Leopard van David Verbeek bevindt de wereld zich op de rand van een totale klimaatcollaps, met bosbranden, aanhoudende regens en stijgende temperaturen die het dagelijkse nieuws beheersen. Apocalyptisch en tegelijkertijd niet ver van de huidige werkelijkheid. Centraal staat een meisje (een onwaarschijnlijk overtuigende rol van Jessica Reynolds) dat tussen wolven leeft, een wezen op de grens van natuur en mens. Wanneer zij wordt gevonden, wordt ze ondergebracht in een wetenschappelijk lab, waar ze door artsen als curiositeit wordt onderzocht. Twee milieuactivisten kidnappen (bevrijden?) haar en nemen haar mee naar een verlaten boorplatform. Ze zien haar als een uitverkorene die een zieke wereld moet genezen. De aarde heeft immers koorts, en zij lijkt de remedie: een kracht van de natuur zelf. Ze noemen haar One.
Konijnenhol
Wanneer het meisje uiteindelijk toch in de ‘echte’ mensenwereld terechtkomt, krijgt ze een nieuwe naam: Alice. En net als haar illustere naamgenoot daalt ze steeds dieper af in een konijnenhol, maar dan dat van de enghartige en benauwende menselijke regels, conventies, illusies en constructies. Door haar ogen wordt de mens een vreemd dier: een wezen dat zijn instincten nauwelijks beheerst, maar zichzelf toch boven de natuur plaatst. Zelfs wanneer Alice ogenschijnlijk integreert en socialiseert – ze werkt als kassamedewerkster en volgt rijlessen – lijkt het alsof ze nooit helemaal mens kan worden, of misschien juist laat zien wat menszijn werkelijk betekent.
In een interview zegt maker David Verbeek daarover: ‘Wat is de essentie van menszijn, als je de programmering achterwege laat? Wat zou zo’n verhaal nu betekenen, met ons evoluerende begrip van de voetafdruk van onze samenleving op de planeet? En hoe ziet de confrontatie eruit tussen dat pure, aangeboren gevoel van zijn dat zij heeft en onze wereld die gedreven wordt door narratieven?’
Maskers
Dat verklaart ook waarom hij juist voor een Japanse voice-over koos, want de Japanse samenleving wordt volgens hem gekenmerkt door een uitgebreide culturele etiquette. ‘De Japanners zijn meesters in het dragen van maskers en het presenteren van zichzelf op sociaal aanvaardbare manieren.’ Die Japanse vertelster is een rol van de fameuze filmmaakster Naomi Kawase (zie ook hier), die ook de dokter blijkt te zijn die het wolfsmeisje ontdekte. De vertelster kadert haar verhaal als een sprookje, alsof ze het voor kinderen heeft opgeschreven, maar wat we zien is allesbehalve geruststellend. Ze sluit Alice op in een verhaal: dat moet wel slecht aflopen. Verbeek: ‘De film legt meedogenloos bloot dat narratie, en vooral iemands verhaal vóór hen vertellen, een daad van geweld is. Haar omstandigheden in de natuur zijn wreed, traumatiserend. Maar wat daar niet was, is storytelling. Ze hoefde geen verhaal te maken van haar leven, het gebeurde gewoon.’
Ideeën
The Wolf, the Fox and the Leopard is rijk aan ideeën: als kijker ben je soms meer bezig met ontcijferen daarvan dan met meevoelen met het wolvenkind. Maar misschien is dat precies Verbeeks punt: in een wereld die op instorten staat, is zelfs onze manier van betekenis geven fragmentarisch geworden.
Twee klassiekers van meer dan vijftig jaar geleden gingen hem voor: Francois Truffauts L’Enfant sauvage (1970) en Werner Herzogs Jeder für sich und Gott gegen alle (1974). Er is trouwens ook een dramatisch voorbeeld uit de recentere werkelijkheid.
Hoe werkt de tijdgeest van de jaren zestig, zeventig door in beide films en waarin verschillen ze van The Wolf, the Fox and the Leopard ? Het zou een onderzoekje waard zijn.
Henk Maassen