Ter Plekke – Parijs (8) – De existentialisten (en een (neo)structuralist)

Ter Plekke – Parijs (8) – De existentialisten (en een (neo)structuralist)
Start van de wandeling: Rue Férou, Le Bateau Ivre
Kosten: geen

Deze wandeling is een voortzetting van de wandeling door de Jardin Luxembourg. Die zijn we geëindigd in de Rue Férou, waar het gedicht Le Bateau Ivre van Rimbaud op de muur staat. We lopen nu de Rue du Canivet in, een kort straatje dat eindigt in de Rue Servandoni

Geen bordje op de muur, maar hier op nummer 11 woonde Roland Barthes. En omdat Roland Barthes volgens mij wel een bordje verdient, staan we even bij hem stil.

Roland Barthes (1915 – 1980) was een Frans literatuurcriticus en -theoreticus, semioticus en filosoof, beïnvloed door de semiotiek en het structuralisme.
Hij wordt opgevoed door zijn moeder Henriette en zijn grootouders in de stad Bayonne. Van zijn tante krijgt hij pianoles. Op zijn negende verhuist Barthes met zijn moeder naar Parijs.
Barthes studeert van ’35 tot ’39 klassieke letteren aan de Sorbonne. Gedurende deze periode kwakkelt hij met zijn gezondheid. Hij lijdt onder andere aan tuberculose en hij brengt een gedeelte van de oorlogsjaren door in sanatoria. Verslag daarvan deed hij in Roland Barthes par (door) Roland Barthes.

Elke maand werd er een nieuw blad aan het uiteinde van het oude geplakt, uiteindelijk waren er meters en meters: een kluchtige manier om zijn lichaam in de tijd te schrijven. Pijnloze, ongrijpbare ziekte, schone ziekte, zonder geuren, zonder ‘het; zij had geen andere kenmerken dan haar eindeloze duur, en het sociale taboe van de besmetting; verder was men ziek of genezen, abstract gezien, zuiver en alleen op grond van een besluit van de arts; en terwijl andere ziekten desocialiseren, wierp de tuberculose van haar kant je een kleine etnografische maatschappij binnen die iets van een stamverband, een kloostergemeenschap, van een phalanstère had: riten, regels, bescherming.

Bij het Centre National de la Recherche Scientifique (CNRS) doet hij onderzoek en in 1977 krijgt hij een hoge positie aan het Collège de France. Datzelfde jaar overlijdt zijn moeder, met wie hij al die tijd had samengewoond. In 1980 wordt zijn laatste boek uitgebracht, La chambre claire. Dat jaar wordt hij aangereden door een bestelwagen. Hij raakt zwaargewond en overlijdt een maand later, op 64-jarige leeftijd.

Roland Barthes heeft vele publicaties op zijn naam, waarvan hier enkele, mijn favorieten:
Mythologieën. In 1957 publiceert hij het boek Mythologies. Hierin analyseert hij, met behulp van de linguïstiek van de Saussure, alledaagse beelden en producten uit de populaire cultuur (van het Frankrijk van de jaren vijftig), waaronder wijn, kapsels van Romeinen in Hollywoodfilms, biefstuk met friet, worstelaars, de Citroën DS en nieuwsfotografie. Het boek bestaat uit een verzameling losse stukjes, gevolgd door een meer analytisch en theoretisch deel.
De dood van de Auteur
In 1968 publiceert Barthes het essay “La mort de l’Auteur”, waarin hij de auteur doodverklaart. Hiermee bedoelt hij dat de auteur van een tekst niet de betekenissen in een tekst legt die een lezer uit de tekst haalt, maar dat de lezer zelf betekenissen aan de tekst geeft en zelfs voortdurend verschillende betekenissen vindt.
Fragments d’un discours amoureux (1978) is wat mij betreft het hoogtepunt in zijn oeuvre. In dit boek verlaat hij het strakke structuralisme definitief door allerlei fragmenten over de liefde geheel toevallig rangschikt volgens het alfabet. Op die manier ontstaat er in welke vertaling dan ook telkens een ander boek. Strakke structuur wordt vervangen door het toeval.
La chambre claire is een van de mooiste boeken over fotografie.
Journal de Deuil is ver na zijn dood, in 2009, verschenen. Het is gebaseerd op losse notities over de dood van zijn moeder, die men in zijn nalatenschap heeft gevonden. Het is een van de mooiste boeken over rouw die ik ken.

‘Rouw’
In een monoloog aan AC uitgelegd hoe chaotisch, ongeregeld mijn rouw is, in welk opzicht die ingaat tegen de gangbare – en psychoanalytische – opvatting over rouw die van het verstrijken van de tijd afhankelijk is, een dialectisch verloop kent, slijt en ‘verwerkt’ wordt. Het verdriet heeft niets meteen weggenomen – maar daar staat tegenover dat het niet slijt.Waarop AC antwoordt: dat is nu rouw. (Die neemt dan de vorm aan van subject van Kennis, van Reductie) – dat doet me pijn. Ik kan het niet verdragen dat men mijn verdriet reduceert – generaliseert – Kierkegaard”: het is alsof men mij berooft van mijn rouw.
(……)
Waarom kan ik niet meer tegen reizen? Waarom wil ik steeds, als een verdwaald jongetje, ‘naar huis terug’ – waar mam. toch niet meer is?
Met mam. ‘in gesprek’ blijven (het gezamenlijk praten was de aanwezigheid) vindt niet plaats als een inwendig gesprek (ik ben nooit met haar ‘in gesprek geweest’), maar als levenswijze: ik probeer dagelijks volgens haar waarden door te gaan met leven: een beetje het eten dat zij klaarmaakte terug te vinden door het zelf klaar te maken, haar huishoudelijke orde in stand te houden, het samengaan van ethiek en esthetiek dat de onvergelijkelijke manier was waarop zij leefde, het dagelijks werk deed. Maar die ‘persoonlijkheid’ van het huishoudelijke empirische is op reis niet mogelijk – is alleen mogelijk als ik thuis ben. Reizen is me van haar scheiden – nog meer nu zij er niet meer is – zij nog slechts het meest intieme van het dagelijks leven is.
De plaats in de kamer waarin ze ziek is geweest, waarin ze gestorven is en waarin ik nu woon, de muur waar het hoofdeinde van haar bed tegenaan stond, daar heb ik een icoon geplaatst – niet uit geloof – en ik zet er altijd bloemen op een tafel. Ik kom zover dat ik niet meer wil reizen, zodat ik daar kan zijn, zodat er nooit verwelkte bloemen staan.

(Roland Barthes: Rouwdagboek)

Nog een laatste observatie van Barthes:

24 augustus 1979
(Gisteravond.) In Le Flore, waar ik een Le Monde zonder groot nieuws lees, hebben twee jongens naast me (de ene ken ik van gezicht en we zeggen elkaar zelfs goedendag; zijn regelmatige trekken geven hem iets moois, maar hij heeft grove nagels) het uitvoerig over de wekdienst: de telefoon gaat twee keer, maar daar blijft het bij, al ben je dan nog niet wakker; dat gebeurt nu allemaal met de computer, enz. In de metro, waar ik behoorlijk wat jonge buitenlanders meende te zien (misschien van de Gare du Nord en de Gare de l’Est), liep een folkgitarist in een van de wagons te schooien; zorgvuldig koos ik de wagon ernaast, maar in station Odeon veranderde hij zelf van wagon en stapte in de mijne (zo gaat hij vast de hele trein af); toen ik dat zag glipte ik naar buiten en stapte in de wagon waar hij net uit kwam (die schooierij stoort me altijd als een vorm van hysterie of afpersing, ook om het aanmatigende ervan, alsof het vanzelf spreekt dat ik op elk ogenblik zin heb in die muziek of gewoon in muziek). Ik stapte uit in Strasbourg – Saint Denis, door het hele station galmde een solo spelende saxofoon; in de bocht van een van de gangen zag ik een slanke jonge neger die sax speelde en dat oorverdovende, ‘onbezonnen’ lawaai voortbracht. Het vervallen karakter van de wijk. Ik lokaliseerde de rue d’ Aboukir en dacht aan Charlus, die het erover heeft; ik wist niet dat ze zo dicht bij de Boulevards uitkwam.

(Roland Barthes: Parijse avonden (postuum uitgegeven)

We laten Roland Barthes achter in zijn overpeinzingen over het leven in Parijs en lopen linksaf de Rue Servandoni in. Het zijn maar een paar stappen en we staan voor de zijingang van de Saint Sulpice kerk. Deze kerk is uit de 17e-eeuw in de gelijknamige wijk van Parijs. De kerk is gewijd aan de heilige Sulpicius de Vrome.

De kerk is 118 meter lang en 57 meter breed. Dit is niet veel korter dan de Notre-Dame van Parijs en hiermee is het de op een na grootste kerk van Parijs. Onder de kerk liggen meerdere crypten, die samen vrijwel hetzelfde oppervlak hebben als de kerk zelf. De Saint-Sulpice is bekend door het grote orgel (1862) van Aristide Cavaillé-Coll dat nog in orginele toestand is. Toen het opgeleverd werd, was het een van de weinige orgels met 100 registers in Europa.
We lopen linksaf de kerk in en helemaal aan het eind aan je linker hand is de Saint-Anges-kapel die door Eugène Delacroix is gedecoreerd.

Eugène Delacroix (1798 –1863) wordt gezien als de belangrijkste Franse kunstschilder van de romantiek, naast Théodore Géricault. Hij wordt ook wel een “literair schilder” genoemd (onder meer door Baudelaire) omdat hij zijn thema’s vaak ontleende aan schrijvers.

We lopen de Saint Sulpice kerk weer uit aan de voorkant en komen op het Place Saint Sulpice. Kijk naar rechts. Daar zie je het Café de la Mairie, op de foto met de rode luifels, beroemd geworden door Georges Perec, ook al heette het café toen anders.

Georges Perec (1936 – 1982) was een Frans auteur. Hij werd bekend door zijn boek La Disparition uit 1969, een literaire thriller rondom de verdwijning van de letter ‘e’. In het verhaal van ruim 300 pagina’s komt die letter geen enkele maal voor.
In 1978 publiceerde hij zijn magnum opus La Vie mode d’emploi, romans. ‘Romans’ in het meervoud want het gaat om honderden verhalen die met elkaar verbonden worden door een gebouw met negen woonniveaus en een kelderniveau aan de Simon-Crubellierstraat nr 11 in Parijs. Honderden verhalen, honderden stijlen, van kitsch tot luxe, van boodschappenlijst tot filosofische beschouwingen, van nonsens tot schaakproblemen. Dit boek werd bekroond met de ‘Prix Médicis’.

Maar wij staan nu op het Place Saint Sulpice, en daar schreef hij Tentative d’epuisement d’un lieu parisien (1974), in het Nederlands vertaald als Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs. Perec ging dagenlang in het café achter een raam zitten en beschreef wat hij zag.

Er zijn veel dingen op de Place Saint-Sulpice, bijvoorbeeld: een gemeentehuis, een belastingkantoor, een politiebureau, drie cafes waarvan een met tabakswaren, een bioscoop, een kerk waaraan Le Vau, Gittard, Oppenord, Servandoni en Chalgrin hebben gebouwd en die is gewijd aan een aalmoezenier van Chlotharius 11, die tussen 624 en 644 aartsbisschop van Bourges was en op 17 januari wordt herdacht, een uitgeverij, een begrafenisonderneming, een reisbureau, een bushalte, een kleermaker, een hotel, een fontein met beelden van de vier grote christelijke kanselredenaars (Bossuet, Fenelon, Hechler en Massillon), een krantenkiosk, een verkoper van religieuze voorwerpen, een parkeerplaats, een schoonheidssalon en nog vele andere dingen.
Een groot deel, zo niet het merendeel van deze dingen, is beschreven, opgesomd, gefotografeerd, verteld of geïnventariseerd. Mijn bedoeling op de volgende pagina’s was vooral al het andere te beschrijven: dat wat je gewoonlijk niet opmerkt, wat er niet toe doet: wat er gebeurt wanneer er niets gebeurt, behalve tijd, mensen, auto’s en wolken.

Datum: 18 oktober 1974
Tijd: 10.30 u
Plaats: Bar-tabac Saint-Sulpice
Weer: Droge kou. Grijze lucht. Af en toe een opklaring.
Een inventarisatie van enkele van de direct zichtbare dingen:

  • Letters van het alfabet, woorden: ‘KLM’ (op de vestzak van een wandelaar), een hoofdletter ‘P’ voor ‘parkeerplaats’; ‘Hotel Recarnler’, ‘St. Raphael’, ‘Spaargeld op drift’, ‘Begin taxistandplaats’, ‘Rue du VieuxColombier’, ‘Brasserie-bar La Fontaine de Saint-Sulpice’, ‘p ELF’, ‘Parc Saint-Sulpice’.
  • Alledaagse symbolen: pijlen onder de P’s van parkeerplaatsen, de ene ietwat naar de grond gericht, de andere naar de Rue Bonaparte (richting Jardin du Luxembourg), minstens vier verkeersborden voor eenrichtingsverkeer (een vijfde weerspiegelt in een raam van het cafe).
  • Cijfers: 86 (op een bus van lijn 86, boven de bestemming: Saint-Germain-des-Pres}, 1 (bordje van huisnummer 1 in de Rue du Vieux-Colombier), 6 (op de plaats die aangeeft dat we ons in het zesde arrondissement van Parijs bevinden).
  • Vluchtige slogans: ‘Vanuit de bus zie ik heel Parijs’
  • Grond: opgehoopt grind en zand.
  • Steen: stoepranden, een fontein, een kerk, huizen …
  • Asfalt
  • Bomen (in blad, grotendeels vergelend)
  • Een vrij groot stuk lucht (misschien 1/ 6 van mijn gezichtsveld)
  • Een zwerm duiven die plotseling op het plein neerstrijkt, tussen de kerk en de fontein
  • Voertuigen (nog te inventariseren)
  • Mensen
  • Een soort van basset
  • Een brood (stokbrood)
  • Een krop (krul?)sla die deels uit een boodschappenmand steekt

Trajecten:
De 96 gaat naar Gare Montparnasse
De 84 gaat naar Porte de Champerret
De 70 gaat naar Place du Dr-Hayem, Maison de l’o.R.T.F.
De 86 gaat naar Saint-Germaln-des-Pres

Vraag om Roquefort Soclete de echte in het groene ovaal. Er komt geen water uit de fontein. Duiven zitten op de rand van een van de bekkens. Op de verhoging staan bankjes, dubbele bankjes met een rugleuning. Vanaf mijn plaats kan ik er zes teilen. Vier zijn er leeg. Drie clochards met hun rituelen (rode wijn uit de fles drinken) op het zesde bankje.

De 63 gaat naar Porte de la Muette
De 86 gaat naar Saint-Germaln-des-Pres
Opruimen is goed, geen rommel maken is beter
Een bus uit Duitsland
Een busje van Brinks
De 87 gaat naar het Champ-de-Mars
De 84 gaat naar Porte Champerret

Alles goed en wel, dit is natuurlijk een erg grappige beschrijving, maar het is ook een soort anti-literatuur. We lopen met het café aan onze linkerhand de Rue des Canettes in. Aan het eind linksaf de Rue du Four en meteen rechtsaf de Rue Bonaparte in. We komen bij de kruising met de Boulevard St Germain, het product van Baron Hausmann. Rechts zien we de Église Saint Germain des Prés. Links zien we op de hoek Les deux Magots, het beroemde café, en nog iets verder naar links zien we Café Flore, minstens zo bekend.

Die bekendheid komt vooral omdat het een pleisterplaats was van de existentialisten, waarvan de bekendste namen Jean Paul Sartre en Simone de Beauvoir zijn (en niet te vergeten Albert Camus natuurlijk).

Jean Paul Sartre (1905 – 1980) was filosoof, schrijver en actievoerder. Vooral in die laatste hoedanigheid liep hij risico. Zijn appartement, hier vlakbij, was twee keer het doelwit van een bomaanslag van de OAS en de Franse regering overwoog hem te arresteren. President Charles de Gaulle wees dit echter af. “Een Voltaire arresteer je niet”, vond hij.
Sartre was betrokken bij het literaire en politieke kwartaalblad Les Temps Modernes. Denk daarbij nu aan The New Yorker of The New York Review of Books, maar dan veel invloedrijker.
Als schrijver debuteerde Sartre in 1938 met de roman La Nausée, Walging in de Nederlandse vertaling.

Dit is wat ik dacht: om van het meest alledaagse voorval een avontuur te maken hoeft iemand het alleen maar aan een ander te vertellen. Daardoor worden de mensen misleid: ieder mens is een verhalenverteller. Hij leeft omringd door zijn eigen verhalen en de verhalen van anderen, hij ziet alles wat hij meemaakt in het licht van die verhalen en hij probeert zijn leven te leven alsof hij hervertelde. Maar je moet kiezen of delen: leven of verhalen vertellen.
(…)
Wanneer je leeft gebeurt er niets. De decors wisselen, mensen komen en gaan, dat is alles. Er is nooit een duidelijk begin. De dagen rijen zich aaneen zonder dat er enig systeem in te ontdekken valt, een eindeloze, monotone opeenvolging.
(…)
Dat is leven. Maar als je je leven vertelt, verandert alles. Alleen merkt niemand die verandering op. Het bewijs daarvoor is dat je praat over ware verhalen. Maar waar gebeurde verhalen bestaan helemaal niet: de gebeurtenissen vinden plaats in een bepaalde volgorde, en wij vertellen ze precies omgekeerd. Het lijkt alsof je bij het begin begint. ‘Het gebeurde in 1922, op een mooie herfstavond. Ik was klerk bij een notaris in Marommes.’ Maar eigenlijk ben je bij het einde begonnen. Het einde is al onzichtbaar aanwezig, door het einde krijgen die paar woorden het gewicht en de waarde van een begin. ‘Ik was een eindje gaan lopen, ongemerkt had ik het dorp achter me gelaten, ik dacht aan mijn geldzorgen.’ Als je die zin op de keper beschouwt, staat er dat de ik-figuur somber gestemd was en liep te piekeren. De gedachte aan een avontuur was hem verre. Hij verkeerde juist in de stemming waarin de dingen die gebeuren langs je heen gaan zonder dat je er acht op slaat. Maar het einde waardoor alles in een ander daglicht wordt gezet, is er al. Voor ons is die man meteen al de held van het verhaal.

(J P Sartre: Walging, La Nausée)

Sartre werd beroemd met zijn toneelstukken, zoals La Putain respectueuse en Huis Clos, Met gesloten deuren. Drie mensen komen in de hel, alleen de hel is iets anders dan ze zich hadden voorgesteld:

GARCIN Het beeld … (Hij streelt het.) Nu is het ogenblik gekomen. Hier is het bronzen beeld, ik kijk ernaar en ik begrijp dat ik in de hel ben. Ik zeg jullie dat alles was voorzien. Zij hadden voorzien, dat ik voor deze schoorsteen zou staan, dat ik met mijn hand op dit beeld zou drukken, met al die blikken op mij gericht. Al die blikken die mij verslinden … (Zich met een ruk omdraaiend) Ha! Zijn jullie maar met z’n tweeën? Het leek me dat er veel meer waren. (Lacht.) Dus dit is nu de hel. Ik zou nooit geloofd hebben. Herinneren jullie je nog: zwavel, brandstapel, braadrooster Ha! Wat een grap! Een braadrooster is niet nodig: de hel, dat zijn de Anderen.
ESTELLE Liefste!
GARCIN (haar van zich afstotend) Laat me. Zij staat tussen ons in. Ik kan je niet liefhebben als zij mij ziet.
ESTELLE Ha! Nu dan, zij zal ons niet meer zien. (Zij neemt het vouwbeen van de tafel, stort zich op Ines en brengt haar verscheidene steken toe.)
INES (haar afwerend en lachend) Wat doe je, wat doe je, ben je gek geworden? Je weet toch, dat ik dood ben?
ESTELLE Dood? (Zij laat het mes vallen,· pauze; lnes raapt het mes op en steekt zich als een razende ermee.)

INES Dood! Dood! Dood! Geen mes, geen vergif, geen strop. Dat is al gebeurd, begrijp je? En wij blijven voor altijd bij elkaar. (Zij lacht.)

Simone de Beauvoir, 1908 – 1986, was schrijfster van romans en onafhankelijk partner van Sartre. Haar mooiste romans vind ik Alle mensen zijn sterfelijk en haar autobiografische Een zachte dood, maar dit is een medisch geïnspireerde keuze.

Ze glimlachte naar Fosca.
‘Weet je wat je moest doen?’ zei ze. ‘Je memoires schrijven. Dat zou een heel bijzonder boek worden.’
(…)
‘Twintig jaar lang heb ik geschreven. En op een dag kwam ik tot de ontdekking dat het steeds weer hetzelfde boek was.’
‘Maar nu ben je een ander mens,’ zei ze. ‘Nu moet je ook aan een nieuw boek beginnen.’
‘Een ander mens?’
‘Je bent nu een man die van mij houdt en in deze tijd leeft. Probeer weer te gaan schrijven.’
Hij keek haar aan en zijn gezicht helderde op. ‘Ik zal het doen omdat jij het zo graag wilt,’ zei hij vurig.
Hij bleef haar aankijken en ze dacht: hij houdt van me. Ik word bemind door iemand die onsterfelijk is. Ze glimlachte, maar ze had geen zin om te glimlachen. Ze was bang. Haar blik gleed langs de muren. Ze mocht geen enkele steun meer verwachten van de wereld om haar heen; ze stapte een vreemd universum binnen, waar ze helemaal alleen zou zijn met deze onbekende. Wat gaat er gebeuren? dacht ze.

(Simone de Beauvoir Alle mensen zijn sterfelijk)

Maar Simone is ook beroemd geworden door haar invloedrijke feministische boek De tweede sekse, uit 1949 (zeer avant la lettre). Sartre en De Beauvoir liggen samen begraven op Montparnasse, maar dat is in dit geval te ver uit onze route.

Sartre overleed als eerste. De Beauvoir hield de gesprekken die ze vlak voor zijn dood met Sartre voerde bij en publiceerde die later in Het afscheid (La ceremonie des adieux). Ik neem hier een gedeelte daarvan op al was het maar om de whiskey, de sigaretten, het niet innemen van zijn medicijnen en zijn verontrustende lage (!) bloeddruk van 140, in combinatie met zijn broze gezondheid.

Maar toen hij ’s avonds bij Arlette kwam, was hij er slecht aan toe; en ’s morgens was hij opgestaan in de toestand waarin ik hem nu zag: het was duidelijk dat hij in de loop van de nacht een lichte beroerte had gehad. Ik was al lange tijd beducht voor zo’n voorval en ik had me voorgenomen het hoofd koel te houden. Ik haalde het voorbeeld aan van vrienden die een soortgelijke beproeving hadden doorgemaakt en er geen blijvende schadelijke gevolgen van hadden ondervonden. Trouwens, Sartre zou de volgende morgen naar ‘ zijn huisarts gaan; dat stelde me enigszins gerust, maar ook niet meer dan dat. Ik moest me bijzonder inspannen om mijn paniek niet te laten blijken. Sartre wilde beslist zijn gebruikelijke hoeveelheid whisky drinken, zodat er om twaalf uur helemaal geen verstaanbaar woord meer uit zijn mond kwam en het hem veel moeite kostte zich naar zijn bed te slepen. De hele nacht heb ik tegen mijn angst gevochten. De volgende morgen is Liliane met hem naar dokter Zaidmann gegaan. Hij beide me dat alles goed was: hij had een bloeddruk van 180, wat voor hem gewoon was, en er zou dadelijk serieus met de behandeling worden begonnen. Liliane, die me kort daarna opbelde, was minder optimistisch. Volgens Zaidmann was de crisis nu ernstiger geweest dan in oktober en wat hem verontrustte was dat de stoornissen zo snel waren teruggekeerd. Een van de oorzaken was waarschijnlijk dat Sartre sinds maart zijn medicijnen niet meer innam; ook was het heel slecht voor hem geweest van tijd tot tijd naar de tiende verdieping te lopen. Het belangrijkste was echter een ernstige stoornis in de bloedsomloop in een bepaald gebied van de hersenen, links. ’s Middags ben ik naar Sartre toegegaan, en ik vond hem niet beter, maar ook niet slechter. Zaidmann had hem ten strengste verboden te lopen. Gelukkig was zijn lift weer in orde. ’s Avonds heeft Sylvie ons met de auto naar mijn huis gebracht en ze is even bij ons gebleven. Sartre heeft alleen vruchtensap gedronken. Sylvie was ontsteld over hoe hij eruit zag. Ik veronderstel dat de beroerte – misschien zonder dat hij het besefte – een heel pijnlijke schok voor hem was geweest; hij leek zeer terneergeslagen. Voortdurend viel zijn sigaret uit zijn mond. Sylvie raapte die dan op, gaf hem aan Sartre, die de sigaret aanpakte en dan weer uit zijn vingers liet vallen. In de loop van die lugubere avond heeft dat gedoe zich ik weet niet hoe vaak herhaald. Omdat een gesprek volstrekt onmogelijk was, heb ik platen opgezet, onder andere het Requiem van Verdi, waar Sartre geweldig veel van hield en waar we vaak naar luisterden. «Heel toepasselijk,» mompelde hij, een opmerking die Sylvie en mij tot op het bot verkilde. Kort daarna vertrok Sylvie en al gauw is Sartre naar bed gegaan. Bij het ontwaken had hij het gevoel dat hij zijn rechterarm nauwelijks kon bewegen, zo zwaar en stijf was die. Toen Liliane hem kwam afhalen voor het ontbijt, fluisterde ze me toe: «Ik vind hem minder goed dan gisteren.» Zodra ze vertrokken waren heb ik professor Lebeau gebeld in het ziekenhuis. Hij kon zelf niet komen, maar hij zou een andere specialist sturen. Ik ben naar Sartre toegegaan, die thuis was en om half twaalf kwam dokter Mahoudeau. Hij heeft Sartre een uur lang onderzocht en hij heeft me gerustgesteld. De diepgevoeligheid was niet aangetast, het hoofd was in orde, het lichte gebrabbel was een gevolg van de scheve mond. De rechterhand was zwak: het kostte Sartre nog steeds moeite een sigaret vast te houden. Zijn bloeddruk was 140: dat was een verontrustende daling, veroorzaakt door de vele medicijnen die hij moest innemen. Mahoudeau schreef een nieuw recept uit en drukte ons op het hart de komende achtenveertig uur uiterst voorzichtig te zijn. Sartre moest veel rusten en macht geen ogenblik alleen blijven. Als die raad werd opgevolgd zou hij binnen tien a twintig dagen helemaal hersteld zijn. –

Maar goed, we staan nog steeds op de hoek van de Boulevard St Germain. Aan onze kant van de boulevard, tegenover Flore, is de brasserie Lipp, waar Hemingway vaak kwam.

Bij Lipp, daar ga je eten en nog wat drinken ook. Het was een snelle wandeling naar Lipp en elke gelegenheid waar ik langskwam en die al even snel door mijn
maag als door mijn ogen en neus werd opgemerkt, maakte van deze wandeling een verhoogd genoegen. Er waren maar weinig mensen in de brasserie en toen ik op de bank langs de muur ging zitten met de spiegel achter me en een tafeltje voor me ende kelner vroeg of ik bier wilde hebben, bestelde ik een distingue, de grote glazen pul waar een liter inging, en een aardappelslaatje. Het bier was erg koud en heerlijk om te drinken. De pommes a l’huile waren stevig en gemarineerd en de olijfolie verrukkelijk. Ik deed fijngemalen zwarte peper op de aardappelen en doopte het brood in de olijfolie. Na de eerste grote teug van het bier dronk en at ik erg langzaam. Toen de pommes a l’huile op waren, bestelde ik nog een portie en een cervelas. Dat was een worst als een zware, brede knakworst die in tweeen gespleten is en met een speciaal mosterdsausje overgoten. Met brood sopte ik alle olie en alle saus op en dronk langzaam mijn bier tot dat niet meer zo koud was en daama dronk ik het helemaal op en bestelde een demi en keek toe hoe het getapt werd. Het leek nog kouder dan de distingue en ik dronk het half op.

(Ernest Hemingway A moveable feast (een amerikaan in Parijs))

Eindelijk steken we de boulevard St Germain over en lopen naar de ingang van de kerk.

Saint-Germain-des-Prés is de oudste kerk in Parijs en is een zeldzaam voorbeeld van romaanse bouwkunst in Parijs. De huidige kerk is gebouwd in de 11e-12e eeuw. Eerdere kerken met deze naam werden vier keer verwoest door de Noormannen. De kerk werd telkens opnieuw opgebouwd naar de originele tekeningen. In al die jaren is er steeds een stukje bijgebouwd, bijvoorbeeld het portaal in 1607. Gelukkig heeft Hausmann de kerk laten staan.

In deze kerk zijn een aantal bekende mensen begraven, waaronder de Franse filosoof René Descartes (in het rechtergedeelte), de filosoof Comte en de Poolse koning Jan Casimir (in het linker gedeelte).

Graf van Descartes

René Descartes (1596 –1650) was een Frans filosoof en wiskundige. Zijn benadering van het probleem van de kennis en de aard van de menselijke geest speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de filosofie.
Hij moest Frankrijk verlaten en vertrok naar Nederland, waar hij 20 jaar werkte. Hij leverde bijdragen aan de wiskunde, de natuurkunde en de fysiologie. Toen kon dat nog. Bekend werd hij vooral door zijn Verhandeling over de methode (1637) en het beroemde twijfel experiment. Hoe kon hij zeker zijn van onze kennis? Hij twijfelde aan alles, maar uiteindelijk niet aan het feit dat hij kon twijfelen, en hij was in staat te twijfelen omdat hij kon denken. Vandaar Cogito ergo sum, ik denk dus ik ben. Descartes wordt altijd het dualisme tussen lichaam en geest verweten.

Er ligt nog een andere filosoof hier begraven: August Comte, de negentiende eeuwse filosoof die als de grondlegger van het positivisme wordt beschouwd.

Graf van August Comte

We komen uit de kerk, een mooie en kleurrijke kerk trouwens, en lopen nu rechtsaf de Rue Bonaparte in. Op nr. 42 woonden Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir van 1945 tot 1962. Zoals je kunt zien, maar een paar stappen verwijderd van Flore. Op nr. 36 woonde tussen 1817 en 1822 Auguste Comte. Op nr. 34 woonde Romy Schneider, de actrice (Sissy!), in de Jaren 70 van de vorige eeuw en Georges Wolinski van 1974 tot 2009. Wolinski was een cartoonist van Charlie Hebdo, die om het leven kwam bij de terroristische aanslag op dit tijdschrift in 2015.

Op nr. 30 is het Café Le Pré aux Clercs, één van Ernest Hemingway’s favoriete restaurants.

We lopen door in de Rue Bonaparte en kruisen de Rue Jacob. Op nr. 24 van de Rue Bonaparte woonde tussen 1928 en 1930 Henry Miller (1891 – 1980). Hier begon hij zijn relatie met Anaïs Nin. Miller schreef o.a. Sexus, Nexus en Rustige dagen in Clichy. De kreeftskeerkring uit 1934 baarde opzien vanwege de openlijke seks. Zijn romans werden om die reden lange tijd in de USA verboden (en verdwijnen waarschijnlijk op dit moment weer uit heel veel bibliotheken daar).

We klemmen ons aan herinneringen vast om zo een identiteit in stand te houden die echter nooit verloren kan gaan. Wanneer we dit laatste beseffen en tot de ware herinnering komen, vergeten we al het andere. ‘Zelfs God’, schreef De Nerval, ‘kan door dood niet alles uitwissen.’ Het begon gisteravond toen ik naast Minerva op mijn buik op de vloer lag en haar op de plattegrond van Parijs de buurten aanwees waar ik vroeger gewoond had. Het was een grote metrokaart en toen ik de stations begon op te noemen, raakte ik meteen a1 in verrukking. Daarna wandelde ik met mijn wijsvinger van de ene naar de andere wijk, waarbij ik af en toe stil bleef staan bij een straat die ik eigenlijk vergeten was, zoals de rue de Cotentin. De straat waar ik het laatst gewoond had kon ik niet vinden; het was een doodlopend steegje tussen de rue de l’ Aude en de rue St. Yves. Maar ik vond de Place Dupleix en de Place Lucien Herr en de rue Mouffetard (gezegende naam!) en de Quai de Jemmapes. Daar stak ik de gracht over via een van de houten bruggen en raakte de weg kwijt in het gedrang rond het Gare de l’Est. Toen ik weer tot mezelf gekomen was, bevond ik me in de rue St. Maur. Vandaar liep ik noordoostwaarts, in de richting van Belville en Menilmontant. Bij de Porte des Lilas kreeg ik een brok in mijn keel.
(Henry Miller: Frankrijk. Land der herinnering)

Dan lopen we rechtsaf de Rue Visconti in. Dit tamelijk onaanzienlijke straatje zit werkelijk boordevol (Franse) literatuur en schilderkunst. Op nummer 26 of 28, dat werd mij niet helemaal duidelijk, woonde Jean Racine (1639 – 1699). Racine behoorde tot de drie grote toneelschrijvers van de zeventiende eeuw in Frankrijk (samen met Molière en Corneille). Racine schreef voornamelijk tragedies, maar ook één komedie (Les Plaideurs). Hij geldt als de belangrijkste Franse tragedieschrijver.

Op nr. 19 was een van de ateliers van Eugène Delacroix, waarvan we al eerder in de Saint Sulpice kerk een muurschildering zagen. In het Delacroix museum, waar we tijdens deze wandeling niet komen, is een ander atelier van hem te bewonderen. Adres: 6 Rue de Furstemberg

Op nr 17 had Honoré de Balzac een drukkerij. Balzac was drukker tussen 1826 en 1828. Erg gelukkig werd hij er niet van. Hij benoemde zichzelf in 1827 als zijnde een “man van letters van lood”.
Het bedrijf was financieel niet rendabel en deze mislukking leidde ertoe dat Balzac terugkeerde naar de literatuur. Illlusions perdues is zijn roman over het Boek in al zijn hoedanigheden, van de keuze van papieren en typografische personages tot de verzameling gedichten, via literaire recensenten, boekverkopers, journalisten en critici, zonder ooit de materiële productieomstandigheden en de kosten van elke bewerking te vergeten. Het is dus geen toeval dat de openingsscène van de roman zich afspeelt in een drukkerij. Ook Balzac heeft zijn eigen museum, namelijk het huis waar hij woonde. Te ver uit de route in deze wandeling. Adres: 47 Rue Raynouard.

Tussen nummer 8 en 12 is een klein tuintje. Patrick Süskind situeert hier in Het Parfum de « rue des Marais » waar de eerste moord wordt begaan door Jean-Baptiste Grenouille, de man zonder geur in een stinkende wereld van het Parijs van de 18e eeuw. Grenouille komt uit de Rue du Seine die voor ons ligt.

Geen jachtige mensenlucht stoorde hem, geen bijtende kruitdamp. De straat rook naar de gebruikelijke luchtjes van water, stront, ratten en groenteafval. Maar daarbovenuit zweefde teer en duidelijk het lint dat Grenouille leidde. Na luttele schreden was het beetje nachtlicht van de hemel opgeslokt door de hoge huizen en liep Grenouille verder door het donker. Hij hoefde niets te zien. De geur leidde hem feilloos. Na vijftig meter sloeg hij rechtsaf de Rue de Marais in, een zo mogelijk nog donkerder, amper een armlengte brede steeg. Merkwaardigerwijze werd de geur niet veel sterker. Hij werd alleen zuiverder en daardoor, door de steeds grotere zuiverheid, kreeg hij ook een steeds grotere aantrekkingskracht. Grenouille liep willoos voort. Op een plek rukte de geur hem schielijk naar rechts, schijnbaar pal tegen de muur van een huis. Er doemde een lage gang op die naar een binnenplaats leidde. Als in een droom liep Grenouille door deze gang, liep hij over de binnenplaats, sloeg een hoek om, belandde op een tweede, kleinere binnenplaats, en hier was eindelijk licht: de plaats was maar een paar passen in het vierkant. Vanaf de muur stak een houten afdak schuin naar voren. Op een tafel eronder stond een kaars. Een meisje zat aan deze tafel mirabellen schoon te maken. Ze nam de vruchten uit een mand links naast zich, sneed met een mes het steeltje eraf, haalde de pit eruit en liet ze in een emmervallen. Ze was misschien dertien, veertien jaar oud. Grenouille bleef staan, Hij wist meteen wat de bron van de geur was die hij op meer dan een halve mijl afstand vanaf de andere kant van de rivier had geroken: niet deze groezelige binnenplaats, niet de mirabellen. De bron was her meisje. Een ogenblik was hij zo in de war dat hij werkelijk meende in zijn leven nog nooit zoiets moois gezien te hebben als dit meisje. Daarbij kwam dat hij alleen haar silhouet van achter tegen de kaars zag. Hij bedoelde natuurlijk dat hij nog nooit zoiets moois geroken had. Maar aangezien hij mensenluchtjes te over kende, duizenden, van mannen, vrouwen en kinderen, kon hij maar niet begrijpen dat zo’n exquise geur aan een mens kon ontspringen. Doorgaans roken mensen nietszeggend of belabberd. Kinderen roken flauw, mannen naar pis, naar scherp zweet en kaas, vrouwen naar ranzig vet en rottende vis. Mensen roken volmaakt oninteressant en afstotelijk. .. En zo geschiedde het dat Grenouille voor de eerste keer in zijn leven zijn neus niet vertrouwde en toevlucht tot zijn ogen moest nemen om te geloven wat hij rook.
(Patrick Süskind: Het parfum)

We lopen door naar de T-kruising met de Rue du Seine. In deze straat zijn erg veel galeries met kunst, en er woonden veel bekende mensen, bijvoorbeeld Marcello Mastroianni en de aristocratische Markies Armand de Montriveau uit de roman La Duchesse de Langeais van Honoré de Balzac. Aan je linkerhand in de Rue du Seine woonde op nummer 25 D’Artagnan, van de musketiers, wiens botten eind Maart 2026 in Maastricht weer gevonden zijn. Hij stierf in de Frans-Nederlandse oorlog. Op nr. 27 woonde Baudelaire (die trouwens ook op nr 57 gewoond heeft). Zijn beroemdste werk is Les Fleurs du mal (De bloemen van het kwaad, 1857)

De wijn der voddenrapers

Vaak, bij de rode schijn van een lantaarn op gas,
Terwijl de wind rukt aan de vlam en aan het glas,
Diep in een oude buurt, modderig labyrint,
Waar het krioelend mensdom woeste gisting vindt,

Ziet men een voddenraper gaan, met schuddend hoofd,
Die als een dichter struikelt, zich aan muren stoot,
En, lak hebbend aan stille dienders die hij kan
Bespelen, zich vergeet in een verheven plan.

Hij zweert een dure eed en stelt subliem de wet,
Hij velt de booswicht, zorgt dat kwaad wordt rechtgezet;
Onder een sterrenhemel als een baldakijn
Bedwelmt hij zich aan wat zijn kwaliteiten zijn.

Ja, dat soort man, van huiselijke zorgen krom,
Gebroken door het werk, gekweld door ouderdom,
Bekaf onder de last van heel zijn voddenvracht,
Het bonte afval dat Parijs heeft voortgebracht,

Keert weer als hij de geur van fust en vat verspreidt,
Met kameraden die vergrijsd zijn in de strijd,
Van wie de snor er bijhangt als een oude vlag.
De vaandels, erepoorten ende bloemenpracht

Verheffen zich voor hen, een plechtige magie!
En in de daverende, stralende orgie
Van blaasmuziek en zon, geschreeuw en tromgebonk
Eren zij ’t volk dat zich een roes van liefde dronk!

Bij het lichtzinnig Mensdom zal de wijn rondgaan
Als goud, een Pactolus die nimmer droog zal staan;
Hij zingt van wapenfeiten dankzij ’s mensen dorst
En heerst door zijn talenten, als een ware vorst.

(Charles Baudelaire: De bloemen van het kwaad)

We lopen nu rechtsaf de Rue du Seine in. Op de eerste hoek links is een café (La Palette) om even uit te rusten. Daarna lopen we door in de Rue du Seine. Op nr. 52 woonde Amantine-Lucile-Aurore Dupin, beter bekend als George Sand. Haar standbeeld staat in de Jardin Luxembourg (zie die wandeling).
Op nummer 60 is het Hotel La Louisiane. Het is gebouwd in 1823. Dit hotel heeft vele beroemde mensen gehuisvest. Bijvoorbeeld Jean-Paul Sartre in kamer 10 en Simone de Beauvoir in kamer 68. Zij woonden hier in de tweede wereldoorlog vanaf 1943. Op het dak kon je zonnebaden en ’s avonds rustig lezen.
Andere mensen die hier verbleven waren, in willekeurige volgorde, Ernest Hemingway, Quentin Tarantino, Brigitte Bardot, Charlie Parker, Miles Davis en de Rolling Stones.

We lopen door en zijn nu weer bij de boulevard Saint Germain aangekomen. We steken over. Het verlengde van de Rue du Seine is de Rue de Tournon. Joseph Roth verbleef hier altijd in een nu niet meer bestaand hotel. Joseph Roth (1894 – 1939) was van origine journalist, maar schreef ook romans. In een brief aan zijn vriend Stefan Zweig schreef hij op 2 November 1937 over het hotel waar hij verbleef.

Beste vriend, Dit is geen brief, slechts een mededeling dar ik een nieuw adres heb. Hotel Foyot wordt op bevel van de magistraat afgebroken, en ik ben er gisteren als allerlaatste gast weggegaan. De symboliek is al te goedkoop geworden. Ik vrees dus ten zeerste dat wat u me opgestuurd hebt, verloren is gegaan. Ik vraag u hartelijk om zo snel mogelijk te antwoorden.
Uw oude vriend Joseph Roth

Stephan Zweig en Joseph Roth in Oostende

Rust bij de aanblik van de vernieling

Tegenover de bistro waar ik de hele dag zit, wordt op dit moment een oud huis afgebroken, een hotel, waar ik, afgezien van mijn reizen, zestien jaar gewoond heb. Eergisterenavond stond er nog een muur overeind, de achtermuur, hij stond zijn laatste nacht af te wachten. De drie andere muren waren al neergehaald, in puin veranderd, op het deels afgezette terrein. Hoe merkwaardig klein leek mij vandaag deze plek in verhouding tot het grote hotel dat er ooit heeft gestaan! Het is alsof een lege plek kleiner is dan een bebouwde. Maar misschien komen deze zestien jaar me nu ze voorbij zijn zo kostelijk, zo vol van kostbaarheden voor, dat ik niet kan begrijpen dat ze zich op een zo schamele plek hebben voltrokken. En omdat het hotel nu even vermorzeld is als de jaren die ik erin heb doorgebracht verstreken zijn, lijkt het ook in mijn herinnering veel groter dan het wellicht is geweest. Op de laatste muur herkende ik nog het behang van mijn kamer, een hemelsblauw, met zacht goud gemarmerd behang. Gisteren hadden ze al een steiger opgetrokken, er stonden twee arbeiders op. Met pikhouweel en moker sloegen ze los op het behang, op mijn muur; en toen hij al murw en broos geworden was, bonden de mannen er touwen aan vast – de muur op het schavot. De mannen kwamen naar beneden ende steiger werd afgebroken. Aan weerszijden van de muur hingen de uiteinden van het rouw naar beneden. De mannen trokken elk aan een uiteinde. En bulderend zakte de muur in elkaar. Een witte, dichte wolk van kalken mortel verhulde het gebeuren. Toen kwamen vanuit die wolk de twee mannen tevoorschijn, wit van het stof, als twee geweldige molenaars die stenen malen. Ze kwamen recht op me af, zoals elke dag, zoals dagelijks een paar keer. Ze kennen me sinds ik hier zit. De jongste wees met zijn duim over zijn schouder en zei: ‘Nu is het weg, uw behang!’ – Ik nodigde hen uit om iets met me te drinken, alsof ze een muur voor mij gebouwd hadden. We gekscheerden over het behang, over de muren, over mijn dierbare jaren. De arbeiders waren slopers: afbreken was hun vak, voor bouwen kwamen ze niet in aanmerking. ‘En maar goed ook,’ zeiden ze. ‘Ieder zijn stiel en ere wie ere toekomt! Dit is de koning der slopers,’ zei de jongste. De oudste begon te lachen. Ze waren goed geluimd, de slopers, en ik was dat ook. Nu zit ik tegenover de lege plek en hoor de uren voorbijglijden. Zo raak je het ene vaderland na het andere kwijt, zeg ik tegen mezelf. Hier zit ik met mijn wandelstok. Mijn voeten zijn kapot, mijn hart is moe, mijn ogen zijn droog. De ellende komt naast me zitten, wordt steeds zachter en dieper, de pijn blijft overeind staan, wordt sterk en goedig, de angst beukt erop los en kan geen angst meer inboezemen. En dat is nu juist zo troosteloos.
(Uit: Joseph Roth: Hotelmens)

Bij de kruising met de Rue des Quatre Vents slaan we linksaf de Rue des Quatre Vents in, De verteller van Biecht van een moordenaar, verteld in één nacht, van Joseph Roth, woont in deze straat.

Een paar jaar geleden woonde ik in de Rue des Quatre Vents. Tegenover mijn ramen lag het Russische restaurant Tari-Bari. Ik ging daar vaak eten. Je kon er op elk uur van de dag rode bietensoep, gebakken vis en gekookt rundvlees krijgen. Ik stond soms laat op. De Franse restaurants, waar men zich strikt aan de gebruikelijke tijden van het middageten hield, troffen al voorbereidingen voor het avondeten. Maar in het Russische restaurant speelde de tijd geen rol. Er hing een blikken klok aan de muur. Soms stond hij stil, soms liep hij ongelijk. Hij leek de tijd niet te willen aangeven, maar te willen bespotten. Niemand keek op de klok. De meeste gasten in dat restaurant waren Russische emigranten. En zelfs degenen onder hen die in hun vaderland wellicht gevoel voor stiptheid en nauwkeurigheid hadden gehad, waren dat in den vreemde kwijtgeraakt, of ze schaamden zich het te tonen. Het was alsof de emigranten bewust demonstreerden tegen de berekenende, alles berekenende en o zo berekende mentaliteit van het Europese Westen, alsof ze hun best deden niet alleen echte Russen te blijven, maar ook voor ‘echte Russen’ door te gaan en te voldoen aan de voorstellingen die het Europese Westen zich van de Russen had gemaakt. De ongelijk lopende of stilstaande klok in Tari-Bari was dus meer dan een toevallig rekwisiet: het was een symbolisch rekwisiet. De wetten van de tijd leken opgeheven te zijn.
(Joseph Roth: Biecht van een moordenaar. Verteld in een nacht)

We lopen weer door en komen op de Carrefour de l’Odeon en slaan rechtsaf de Rue de l’Odeon in. In deze straat waren ooit twee beroemde boekwinkels. Op nummer 7 opende Adrienne Monnier haar boekwinkel La Maison des amis des livres, in 1915 en op nummer 12 vestigde Sylvia Beach haar boekwinkel Shakespeare and Company na eerst op Rue Dupuytren nr 8 gevestigd te zijn. Zij publiceerde in 1922 Ulysses van James Joyce. Dat was een gedurfde daad, en het begin van de carrière van Joyce. Tijdens de 2e wereldoorlog sloot de winkel in 1941 en ging na de oorlog niet meer open, ondanks het feit dat de winkel door Ernest Hemingway persoonlijk werd bevrijd.

In die tijd was er geen geld om boeken te kopen. Ik haalde mijn boeken uit de uitleenbibliotheek, Shakespeare and Company, die de bibliotheek en boekhandel was van Sylvia Beach aan Rue de l’Odeon 12. In een koude winderige straat gelegen, was dit een warme, gezellige gelegenheid met ’s winters een grote kachel, tafels en boekenplanken, nieuwe boeken in de etalage en aan de muur foto’ s van zowel dode als nog levende beroemde auteurs. De foto’s waren allemaal net momentopnamen en zelfs de dode schrijvers zagen er uit of ze echt eens geleefd hadden. Sylvia had een levendig, scherp getekend gezicht, bruine ogen die even wakker waren als die van een klein diertje en vrolijk als die van een jong meisje, en golvend bruin haar dat van haar fijnbesneden voorhoofd achterover gekamd was en dik geknipt onder haar oren en gelijk met de kraag van het bruinfluwelen mantelpak dat ze droeg. Ze had goede benen en ze was vriendelijk, opgewekt en belangstellend en dol op grappen en kletspraatjes. Niemand die ik ooit gekend heb is aardiger voor mij geweest. Ik was erg verlegen toen ik de eerste keer de boekhandel binnenging en ik had niet eens genoeg geld op zak om lid te worden van de uitleenbibliotheek. Ze zei me dat ik het inleggeld kon betalen wanneer ik het had en schreef een kaart voor me uit en zei dat ik net zoveel boeken mee kon nemen als ik maar wilde. (Er bestond voor haar geen enkele reden om me te vertrouwen. Ze kende me niet en het adres dat ik haar had opgegeven, rue Cardinal Lemoine, kon niet armoediger. Maar ze was prettig en charmant en gastvrij en achter haar, tot aan het plafond en tot in de achterkamer die op de binnenplaats van het gebouw uitzag, waren planken en nog eens planken vol met de rijkdom van haar bibliotheek. Ik begon met Toergenjev en nam de twee delen mee van A sportsman’s sketches en een van de eerste boeken van D.H. Lawrence, Sons and lovers geloof ik, en Sylvia zei me meer boeken mee te nemen als ik wilde. Ik koos de Constance Gamett-editie van Oorlog en vrede en De speler en andere verhalen van Dostojevski. ‘Als je dat allemaal leest, kom je voorlopig niet terug,’ zei Sylvia. ‘lk kom terug om te betalen,’ zei ik. ‘Ik heb thuis nog wat geld.’ ‘Dat bedoelde ik niet,’ zei ze. ‘Je betaalt maar wanneer het je uitkomt.’ ‘Wanneer komt Joyce hier?’ vroeg ik. ‘Als hij komt, is het meestal laat in de middag,’ zei ze. ‘Heb je hem nog nooit gezien?’ ‘We hebben hem met zijn gezin in Michaud zien eten,’ zei ik. ‘Maar het is niet beleefd naar mensen te kijken als ze zitten te eten en Michaud is duur.’

En, in een vervolg op een eerder citaat over de honger:

Er was een fontein met leeuwen en de duiven liepen midden op straat en zaten op de standbeelden van bisschoppen. Je had er de kerk en de winkels die kerkartikelen en versierselen verkochten aan de noordkant van het plein. ,,, Vanaf dit plein kon je niet verder naar de rivier gaan zonder langs winkels te komen die fruit, groenten, wijn verkochten, of langs bakkerswinkels en banketbakkers. Maar als je nauwlettend je weg koos, kon je naar rechts komen om de grijswitte stenen kerk heen en de rue de l’Odeon bereiken en rechtsaf slaan in de richting van de boekenzaak van Sylvia Beach en dan kwam je onderweg niet al te veel gelegenheden tegen waar etenswaren verkocht werden. De rue de l’Odeon bezat geen eetgelegenheden, tot je aan het plein kwam waar drie restaurants waren. Als je dan rue de l’Odeon 12 bereikte, was je honger weer bedwongen, maar je waamemingsvermogen des te scherper. De foto’s zagen er anders uit en je zag boeken die je nog nooit had gezien. ‘Je bent te mager, Hemingway,’ zei Sylvia altijd. ‘Eet je wel genoeg?’
(Ernest Hemingway A moveable feast (een amerikaan in Parijs)

Shakespeare and company is op dit moment wel weer terug in Parijs, maar nu aan de Seine. In een andere wandeling eindigen we daar.

In de Rue d’Odeon woonde op nr. 21 de Roemeense filosoof Emil Cioran, o.a. bekend van Geboren zijn is ongemak.

Wij vergeten het lichaam, maar het lichaam vergeet ons niet. Vervloekt geheugen van de organen!

Aan het eind van de straat is het Place de l’Odeon met het Odeon theater. Dit is één van de zes nationale theaters van Frankrijk. Gebouwd tussen 1779 en 1782. Oorspronkelijk bedoeld voor de Comédie Française, maar die bleven toch liever bij het Palais Royal. Het theater brandde, zoals zoveel theaters, af in 1818. Heropend in 1819 en sindsdien een beroemd theater waar vele chansonniers hebben opgetreden.

We komen bijna aan het eind van deze wandeling. We lopen linksaf de Rue Casimir Delavigne in, en dan nog een keer links de Rue Monsieur le Prince. Dan rechtsaf de Rue Dupuytren, genoemd naar de arts Baron Guillaume Dupuytren (1777 – 1835). Hij was een Frans chirurg, vooral bekend als de ontdekker van de Contractuur van Dupuytren. Hij werkte in het Hôtel-Dieu Hospitaal in Parijs en werd in 1808 adjunct kliniekhoofd. Onder zijn bewind werd het Hôtel-Dieu Hospitaal een van de meest prestigieuze ziekenhuizen van Europa. In 1831 beschreef hij een aandoening van de hand die gekenmerkt wordt door het ontstaan van harde knobbels in de handpalm; de contractuur.

Op nr. 8 van de Rue Dupuytren was de eerste winkel van Shakespeare and company, voordat ze naar de Rue d’Odeon verhuisden. We slaan nu rechtsaf Rue de l’école de Médecine. Daar is de Universiteit Descartes, waar het museum voor de geschiedenis van de geneeskunde is en waar het schilderij met de klinische les van Jean Martin Charcot hangt. Zie ter plekke 1 in Parijs.