Onder het motto beter laat dan nooit aandacht voor twee romans die tot de mooiste behoren die het afgelopen jaar verschenen: Ocean Vuongs De keizer van Gladness en In mijn ogen draag ik wolken van psychiater Forugh Karimi. Verder besprekingen van de roman Kuren over een puber met kanker en twee films over – onder meer – de wortels en gevolgen van verslaving: Urchin en The Chronology of Water. Met Vuongs roman vormen die films bovendien een mooie aanvulling op de nieuwste editie van het Nederlands Tijdschrift voor Literatuur en Geneeskunde dat in het teken staat van verslaving.
Eindredactie/correctie: Cathri van de Haar
Reacties in de vorm van opmerkingen, vragen, tips, kritiek en/of lof kunnen naar: scoop0329@gmail.com
Roman
De keizer van Gladness, Ocean Vuong, [Vertaling: Johannes Jonkers]. Hollands Diep, 410 blz., 23,99 euro

Overleven dankzij mantelzorgen
Het begint in september 2009 op een brug. Daar staat Hai, 19 jaar oud, van plan om eraf te springen. Waarom weten we dan nog niet. Wel dat die sprong er niet komt. Want een oude vrouw roept hem en nodigt hem uit in haar vervallen huis. Ze is – dat wordt al snel duidelijk – alleen, 80-plus en dementerend: frontotemporale dementie, midden stadium. Haar net vertrokken inwonende hulp is nog niet vervangen, en ze vraagt Hai om bij haar te blijven. Dat doet hij. Hai en de oude vrouw, Grazina heet ze, raken aan elkaar gehecht. Hij wordt haar mantelzorger, zij zijn anker in zijn fragiele, wisselvallige bestaan, dat we gedurende meerdere seizoenen volgen.
Dat is de inzet van De keizer van Gladness, de nieuwe roman van dichter/schrijver en essayist Ocean Vuong (1988), die halverwege 2025 is verschenen, en die de opvolger is van zijn met superlatieven overladen roman Op aarde schitteren we even (2019).
Geen ontwikkeling
Ondanks Grazina’s strenge regime met pillen tegen zenuwpijn, cognitieve uitval, hoge bloeddruk en verhoogd cholesterol, verslechtert haar toestand – zij het langzaam. Met enige regelmaat wordt ze geplaagd door hallucinante herbelevingen van gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog in haar thuisland Litouwen. De manier waarop Hai daarmee weet om te gaan getuigt van inlevingsvermogen; hij toont zich een heel bekwame amateur-verpleegkundige.
Ook verder gebeurt er veel in deze roman, en toch staat de handeling merkwaardig stil, er is geen ontwikkeling, en al helemaal niet in de materiële levens van de verschillende protagonisten. Ze bewegen maar komen niet van hun plaats. Hai heeft zijn moeder wijsgemaakt dat hij nog steeds medicijnen studeert, terwijl hij zijn hoofd financieel boven water houdt als medewerker van een fastfoodrestaurant. Verder heeft hij te dealen met een tante die in de gevangenis zit, met zijn neef Sony die autistisch is en een obsessieve hang-up met de Amerikaanse burgeroorlog aan de dag legt; kort gezegd met een heterogeen gezelschap onzichtbare mensen die zich in de marges van de Amerikaanse samenleving ophouden, omdat ze migrant zijn (Hai en zijn neef zijn Vietnamees), neurodivers, queer of oud en kwetsbaar zijn, werken in slecht betaalde baantjes, en – niet in de laatste plaats – met verslaving te kampen hebben: gelaten ondergaat Hai de gevolgen van de opiatencrisis, die zijn geliefde Noah het leven heeft gekost.
Leugen
Al deze mensen leven in de leugen van de Amerikaanse droom, want de ‘enige echte egalitaire vleugel van de Amerikaanse droom waar het verleden niets anders meer is dan wat het je heeft aangedaan’ dat is het verpleeghuis, zo laat Vuong Hai opmerken. In een intens, emotioneel interview met The New York Times gaf de auteur er blijk van geen enkele illusie te koesteren over zijn land: ‘Ik vroeg me af of ik een boek kon schrijven zonder verbeterpunten, omdat het aansluit bij mijn observaties van mijn gemeenschappen. (….) We willen verhalen over verandering, maar het Amerikaanse leven is vaak statisch. Je rijdt in dezelfde auto, mensen wonen in hetzelfde appartement, maar dat betekent niet dat hun leven waardeloos is. Het is geen spoiler als ik zeg dat in dit boek niemand een betere baan krijgt, niemand loonsverhoging krijgt. Dus wat gebeurt er? Ik ben geïnteresseerd geweest in het idee van vriendelijkheid zonder hoop.’
Fatsoenlijk mens
Het resultaat is een boek als een ruim 400 pagina’s lange ballad van Bruce Springsteen of Tom Waits, waarvan Grazina de grondtoon het beste verwoordt: ‘Leven en proberen een fatsoenlijk mens te zijn zonder het tot iets groots of gewichtigs te maken, dat is het moeilijkste wat er is.’
En toch wil Hai ‘meer’. Hij leest Dostojevski, hij leest Kurt Vonnegut. Hij wil schrijven. Zal hij erin slagen? We weten het niet. Maar misschien is De keizer van Gladness wel het antwoord op die vraag.
Henk Maassen
Roman
In mijn ogen draag ik wolken, Forugh Karimi, Meridiaan uitgevers, 528 blz., 26,99 euro

Het schuldgevoel van de succesvolle vluchteling
Er is heel veel niet goed in de wereld van vandaag. Bij mijn leeftijdsgenoten bespeur ik veel teleurstelling omdat we blijkbaar nog steeds niet in staat zijn om een als primitief ervaren agressiviteit te onderdrukken. Het valt dan ook niet mee om romans te lezen waarin die agressiviteit een belangrijk, zo niet dominant onderdeel is. In mijn ogen draag ik wolken van Forugh Karimi is zo’n roman.
Psychiater
De schrijfster is, hoogzwanger, op haar 25ste gevlucht uit Afghanistan en kwam in Nederland terecht. Daar studeerde ze geneeskunde en specialiseerde zich tot psychiater. Haar eerste roman, De moeders van Mahipar, dateert van 2022, een jaar later verscheen de novelle Nargis. Hoofdpersoon in In mijn ogen draag ik wolken is Widá, een meisje dat geboren is in Kabul. Het boek start in 2023 als Widá, die in Nederland als psychiater werkt, samen met een Nederlandse journaliste op weg is naar Athene. Waarom ze deze reis maakt langs een aantal Afghaanse mensen in Europa wordt pas aan het eind van de roman duidelijk. Het verslag van die reis wordt afgewisseld met hoofdstukken die zich in het verleden in Kabul afspelen. Het zijn deze hoofdstukken die de lezer meenemen in de afschuwelijke spiraal van geweld die Afghanistan heeft getroffen. Milities die elkaar op leven en dood bevechten, buitenlandse mogendheden die elkaar bevechten op Afghaans grondgebied en de Taliban die vrouwen geen millimeter ruimte toestaan.
Beter lot
Tussen de voortdurend vallende raketten leeft daar Widá met haar moeder en grootmoeder. Haar vader is spoorloos verdwenen. Ook in huis wonen een ver familielid en haar dochter. Haar moeder besluit dat Widá, net als haar broer, de oom van Widá, moet vluchten als ze een kans wil hebben op een goed leven. Widá is slim en verdient een beter lot. Ze ontkomt via Rusland, samen met haar oom, zijn onaangename vrouw en hun dochtertje. Het verhaal wint overigens duidelijk aan kracht als blijkt dat niet alle Afghanen die vluchten aardig zijn.
Ze komen uiteindelijk in Nederland terecht. Widá is dan 15. Geleidelijk aan verschuift het verhaal steeds meer naar 2023.
Widá worstelt met een schuldgevoel ten opzichte van de mensen die in Kabul zijn achtergebleven én ten opzichte van de man die zij in Nederland lief heeft. Hoe dat precies zit ga ik hier niet onthullen, het is een van de redenen om dit boek uit te lezen.
Ondanks de 500 pagina’s is dat snel gebeurd, want het is een goed geschreven roman. Ik had al snel een associatie met de romans van Abraham Verghese, ook goed geschreven, ook een dokter en zich afspelend in onder andere Ethiopië en India. En een andere associatie is die met collega-schrijvers in Nederland, zoals Kader Abdolah, Sholeh Rezazadeh en Yasmin Namavar die met Karimi hun biculturele achtergrond delen. Maar geen van deze schrijvers heeft de wreedheid die hen dwong om te vluchten zo sterk beschreven als zij.
Prijs
In een interview gepubliceerd in de Volkskrant stond Karimi afgebeeld voor een groot huis. Ik ga er even van uit dat dat haar huis is, en in dat geval laat de foto zien dat in een bepaald opzicht haar vlucht naar Nederland een groot succes is geworden – een succes waar ze trots op kan zijn. Maar haar roman laat zien dat daar wel een stevige prijs voor betaald moest worden. Een boek om in één adem uit te lezen.
Arko Oderwald
Roman
Kuren, Thijs Hoekstra, Das Mag, 209 blz., 22,50 euro

Dwarse puber met kanker
Stel je bent een hedendaagse 14-jarige jongen die te horen krijgt dat hij kanker heeft en een zware behandeling nodig heeft. Hoe zou je reageren? Voor deze recensent is die vraag moeilijk te beantwoorden, want deze periode in zijn leven ligt al 58 jaar achter hem. Thijs Hoekstra, geboren in 1998, heeft het opgeschreven in de roman Kuren. Het is een monoloog (zoals in De val van Albert Camus): een verhaal over al de wederwaardigheden van David, de hoofdpersoon. David kan op een gegeven moment niet poepen. De huisarts zegt dat het wel over zal gaan, maar zijn moeder neemt daar geen genoegen mee. De doorverwijzing leidt tot de diagnose lymfklierkanker en ziekenhuisopname. Dat is geen pretje en de puber slaat zich er met het nodige cynisme doorheen. Vaag doet dit alles denken aan The catcher in the rye van J.D. Salinger, maar waar Holden Caulfield in dat boek eigenlijk alleen vanuit zichzelf denkt, is er bij David toch ook een sociaal bewustzijn aanwezig, met een regelmatig terugkerende kritiek op zijn rijke omgeving in Haarlem, de school waar iedereen slaagt en gaat studeren, en de holle frasen die daarbij horen. David beschouwt zichzelf als buitenstaander en ondergaat in het ziekenhuis gelaten alle goedbedoelde maar verplichte bezoeken van klasgenootjes en de Cliniclowns.
Hilarisch en deprimerend
Kuren is gebaseerd op eigen ervaringen van de schrijver. Het schrijven hierover had wel wat voeten in de aarde, want in de eerste versie werd het een huilerig verhaal en voegde het niet veel toe aan wat er al over kinderkanker is geschreven (en dat is heel erg veel…). Wat nu in Kuren terecht is gekomen is, ik citeer de schrijver, een hysterische monoloog over de kankerervaring. Met alle hilarische (en deprimerende) kanten ervan, zoals dat optreden van de Cliniclowns, of die dame van de stichting ‘Doe een wens’, die voortdurend in huilen uitbarst door al het leed dat ze tegenkomt. David is een dwarse, die, ik citeer weer uit een interview met de auteur, genoeg heeft van de tsunami van mierzoete aandacht die gestoeld is op het idee dat het onrechtvaardig is dat een kind kanker krijgt. Wat rest is een atypisch verhaal over kanker, maar dat is ook wel een verademing in de voornamelijk tranentrekkende kinderliteratuur over deze ziekte.
Luister ook naar deze podcast met Thijs Hoekstra
Arko Oderwald
Film
Urchin, nu in de bioscoop.
Hier vindt u de trailer.

Het surreële van verslaving
Mike, drugsverslaafd, wekt een soort sympathie op bij zijn omgeving die maakt dat mensen hem willen redden, of op zijn minst willen helpen zijn leven weer in het gareel te krijgen, maar tegelijkertijd weert hij de goedertierenheid van zijn omgeving telkens weer af – zijns ondanks, ben je zeker aanvankelijk geneigd te denken. We volgen zijn levenswandel in Urchin, het regiedebuut van de pas 29-jarige Britse acteur Harris Dickinson. Al in een vroege scène laat de film zien hoe wat dat betreft de vork in de steel zit, als een vriendelijke voorbijganger voor Mike een lunch wil kopen, maar Mike er met het horloge van zijn barmhartige Samaritaan vandoor gaat. Mike belandt daardoor gedurende zeven maanden achter de tralies – niet voor de eerste keer overigens.
Cyclus van crises
Wat Mike bezielt laat Dickinson in het midden – hij verliest zich nauwelijks of niet in een psychologische duiding van hoe hij zo is geworden. Veeleer probeert de maker ons deelgenoot te maken van de zichzelf in stand houdende cyclus van crises die Mikes leven bepalen en van zijn mentale toestand door filmische excursies in een surrealistisch idioom. Als Mike onder de douche staat in de gevangenis richt de camera zich op het afvoerputje en verdwijnen we via dat putje na een lange tocht in een soort grot, noem het gerust een zwart gat. Het zal niet de laatste keer zijn dat we zo – en heel effectief – een glimp opvangen van Mikes ‘binnenste’, waarbij het lijkt alsof Dickinson ons wil meevoeren in het wezen van de verslaafde, althans van deze verslaafde.
Uitzichtloos leven
Na zijn gevangenschap is Mike vastbesloten om eindelijk clean te blijven. Hij neemt een baan aan in een goedkoop hotel, later ook bij een schoonmaakbedrijf. Steeds weer gaat het een tijdje goed, maar hij heeft moeite met regels en met discipline, en last van woede-uitbarstingen. Hij probeert zichzelf te coachen met bandjes waarop meditatieoefeningen staan, maar terugval is onvermijdelijk. Het ‘zorgsysteem’ werkt bovendien niet mee.
Urchin schetst, net als de hierboven besproken roman van Ocean Vuong, een somber beeld van het uitzichtloze leven aan de rafelrand van de maatschappij, waar (en dat is anders dan bij Vuong) zelfs lotgenoten niet te vertrouwen zijn.
Is Mike wel echt te helpen, vraag je je af. Aan het slot lijkt hij op te gaan in het niets: een soort verlossing?
Henk Maassen
Film
The Chronology of Water, vanaf 8 januari in de bioscoop
Hier vindt u de trailer.

Heel worden in het water
Nog een film over de wortels van verslaving en de zucht naar vergetelheid in drugs, alcohol en ditmaal ook seks: The Chronology of Water, en opnieuw een regiedebuut. Actrice Kristen Stewart regisseerde deze film die even rauw, lichamelijk en ongrijpbaar is als de bron ervan: het gelijknamige memoir van Lidia Yuknavitch, over haar leven getekend door seksueel misbruik, drugs- en alcoholverslaving, en haar moeizame, voortdurende zoektocht naar identiteit. Yuknavitch hielp zichzelf overeind via competitief zwemmen, en later als schrijver.
Traumatisch geheugen
Anders dan in Urchin is psychologie hier geen verboden terrein. Integendeel: Stewart gunt het publiek een kijkje in het hoofd van Lidia. En vertaalde wat Yuknavitch in haar memoir aanduidt als een ‘poetics of the body’ op briljante wijze naar een overrompelend inventieve filmische vorm. Ze wilde naar eigen zeggen ‘een film die pulseert van onmiddellijkheid’, en dat bereikt ze middels een scherpe, soms abrupte, bruuske montage van beeld en geluid, dat – opnieuw volgens Stewart – moet weerspiegelen hoe het traumatische geheugen van haar hoofdpersoon werkt. Herinnering dicteert hier de vorm, niet de feitelijke chronologie van de gebeurtenissen: ‘I thought about starting at the beginning but that’s not how I remember it.’
De herinneringen en associaties zijn nooit willekeurig: beelden en gebeurtenissen raken verknoopt, keren terug, verklaren elkaar – zoals in een gedicht waarin motieven herhaald worden en pas zo betekenis krijgen. Kijk bijvoorbeeld hoe water een toevluchtsoord voor Lidia wordt, hoe verblijf in het water – ik kan het niet anders zeggen – haar gevoel van heelheid bevordert. Alles bijeen heeft Stewarts aanpak een bijna fysieke, viscerale uitwerking op de kijker.
Vloeibare geest
Iemand schreef dat Stewart met deze film ‘op een bijna subatomair niveau communiceert met de vloeibare geest van een vrouw die alleen heel werd door zichzelf toe te staan op te lossen in de kleinste essenties van haar wezen – keer op keer totdat het onmogelijk leek dat ze ooit een herkenbare vorm zou terugkrijgen.’ Raker kan ik het niet zeggen. En laat ik daarbij vooral hoofdrolspeelster Imogen Poots niet vergeten: zij draagt elke scène, een fenomenale, Oscarwaardige prestatie.
Henk Maassen