Ter Plekke – Parijs (7) – Jardin Luxembourg
Start van de wandeling: Boulevard Saint Michel, RER station Luxembourg
Kosten: geen

Rond 1922 woonde Ernest Hemingway in Parijs. Hij was 24 jaar, getrouwd met Hadley en had al snel een zoontje. Hij woonde in de Rue Cardinal Lemoine, in de buurt van Rue Mouffetard. In A moveable feast (Een Amerikaan in Parijs) doet hij verslag van zijn verblijf in Parijs.

Ernest Hemingway met zijn vrouw Hadley
Dan had je ook nog het slecht weer. Dat kwam onverwachts op een goeie dag als het najaar voorbij was. We moesten ’s nachts de ramen sluiten tegen de regen en de koude wind rukte alle bladeren van de bomen op de Place Contrescarpe. De bladeren lagen doorweekt in de regen en de wind joeg de regen tegen de grote groene autobus aan het eindpunt en het Café des Amateurs zat vol en de ramen besloegen van de warmte en de rook daarbinnen. Het was een triest, wanhopig slecht gedreven café waar de dronkaards uit de buurt bijeenkwamen en ik bleef daar uit de buurt vanwege de stank van vunzige lijven en de zure lucht van dronkenschap. De mannen en vrouwen die de Amateurs bezochten bleven aan een stuk door dronken, of althans zolang ze konden betalen; meestal van wijn die ze per half litertje of per liter kochten. Er werd wel reclame gemaakt voor veel drankjes met vreemde namen, die maar weinigen zich konden veroorloven, behalve als een soort basis waar ze dan verder met wijn hun dronkenschap op konden opbouwen. De vrouwelijke dronkaards werden poivrottes genoemd, het vrouwelijke woord voor zuiplap.
Het Café des Amateurs was de beerput van de Rue Mouffetard, die wonderbaarlijke smalle drukke straat die naar de Place Contrescarpe leidde. De petieterige toiletten van de oude huurkazernes, één op elke verdieping naast de trap, met hun beide cementen schoenvormige klampen aan beide zijden van de opening om de locataire niet te laten uitglijden, kwamen uit op beerputten die geleegd werden door de inhoud ’s avonds in door paarden getrokken tankwagens te pompen. ’s Zomers, met alle ramen open, konden we het pompen horen en was de stank niet gering. Die tankwagens waren bruin en saffraankleurig geschilderd en als ze in het maanlicht in de rue Cardinal Lemoine opereerden, leken die van wielen voorziene en door paarden getrokken cilinders wel schilderijen van Braque. Maar niemand die het Café des Amateurs kwam ledigen en die vergeelde aankondiging met de bepalingen tegen en strafrechterlijke gevolgen van dronkenschap was al even door de vliegen bevuild en genegeerd als de cliëntèle hokvast en kwalijk riekend was.
Het was geen wonder dat Ernest deze deprimerende omgeving wilde ontvluchten. Hij ging dan vaak naar Gertrude Stein. Om daar te komen moest hij door de Jardin Luxembourg, en daar begint onze wandeling, bij de porte Gay-Lussac, jawel, die van de gassen. We komen het park binnen vanuit de drukke boulevard Saint Michel.
Le Jardin du Luxembourg (‘Luxemburgse tuin’) is een stadspark in Parijs. Het werd in 1612 op verzoek van Maria de’ Medici aangelegd als park rond het Palais du Luxembourg in wat nu het 6e arrondissement van Parijs is.

Peter Paul Rubens: Maria de’ Medici, koningin van Frankrijk, Prado, Madrid
Maria de Medici was getrouwd met Hendrik IV. Tijdens het Premier Empire (Keizer Napoleon) restaureerde Jean-François-Thérèse Chalgrin het park. Sindsdien is het eigendom van de Franse Senaat. Parijzenaars spreken van le Luco.
Het park beslaat 23 ha. langs de Boulevard St-Michel, waarvan 21 ha. opengesteld zijn voor het publiek. De tuinen worden beheerst door een grote achthoekige vijver. Naast de terrassen, brede lanen en standbeelden heeft het park ook een openluchtcafé, poppentheater, tennisbanen, muziektent en een imkerschool.
De rust van het park, dat zich in het centrum van een van de grootste steden van Europa bevindt, trekt doordeweeks veel studenten die in de ijzeren stoelen rondom de vijver studeren of lezen. In het weekeinde en vooral op zondag is het Jardin du Luxembourg het domein van de gezinnen met kinderen. In het park bevinden zich meer dan honderd standbeelden, onder meer de reeks Reines de France et femmes illustres van Eugène Oudiné. Wij komen het park binnen op dezelfde plaats waar Hemingway dat deed.
Als ik ’s middags door steeds andere straten naar de Jardin du Luxembourg liep, kon ik door de tuinen wandelen en daarna naar het Musee du Luxembourg gaan waar de grote schilderijen hingen die nu grotendeels naar het Louvre en de Jeu de Paume zijn overgebracht. Ik ging er bijna elke dag heen voor de Cezannes en om naar de Manets en de Monets en de andere impressionisten te kijken waar ik voor het eerst van gehoord had in het Art Institute in Chicago. Ik leerde iets van het schilderen van Cezanne, dat het schrijven van eenvoudige echte zinnen allesbehalve voldoende maakte om aan de verhalen die dimensies te geven die ik er probeerde in te leggen. Ik leerde heel veel van hem maar ik kan me niet voldoende uitdrukken om dit aan iemand te kunnen uitleggen. Bovendien was het een geheim. Maar als het licht in het Luxembourg uitging, liep ik door de tuinen en ging langs bij Gertrude Stein die in de rue de Fleurus haar studio en flat had.
(Ernest Hemingway A moveable feast (Een amerikaan in Parijs))
De Rue de Fleurus, daar komen we nog. Maar eerst het park. Links van de ingang is een standbeeld van Georges Sand.

George Sand, pseudoniem van Amantine Aurore Lucile Dupin leefde van 1804 tot1876, was een schrijfster van romans, maar ook toneelstukken en politieke pamfletten. Ze is onder andere bekend geworden door haar relatie met Alfred de Musset en Chopin. Met de eerste ging ze naar Venetië en nadat hun relatie was beëindigd schreven ze er beiden een boek over. We kunnen even naar het beeld gaan kijken, maar daarna moeten we terug naar de ingang. Want we lopen niet rechtdoor, zoals Hemingway, maar slaan scherp naar rechts af. Het is maar een klein stukje lopen en we staan aan onze linkerhand voor een fontein. Het is de Fontaine de Léda.

Deze fontein stamt uit 1809. Het is de achterkant van de Fontaine de Medicis, die uit 1630 stamt. Deze fontein was sterk vervallen en werd hersteld in 1811. In 1864 wilde baron Hausmann een straat dwars door de fontein maken. De fontein werd daarom 30 meter verplaatst en de Fontaine de Léda werd aan de achterkant toegevoegd. De oorspronkelijke fontein aan de voorkant kreeg nieuwe beelden: Rhone en Seine op de top, en een faun en een jaagster; twee maskers en polyphemus die de geliefden Acis en Galatea ontdekt.

Anders dan de wat saaie fontein aan de andere kant is het hier meestal druk. Aan de zijkanten staan stoelen die meestal druk bezet zijn.
Op 19 Augustus 1923, ten tijde van Hemingway, arriveerde Jan Slauerhoff in Parijs. Een opvoering van L’Histoire du Soldat van Stravinsky en Ramuz kon hem weinig bekoren, maar deze fontein raakte zijn poëtische aard.
Fontaine de Medicis
(Jardin du Luxembourg]
De wanden, stijgend tot waar ’t water welt,
Doen schijnen dat ’t bassin er tusschen helt
En toch niet stroomt, voor zuivre spiegling stilligt.
De schuchtre Nimf ontvlucht niet meer, bewilligt
In Fauns omarming, blijft toch ver; zij vouwt
Zich in zijn schoot, die hij wijd openhoudt.
(Alleen haar borst raakt even zijn gezicht.)
Hoe vreemd elkander, kunnen ze in omhelzing
Vertoeven, evenals in evenwicht
De waterhelling en de bronopwelling.
Zon schuift zijn zachte schaduwen niet voort.
Zij liggen glanzend voor de donkre poort
(Waar rondom dropplen weenen, als voor ’t laatst),
Verheven voor de diepte en diep weerkaatst.
Wij gaan uiteen, hoezeer wij ons vereenden;
Wij zullen eenzaam zijn, en waren samen.
Was ’t geen geluk, wanneer wij zoo versteenden
En niet meer aan de dingen denken konden,
Die in het teerste tusschenbeide kwamen,
Niet de eerste waren en toch overwonnen?
Van de Fontaine de Medicis is het maar een klein eindje lopen naar het grote bassin. Afhankelijk van het jaargetijde en weer is het hier, zeker bij mooi weer, altijd druk. Er zitten veel mensen te lezen en kinderen spelen met de bootjes in het bassin.

We lopen om het bassin heen, nu weer eventjes in de voetsporen van Ernest Hemingway. Waarschijnlijk liep hij rechtdoor, rechtstreeks naar de Rue de Fleurus. Maar als we de trap zijn opgelopen wijken we weer tijdelijk af van zijn route en slaan links af, naar een mooie kopie van het vrijheidsbeeld van Frédéric Bartholdi, gemaakt in 1870, hoewel sommigen zeggen dat dit het origineel is.

Maar mijn informatie zegt dat het origineel in het Musée d’Orsay staat.

En dan staat er natuurlijk ook nog een exemplaar aan de Seine.

En er staat natuurlijk ook nog een vrijheidsbeeld in New York, want de Fransen geven weliswaar ruimhartig reusachtige beelden cadeau, maar ze houden ze tegelijkertijd in meervoud ook voor zichzelf.
Van het vrijheidsbeeld in de Jardin Luxembourg lopen we nu naar links naar het monument voor Frederic Chopin.

Henri Rousseau, 1909. Hermitage Museum, Sint Petersburg.
Hemingway zal vast af en toe ook wel deze weg naar Gertrude Stein hebben genomen, maar dadelijk komen we weer op zijn route. Nu verlaten we het park bij de Rue d’Assas en lopen deze weg naar rechts in. Halverwege aan de linkerkant van de weg woonde Johan August Strindberg.


Strindberg (1849 – 1912) komt uit Zweden, maar zoals zoveel mensen in die tijd trok hij naar het toenmalig centrum voor de kunst, Parijs. Hij woonde vanaf 1892 in Parijs. Daar maakte hij een zware psychische crisis door. Hij schreef gedichten, maar schilderde ook en verdiepte zich in de fotografie.

We lopen door tot de Rue de Fleurus en gaan daar linksaf. We zitten weer op het spoor van Ernest Hemingway, onderweg naar Gertrude Stein.
Gertrude Stein (1874 – 1946) was een Amerikaanse schrijfster die vanaf 1903 in Parijs woonde. Van haar kennen sommigen Rose is a rose is a rose is a rose (vaak onjuist geciteerd als: “A rose is …”) uit het gedicht Sacred Emily uit 1913. Een poging, zo zegt men, om het kubisme in de literatuur te brengen.
Ze was in Parijs samen met haar broer, de kunstcriticus Leo Stein, en had een relatie met Alice B. Toklas, van 1907 tot haar dood in 1946. Steins huis aan de Rue de Fleurus 27 was een artistiek-literaire salon, waar veel bekende kunstenaars kwamen, zoals Pablo Picasso, Henri Matisse, Ezra Pound, John Dos Passos, F. Scott Fitzgerald, John Steinbeck, TS Eliot en Erich Maria Remarque. En inderdaad Ernest Hemingway.

Gertrude Stein was degene die in de periode van het interbellum de term Lost Generation (‘Verloren generatie’) uitvond voor een groep Amerikaanse schrijvers die na de Eerste Wereldoorlog naar Parijs waren getrokken. ”You are all a lost generation” is het motto van And the sun also rises, de roman van Ernest Hemingway uit 1927.

The lost generation
In A moveable feast legt Hemingway dit uit:
Het was toen we uit Canada terug waren en in de rue Notre Dame-des-Champs woonden en Miss Stein en ik nog goede vrienden waren, dat Miss Stein die opmerking over de verloren generatie heeft gemaakt. Ze had moeilijkheden met de ontsteking van het oude T-Fordje waarin ze toen reed en de jonge man die in de garage werkte en in het laatste oorlogsjaar gediend had, was niet al te behendig geweest of had misschien niet het Fordje van Miss Stein voor laten gaan voor alle andere te repareren voertuigen. Hij was in elk geval niet serieux geweest en was ernstig door de patron van de garage op de vingers getikt nadat Miss Stein geprotesteerd had. De patron had tegen hem gezegd, ‘Jullie behoren allemaal tot een generation perdue.’ ‘Dat is precies wat jullie zijn. Dat zijn jullie allemaal,’ zei Miss Stein. ‘Al die jonge mensen die in de oorlog hebben gediend. Jullie zijn een verloren generatie.’ ‘O ja?’ zei ik. ‘Dat zijn jullie,’ hield ze vol. ‘Jullie hebben nergens respect voor. Jullie drinken je de dood in … ‘
(Ernest Hemingway A moveable feast (Een amerikaan in Parijs)

Portret van Gertrude Stein is een bekend schilderij van Picasso dat deel uitmaakte van de collectie Stein. Het bevindt zich nu in het Metropolitan Museum of Art in New York.
Toen ze bij ons op de flat kwamen was het of ze ons nog meer mochten; maar misschien kwam dat wel omdat het bij ons zo klein was en we dichter op elkaar zaten. Miss Stein zat op het bed dat op de grond lagen vroeg de verhalen te mogen zien die ik geschreven had en ze zei dat ze die mooi vond behalve een, Up in Michigan. ‘Het is goed,’ zei ze. ‘Daar gaat het niet om. Maar het is inaccrochable. Dat wil zeggen, het is als een schilderij dat een schilder schildert en dan niet kan ophangen als hij een expositie heeft en dat niemand koopt omdat men het ook niet kan ophangen.’ ‘Maar als het nu niet smerig is maar je alleen probeert om woorden te gebruiken die de mensen werkelijk gebruiken? Als dat de enige woorden zijn die dat verhaal tot zijn recht kunnen doen komen en je ze moet gebruiken? Dan moet je ze ook gebruiken.’ ‘Maar je begrijpt helemaal niet waar het om gaat,’ zei ze. ‘Je moet niets schrijven dat inaccrochable is. Het heeft geen zin. Het is verkeerd en het is dwaas.’
(Ernest Hemingway A moveable feast (Een amerikaan in Parijs)
We verlaten de salon van Gertrude Stein weer en keren terug naar het Jardin Luxembourg. Als Hemingway nog steeds op de Rue Cardinal Lemoine had gewoond dan was hij weer rechtdoor gelopen, maar hij heeft op veel plaatsen in Parijs gewoond, en naar één van die plaatsen lopen we nu. Als we het park binnenkomen slaan we daarom links af en lopen langs het standbeeld van Paul Verlaine.

Paul Verlaine (1844 – 1896) studeerde rechten in Parijs, maar de literatuur trok aan hem en hij stopte met zijn studie. Hij ging werken op het gemeentehuis en besteedde de rest van de tijd aan de poëzie. Hij dronk vooral absint en dat schijnt niet goed te zijn voor je. Het kwam tot uitbarstingen van geweld tegen zijn moeder en zijn vrouw. In 1871 begon hij een relatie met de 17-jarige dichter Arthur Rimbaud, die vlak na zijn aankomst in Parijs kort bij het gezin inwoonde, maar die later elders in Parijs verbleef. Paul Verlaine verliet zijn vrouw uiteindelijk in 1873 om met Rimbaud naar België en vervolgens naar Engeland te gaan. Daar woonden ze een tijdlang in Londen. Beiden verdienden er wat geld als leraar Frans, maar leefden ook van de toelage die Verlaine nog ontving.
In 1873 probeerde Verlaine (in een staat van dronkenschap) Rimbaud neer te schieten in hun hotelkamer in Brussel. Hij raakte hem in zijn pols. Als gevolg van de schietpartij werd hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden. Rimbaud vertrok hierna weer naar Parijs. Na zijn vrijlating zouden ze elkaar nog éénmaal treffen.
In 1884 stelde Verlaine de bundel Les poètes maudits samen, waarin hij de werken van Corbière, Rimbaud, Mallarmé en Pauvre Lelian (anagram van Paul Verlaine) bijeenbracht. De gedichten van deze dichters werden erg populair onder het grote publiek. Dat was opmerkelijk, omdat hun gedichten moeilijk te lezen zijn, dadelijk geven we daarvan een voorbeeld.

Les poètes maudits. Henri Fantin-Latour, 1872, Musée d’Orsay
Zittend van links naar rechts: Paul Verlaine, Arthur Rimbaud, Léon Valade, Ernest d’Hervilly et Camille Pelletan; Staande: Pierre Elzéar, Emile Blémont et Jean Aicard.
Met het standbeeld van Verlaine aan onze linkerhand gaan we even rechtsaf en dan meteen weer links, een brede weg richting een zijuitgang. Rechts de Orangerie van de Senaat. Links een standbeeld van Stefan Zweig, de kosmopoliet die overal in Europa thuis was, iets wat ten einde kwam toen Hitler aan de macht kwam.

Sefan Zweig was in 1904 in Parijs en hij beschrijft dat in De wereld van gisteren
De stad was toen ik haar leerde kennen nog niet zo volledig tot een eenheid versmolten als nu dankzij de metro en de auto; de enorme, door zware dampende paarden getrokken omnibussen beheersten nog het verkeer. Overigens, je kon Parijs nauwelijks behaaglijker ontdekken dan van de ‘imperial’ af, de eerste verdieping van deze brede wagens, of uit de open huurrijtuigen, die ook al niet al te gehaast reden. Maar van Montmartre naar Montparnasse was toen toch nog wel een kleine reis, en mij leek gezien de zuinigheid van de Parijse kleinburger de legende absoluut geloofwaardig dat er nog Parijzenaars van de Rive Droite waren die nooit op de Rive Gauche waren geweest, en kinderen die alleen in de Jardin du Luxembourg hadden gespeeld en nog nooit de Tuilerieen of het Pare Monceau hadden gezien. De echte burger of concierge bleef graag chez soi, in zijn eigen quartier; hij maakte voor zichzelf binnen Groot-Parijs een Klein-Parijs, en elk arrondissement had daardoor nog zijn eigenen zelfs provinciaals karakter. Het betekende voor een vreemdeling dan ook een uitgesproken besluit te kiezen waar hij zijn tenten zou opslaan.
In Parijs ontmoette hij die andere Europeaan, Rainer Maria Rilke.
Hij had altijd maar heel weinig dingen om zich heen, maar wel altijd fleurige bloemen in een vaas of een schaal, misschien van vrouwen gekregen, misschien door hemzelf behoedzaam thuisgebracht. Altijd ook de kleuren van boeken langs de wand, mooi ingebonden of zorgvuldig gekaft, want hij hield van boeken als van zwijgende huisdieren. Op zijn schrijftafel lagen potloden en pennen in een kaarsrechte lijn, en vellen onbeschreven papier in een rechthoek geordend; een Russische icoon en een katholiek crucifix die geloof ik op al zijn reizen meegingen, gaven zijn werkplek een licht religieus karakter, hoewel zijn religiositeit aan geen enkel dogma gebonden was. Aan elk detail voelde je dat het zorgvuldig gekozen en aandachtig in stand gehouden was. Als je hem een boek leende dat hij niet kende, dan kreeg je het keurig in zijdepapier verpakt terug, als een cadeautje met een kleurig lint eromheen. Ik herinner me nog hoe hij als een kostbaar geschenk het manuscript van de ‘Weise von Liebe und Tod’ op mijn kamer kwam brengen, en ik heb de band die eromheen zat tot op de dag van vandaag bewaard. Maar het mooiste was met Rilke in Parijs te gaan wandelen, want dat betekende dat je ook het meest onbeduidende als met plotseling geopende ogen in zijn betekenis zag; hij nam elke kleinigheid waar, en zelfs firmanamen op borden sprak hij, als ze hem ritmisch leken te klinken, graag hardop uit; Parijs als enige stad tot in alle uithoeken te kennen was een hartstocht voor hem, de enige die ik ooit bij hem ontdekt heb. (…)
Onze wegen hebben elkaar nog vaak gekruist, maar altijd als ik aan Rilke denk, zie ik hem in Parijs; het is hem bespaard gebleven het treurigste uur van die stad mee te moeten maken.
Aan de andere kant van dit plantsoen staat nog een buste van Beethoven, maar waarom is mij niet geheel duidelijk.
We zijn nu bij de zijingang van de Jardin Luxembourg. We steken de Rue de Vaugirard over en lopen de Rue Ferou in. Hier was één van de andere woningen van Ernest Hemingway. Hij woonde op nummer 19 5 hoog.
Je kreeg erge honger als je in Parijs niet voldoende at omdat er in de etalages van de banketbakkers zulke heerlijke dingen lagen ende mensen buiten aten aan tafeltjes op het trottoir, zodat je het eten kon zien en ruiken. Als je de journalistiek had opgegeven en niets schreef dat ook maar iemand in Amerika zou willen kopen en je had thuis verteld dat je met iemand ging lunchen, dan was de beste plaats om naar toe te gaan de tuinen van het Luxembourg, waar je vanaf de Place de l’Observatoire helemaal tot aan de rue de Vaugirard niets te eten zag of rook. Je kon dan altijd het museum ingaan en als je een lege buik had en je voelde je hol van de honger, dan kwamen alle schilderijen scherper en duidelijker en mooier uit. Als ik honger had leerde ik Cezanne veel beter begrijpen en zag ik pas echt hoe hij landschappen maakte. Ik vroeg me dan af of hij ook hongerig was als hij schilderde; maar ik dacht dat het waarschijnlijk alleen kwam doordat hij vergeten had te eten. Het was een van die ondeugdelijke maar verlichtende gedachten die je krijgt als je niet geslapen hebt of honger hebt. Later meende ik dat Cezanne waarschijnlijk op geheel andere wijze honger had. Als je uit het Luxembourg kwam, kon je door de nauwe rue Ferou naar de Place St.-Sulpice lopen en dan kwam je nog steeds geen restaurants tegen, alleen maar het rustige pleintje met zijn banken en bomen.
(Ernest Hemingway A moveable feast (een Amerikaan in Parijs)
Links op een lange muur staat een gedicht van Arthur Rimbaud, de metgezel van Verlaine.

Rimbaud schreef Le Bateau Ivre in de zomer van 1871. Hij was toen nog geen zeventien jaar oud. Hij had net, in zijn woonplaats Charleville, bij zijn vriend Bretagne Verlaine leren kennen, die hem daarna na ontvangst van enige verzen schreef: ‘Venez, chère grande âme, on vous attend, on vous désire’. Eind september gaf Rimbaud aan deze oproep gehoor
De Nederlandse stichting TEGEN-BEELD uit Leiden heeft dit muurgedicht in 2012 geplaatst. De initiatiefnemers kozen voor deze lange blinde muur omdat in 1871, hier niet ver vandaan, de toen 17-jarige Rimbaud het gedicht voor het eerst voordroeg.
Het gedicht verwoordt een denkbeeldige zeereis van een zinkende boot. De boot beschrijft haar dolende tocht vol vreemde, soms angstaanjagende ervaringen, haar fantasierijke en hallucinerende associaties, op weg naar nergens. Als een soort ontsnappingsverhaal aan het leven zelf. Een gedeelte van het gedicht hieronder in vertaling.
De Dronken Boot
Vertaling J.P. Guépin
Toen ik dan meedreef op de rustige rivieren,
Zag ik de jagers langs het pad de laatste maal:
Roodhuiden hadden om hun werplust bot te vieren,
Hen naakt gespijkerd aan de bonte totempaal.
Of ik bemanning had of niet, ’t kon mij wat schelen,
Gestouwd met Engelse katoen of Hollands graan.
Toen ik van ’t slepersvolk ’t gekijf niet meer kon velen,
Lieten de Stromen mij, waar ik maar wilde, gaan.
Die winter, dover nog dan hersenen van knapen,
In ’t woedend klotsen van de ongetoomde vloed,
Liep ik! En niet hadden de losgeslagen kapen
Zo triomfantelijk een baaierd ooit ontmoet.
De stormen zegenden mijn maritieme wake;
Zo menig slachtoffer, werd, zegt men, opgelicht;
Ik miste niet het oog van een onnozel baken,
En danste op de zee als een stuk kurk zo licht.
Zoeter dan voor een kind een rinse appel lekte
Het groene water door het vurenhouten boord,
Het wies het braaksel en de wijn die mij bevlekte,
En wierp de helmstok en het anker overboord.
Melkwitte zeeën wier vonken op sterren leken,
Ik heb van toen af aan me in Uw Gedicht gebaad,
Het groen azuur, waar als een losgeslagen bleke
Dobber een drenkeling soms peinzend ondergaat.
Op dit punt stopt deze wandeling. In de volgende Ter Plekke vervolgen we de wandeling en trekken het Parijs van de existentialisten in (en ook Hemingway keert weer terug).
Arko Oderwald