SCOOP 21: 14 februari 2026

Deze keer aandacht voor: Vertrek(punt), de nieuwe roman van Julian Barnes; Renoir, een coming-of-age film over een Japans meisje met een doodzieke vader en een oordeel over het oordeel dat Pauline Slot velt over het oeuvre van schrijver (en arts) Simon Vestdijk in haar Een jaar met Simon. Tenslotte tippen we Het aanbod, een persoonlijk verhaal over levertransplantatie, waarvan de recensie elders verscheen. Maar we staan om te beginnen stil bij het overlijden van Cees Nooteboom.

Eindredactie/correctie: Cathri van de Haar
Reacties in de vorm van opmerkingen, vragen, tips, kritiek en/of lof kunnen naar: scoop0329@gmail.com

Poëzie
Afscheid, Gedicht uit de tijd van het virus, Koppernik, 56 blz., 17,- euro

Zonder bestemming: Cees Nooteboom (1933-2026)
In 2020 publiceerde Cees Nooteboom, deze week overleden, de prachtige gedichtenbundel Afscheid. Gedicht uit de tijd van het virus, die opnieuw bewees dat Nooteboom behalve een grandioos schrijver van romans en reisverhalen ook een groot dichter was. De bundel omvat drie afdelingen van elk elf gedichten; alle verzen bestaan uit drie strofen van vier regels met onderaan een coda. Alle gedichten cirkelen rond en zinspelen op herinneringen aan personen, op het onvermijdelijke ‘einde van het einde’, op de zin van kunst, op de nietigheid van de mens ook, zoals in deze regels: ‘Wat voor geluid maakt de aarde / in het huis van de ruimte? Zoemt, neuriet, / stottert, huilt voor zich uit zonder ooit nog een aankomst.’

Een van de verzen als voorbeeld:

Dit vroeg de man in de wintertuin zich af,
het einde van het einde, wat kon dat zijn?
Het leek hem geen enkele vorm van verdriet,
hij keek naar buiten, zag een wolk die er uit

zag als een wolk, loodgrijs, te zwaar voor
elke weegschaal, de ontbladerde vijgenboom
tegen de duizendjarige stenen van de muur,
de ganzen van de buren, hun censuur,

hoe de nacht gecorrigeerd moest worden,
de grammatica van onteigening, niemand
nog zichzelf, geen enkele verschijning,
terugtocht na de nederlaag

maar geen bestemming.

In de laatste strofen van het laatste vers verdwijnt de dichter: ‘Hier moet het zijn,/hier neem ik afscheid van mijn zelf/en word dan langzaam/niemand.’
Wat een slotakkoord.
Henk Maassen

Roman
Vertrek(punt), Julian Barnes [Vertaling: Jelle Noorman], Atlas Contact, 192 blz., 22,99 euro

De dood als parallel van het leven
Ooit iemand ontmoet die ouder worden het preterminale stadium van het leven noemt? Julian Barnes wel. Maar daarover zo meer. Eerst maar eens vaststellen dat het in zijn nieuwe roman (maar is het wel een roman?) Vertrek(punt) – oorspronkelijke titel Departure(s) – ook nu weer over herinnering en geheugen gaat. En dat het – Barnes is van 1946 – naar eigen zeggen zijn laatste boek is. En dat het daar ook alle kenmerken van heeft.

Verstandelijk geheugen
Het eerste van de vijf delen waaruit Vertrek(punt) bestaat is feitelijk een lucide essay over de werking van het geheugen en de rol van veranderlijke herinneringen. Barnes schetst naar aanleiding van enige neurologische casuïstiek onder meer hoe overweldigend het zou zijn als je ineens zou worden overspoeld door al je herinneringen, als in: dat je na een stille scheet chronologisch álle scheten uit je leven opnieuw moet beleven, of dat bij de gedachte aan bacon duizenden baconsandwiches – inclusief hun kwaliteitsverschillen en jouw reacties daarop – tegelijk in je hoofd opflitsen. ‘Stel je voor hoe dodelijk vermoeiend het moet zijn’, verzucht hij.
Barnes staat vervolgens stil bij het Proustiaanse onderscheid tussen het ‘bewuste geheugen, het geheugen van het verstand’ en het ‘onwillekeurige geheugen’ dat toegang zou bieden tot iets diepers en wezenlijkers, en stelt vast dat noch hij, noch zijn vrienden ooit zo’n ‘transcendentale herinnering’ deelachtig is geworden. Maar tot frustraties heeft dat nimmer geleid, bekent hij. Integendeel, het lijkt erop alsof zijn boek bedoeld is om beide ‘geheugens’ via zijn verbeelding met elkaar in overeenstemming te brengen. Dat dit niet zonder morele problemen kan blijkt uit deel 2 en deel 4 van zijn boek.

Liaison d’amour
Die beide delen betreffen het relaas van Jean en Stephen, twee studievrienden van Barnes die halverwege de jaren zestig door zijn toedoen elkaar leerden kennen en een verhouding hadden, die uiteindelijk stukliep op hun botsende karakters: Jean, vrijgevochten en avontuurlijk, Stephen het meer brave, degelijke type. Veertig jaar zijn voorbijgegaan als Barnes opnieuw een beslissende rol als liaison d’amour c.q. katalysator speelt en zo beiden weer met elkaar in contact weet te brengen. Wanneer in een gesprek Proust wordt aangehaald en Jean schrijvers verwijt de liefde mooier voor te stellen dan zij is, hangt het onheil al in de lucht: wat voor Stephen voelt als een noodzakelijke afronding van iets wat veertig jaar geleden abrupt is gestopt, is voor Jean de ander uiteindelijk niet heel veel meer dan een voetnoot in haar leven. Jean heeft – daar is de term! – in dit naar eigen zeggen ‘preterminale stadium’ van haar leven eigenlijk geen behoefte meer aan een man als Stephen. Opnieuw zal hun verhouding dan ook geen stand houden, Barnes intussen in morele verwarring achterlatend: ‘(…) ik had Stephen en Jean behandeld alsof ze personages waren in een van mijn romans, in de waan dat ik ze met zachte drang de kant op kon sturen die me voor ogen stond. Ik had het leven aangezien voor fictie.’
Je kunt ook met evenveel reden zeggen dat Barnes op een gegeven moment niet meer weet wat wel of niet verzonnen is – en daarmee zijn lezers trouwens ook niet: de liefhebber herkent als vanouds Barnes’ fonkelende literaire spel met schijn en werkelijkheid.

Bloedkanker
Intussen hebben we in het derde deel van zijn boek vernomen dat Barnes lijdt aan myeloproliferatieve neoplasie, een zeldzame vorm van bloedkanker die weliswaar niet te genezen maar wel beheersbaar is, zo houden zijn artsen hem voor. ‘Ze zouden het beheersen door eerst een flinke hoeveelheid bloed bij me af te nemen en me daarna chemotherapie te geven – niet aan een infuus maar met een dagelijkse dosis in orale vorm. Totdat de ziekte stabiel is? vroeg ik. Nee, voor de rest van uw leven. Dat is wat ‘beheersbaar’ inhoudt. Je hebt die aandoening tot aan je dood. Maar het wordt waarschijnlijk niet je dood, tenzij er een nieuwe mutatie plaatsvindt. Als het goed is, zul je met en niet aan de aandoening sterven.’
Het is een diagnose die wel wat voeten in de aarde heeft gehad: ‘Gedurende een zomer en een herfst had ik hevige huiduitslag, die zich op twee manieren manifesteerde: grote, vurige plekken op mijn benen, waarvan sommige uiteindelijk vervelden; en honderden kleine, harde bobbeltjes op mijn rug. Ik ging langs bij een dermatoloog, die niet met zekerheid kon zeggen wat het was en me een steroïdezalf voorschreef. Vervolgens stelde ze een biopsie voor, die geen uitsluitsel gaf, maar als permanente herinnering twee keurige witte kruisjes aan de binnenkant van een pols achterliet. Uiteindelijk vroeg ze of ik ervoor voelde om een speciale kliniek voor gecompliceerde of hardnekkige gevallen te bezoeken. En dus zat ik op een ochtend een paar uur in mijn onderbroek in een spreekkamer in het St George’s Hospital in Tooting, waar dertig of veertig dermatologen en dermatologen in opleiding me onderzochten en heel veel dezelfde vragen stelden. Geen van hen had ook maar enige verklaring of suggestie te bieden, op één oudere, humeurige dermatoloog na, die me een moment vluchtig bekeek en toen zei: “Ik snap niet waarom iedereen zo moeilijk doet, het is duidelijk eczeem.” Waardoor ik me wat minder interessant voelde.’
Dat laatste zinnetje is typerend voor Barnes’ toon: als altijd licht, geestig en met Brits flegma, op het stoïcijnse af. Ook de notities die hij tijdens een verblijf in het ziekenhuis maakt – waarin zijn ‘ik’ soms verandert in een ‘hij’ – getuigen daarvan: ‘En zonder nog te weten hoe zijn ziekte verloopt en afloopt, is hij blij dat het bloedkanker is. Is dat snobistisch? Een beetje. Hij wil geen long- of leverkanker, of kanker in zijn kont of zo; wil niet dat er stukken van hem worden afgehakt of uitgesneden. Deze vorm van kanker voelt persoonlijker, meer privé.’

Palliatief pad
Met fraaie bespiegelingen over zijn geliefde schrijvers ontpopt zich het laatste deel van zijn boek – ‘Nergens heen’ heet het – tot een soort memento mori. Barnes ziet de dood niet als eindstation van een reis, maar als een trein die al die tijd parallel aan zijn leven meerijdt, om via een onverwachte wissel onvermijdelijk zijn spoor te kruisen. Inmiddels is er een tweede rail bij gekomen – die van zijn bloedkanker – zodat de botsing geen abstracte mogelijkheid meer is, maar een gedeeld, onafwendbaar moment.
Barnes: ‘Het Vertrek waarop geen Aankomst (“geen bestemming” zou Cees Nooteboom zeggen, zie hierboven, hm) zal volgen kan zich plotseling aandienen en geen tijd overlaten voor gedachten. Maar als het gaat om een overlijden onder medisch toezicht, wat het meest waarschijnlijk lijkt, valt er een heel nieuw vocabulaire te overwegen.’ Het is, aldus Barnes, moeilijk voor medisch personeel om een lexicon te ontwikkelen dat geschikt is voor eenieder die sterft, of iemand nu jong of oud is, helder van geest of dement, religieus of agnostisch, doodsbang of stoïcijns; ‘en dan hebben we het nog niet eens over degenen die radeloos (of, wie weet, hoopvol) achterblijven. Sinds kort is het woord “pad” populair. Ik weet nog dat ik een vriendin met terminale kanker naar een ziekenhuisafspraak begeleidde. Ze zat in een stoel terwijl een vrouwelijke arts in witte jas liefdevol voor haar neerknielde. Mijn vriendin zei op onzekere toon: “Ik weet niet op welk pad ik me bevind.” De arts raadpleegde
haar notities en zei vriendelijk: “Het palliatieve pad.” “Dat dacht ik al” zei mijn vriendin. En zo werd het slechte nieuws meegedeeld. Met dergelijke taal zullen we het moeten doen. Paden zijn meestal fijne plekken om op te verkeren, rustige, tot mijmeren uitnodigende, ontspannende doorgangen door velden en bossen en bergweiden, ook al eindigen sommige aan de rand van een afgrond.’

Groot gat
Het schijnt, noteert Barnes in dat laatste boekdeel, dat bij het ouder worden vaak vergeten herinneringen uit onze jeugd bovenkomen, terwijl we ons steeds minder voor de geest kunnen halen wat we op middelbare leeftijd deden. Het is hem nog niet overkomen, maar hij kan zich voorstellen hoe zich dat kan ontwikkelen wanneer de ouderdom toeslaat: ‘Onze geestelijke ruimte zal worden ingenomen door heldere beelden uit onze vroegste jeugd, dan een hele tijd niets en dan een terecht nietszeggend nu, waarin steeds dezelfde dagen en steeds dezelfde momenten van verwarring als wolken voorbijtrekken. Met andere woorden: onze levens zullen worden teruggebracht tot een verhaal met een groot gat in het midden.’
Een verhaal zoals dat van Stephen en Jean, ben je geneigd te zeggen. Barnes, inmiddels ook in het preterminale stadium van zijn leven, heeft dan al, ongelovig als hij is, laconiek geconstateerd dat de meeste levens geen pointe hebben, ook het zijne niet, en dat het ‘universum doet wat het doet’. Hij schreef wederom een prachtig (laatste…) boek dat tot de hoogtepunten in zijn toch al indrukwekkende oeuvre behoort.
Henk Maassen

Film
Renoir, nu te zien in de bioscoop
Hier vindt u de trailer.

Opgroeien met terminaal zieke vader
Chie Hayakawa brak in 2022 door met Plan 75, een dystopisch drama over een toekomstig Japan waar de extreme vergrijzing de overheid ertoe heeft gebracht senioren aan te moedigen om euthanasie te laten plegen. Nu is er Renoir: geen toekomstvisioen maar een herinnering, gefilterd door de blik van het 11-jarige meisje Fuki, dat opgroeit in het Japan van 1987, een land dat zich in razend tempo opwerkt tot economische wereldmacht. Maar in het appartement waar ze met haar vader en moeder woont blijft die wereld op afstand, de tijd loopt daar anders. Haar vader is terminaal ziek, haar moeder overwerkt. Fuki fantaseert intussen over de dood – in opstellen, dromen, gedachteexperimenten. Als haar vader bloed ophoest en de ambulance arriveert, reageert ze onaangedaan. Volwassenen projecteren weliswaar hun emoties op haar, maar de film suggereert het tegendeel: niemand weet hoe Fuki zich voelt behalve Fuki zelf.

Halve waarheden
Intussen experimenteert ze met hypnose en telepathie, geïnspireerd door een mediamiek type op tv – en dat niet altijd zonder succes. Het zijn haar pogingen grip te krijgen op een wereld waarin volwassenen elkaar voortdurend halve waarheden voorschotelen: de waarzegger die een affaire van haar moeder legitimeert, kankerremedies van kwakzalvers waarin haar vader zijn heil zoekt, artsen die als haar vader er niet naar had gevraagd zijn terminale diagnose verzwegen zouden hebben. En dan zijn er nog de verontrustende avances van een pedoseksueel met wie Fuki via een telefoonlijn in contact komt.
De zomer eindigt, de vader sterft, de wereld verandert. Blijft Fuki zichzelf? Als dat zo lijkt, dan is dat schijn. Want Hayakawa heeft ons door niet te kiezen voor een vloeiend chronologisch verhaal maar voor een structuur van betrekkelijk losse scènes waarin vooral dingen gebeuren en niet altijd veel wordt gezegd (let op de rol van paarden) wel degelijk de complexiteit van Fuki’s innerlijk leven en dus haar coming of age getoond. De maakster baseerde zich daarbij deels op eigen ervaringen. En waarom de film Renoir heet? Dat begrijpt u ongetwijfeld nadat u hem gezien heeft.
Henk Maassen

Non-fictie
Een jaar met Simon, Pauline Slot, De Arbeiderspers, 416 blz., 26,99 euro.

Simon Vestdijks oeuvre gewogen en te licht bevonden?
Wanneer is het oeuvre van een schrijver zo groot dat het de tijd overleeft, met andere woorden klassiek is? John Coetzee (1940) heeft die vraag besproken in zijn essay Wat is een klassieke roman?, onder andere aan de hand van hoe de reputatie van J.S. Bach (1685-1750) zich heeft ontwikkeld. Op 15-jarige leeftijd wordt Coetzee getroffen door diens muziek. Komt dat door het klassieke karakter van Bach of ligt het aan iets anders? Het werk van Bach werd al tijdens zijn leven bekritiseerd en toen zeker 150 jaar vergeten. Felix Mendelssohn (1809-1847) bracht het weer onder de aandacht in de 19de eeuw en dat ging samen met de verheerlijking van Duits protestantisme, waar Bach een voorbeeld van zou zijn.
Nu zeggen wij dat Bach klassiek is, maar dat is het dus niet zonder context en het is dus niet inherent of universeel klassiek. In de literatuur gebeurt hetzelfde. Toen ik een keer uit nieuwsgierigheid keek wie er allemaal de Nobelprijs voor de literatuur hadden gewonnen, ontdekte ik dat ik zeker de helft van de winnaars niet kende (maar dat zegt natuurlijk ook wat over mij). Of omgekeerd, soms komen er fantastische vergeten schrijvers opeens weer bovendrijven, zoals Sandor Marai (1900-1989) aan het eind van de vorige eeuw.

52 romans
Een lange inleiding voor de bespreking van Een jaar met Simon. Ondertitel: Over Vestdijk, een vader en de liefde voor lezen, geschreven door Pauline Slot. Zij neemt zich voor om in één jaar alle 52 romans van Simon Vestdijk te lezen en verbindt die lezing met haar eigen leven. Dat laatste wordt haar telkens door de uitgever op het hart gedrukt, want het autobiografische is nog steeds in opkomst, net zoals de roddelpers. Wat ook in opkomst is, het is met het autobiografische verbonden, is de morele en biografische evaluatie van romans in plaats van de analytische evaluatie. Pauline Slot, die in dit boek een moreel oordeel over Vestdijk velt, past dus is een bloeiende traditie met haar boek.
Simon Vestdijk is een – inderdaad – klassieke Nederlandse schrijver, opgeleid als dokter, die leefde van 1898 tot 1971. Zijn oeuvre bestaat uit autobiografische romans, waaronder de zogeheten Anton Wachter-cyclus van acht romans, avonturenromans en ‘gewone’ romans, die soms behoorlijk vreemd zijn.

Onbegrepen adolescent
Hoe pakt die lezing van Pauline Slot nu uit? Als eerste moet gezegd worden, de auteur geeft dat ook toe, dat het frame van dit boek eigenlijk onzin is. Er was zeker meer dan een jaar nodig voor het lezen en het erover schrijven. Alleen al de vele keren dat de schrijfster naar haar huis in de Eifel gaat, naar Frankrijk en Griekenland (wel om te werken, benadrukt ze), passen nauwelijks in een jaar.
Slot stoort zich vooral aan het racisme van Vestdijk in een bepaalde roman en aan zijn vrouwonvriendelijkheid in meerdere romans en bovenal aan het feit dat Vestdijk vooral het thema onbegrepen adolescent voortdurend als uitgangspunt neemt; de (autobiografische) onbeantwoorde liefde voor Ina Damman wordt telkens herhaald. Is dat een overtuigende kritiek? Gedeeltelijk, want het is minstens zo boeiend om te kijken naar zijn stijl of plot, en dat gebeurt wat minder. Dat hij telkens de miskende adolescent gebruikt moet wel gepaard gaan met de vraag of hij dat ook telkens in identieke zin doet, dus met de vraag of niet alleen het onderwerp, maar ook de plot een herhaling is. Ik bedoel: het is niet genoeg om bijvoorbeeld Julian Barnes te verwijten dat hij het altijd heeft over het geheugen (zie hierboven).
De autobiografische kant van dit boek van Slot heeft me verder nauwelijks inzicht gegeven in de vader uit de ondertitel of de moeder van de schrijfster. Ze schetst vage portretten van haar ouders die zo niet tot leven komen. Ik begrijp dat wel, je houdt toch graag dat soort privéaangelegenheden liever deels voor jezelf. Had nu maar niet naar de uitgever geluisterd, denk ik dan.

Medische opleiding
Terug naar Simon Vestdijk. Is hij nu een klassieke schrijver? Zijn autobiografische romans zijn goed geschreven, de laatste twee delen van de Anton Wachter-cyclus geven een goed beeld van de medische opleiding van meer dan honderd jaar geleden. Voor dokters is dat zeker interessant, want er blijkt nog redelijk wat hetzelfde in de opleiding. Maar er zijn zeker ook mindere romans in zijn oeuvre. Dat Vestdijk niet meer wordt gelezen zegt niet zoveel, zie Bach. Blijft dus over dat voor Pauline Slot Vestdijk bij herlezing tegenviel. Waarvan akte.
Arko Oderwald

Non-fictie
Het aanbod. Een persoonlijke geschiedenis van orgaantransplantatie, Jeroen van der Kris. Cossee, 320 blz., 27,99 euro

Levertransplantatie
Als journalist Jeroen van der Kris in 2021 een levertransplantatie ondergaat beïnvloedt dat niet alleen zijn gezondheid, maar ook zijn blik op de wereld, zijn toekomstplannen en zijn relatie met familie en vrienden. Hij schreef er een fraai boek over: Het aanbod.
De recensie vindt u deze keer niet op onze website maar in de NRC. Citaat: ‘De transplantatie heeft hem gedwongen na te denken over de vraag wie hij is en wil zijn: “Mezelf begrijpen is een vorm van controle, iets wat ik als patiënt vaak heb gemist.”’