Scoop 33: 29 augustus 2026

In deze editie duikt de Ierse schrijfster Doireann Ní Ghríofa in de archieven van een Ierse psychiatrische instelling voor haar Aldus de doden en onderneemt Dorien de Wit een zoektocht naar de wortels van haar duizeligheid in Heim, of het verhaal van mijn duizeligheid. Beide boeken zweven tussen fictie en non-fictie. In het geheel niet fictief is de lezing die Umberto Eco jaren geleden uitsprak over de cultuurgeschiedenis van pijn. Maar eerst aandacht voor de roman De Raadsheren, het postuum verschenen, sprankelende maar onvoltooid gebleven debuut van onze oud-medewerker David van den Akker.

Eindredactie/correctie: Cathri van de Haar
Reacties in de vorm van opmerkingen, vragen, tips, kritiek en/of lof kunnen naar: scoop0329@gmail.com

Roman
De Raadsheren, David van den Akker, Uitgeverij De Koolmees, 272 blz., 25 euro. Niet in de handel, maar te koop via deze link:
https://literatuurengeneeskunde.nl/roman-van-david-van-den-akker/

Veranderd in een vaatdoek
Op weg naar de apotheek om zijn hartmedicatie aan te vullen, komt Jona Bontebal een kleuterklas op weg naar zwemles tegen die in de sneeuw is gestrand. Hij biedt een helpende hand en belandt al doende in een cascade van gebeurtenissen die hem boven het hoofd dreigen te groeien. Gebeurtenissen waarin onder anderen een jochie met hersenletsel, een zwemgrootmoeder, een nerveuze schooldirecteur en een mysterieuze vrouw in een landhuis een rol spelen. En dat terwijl hij zich eigenlijk zou willen bezighouden met het schrijven van een populairwetenschappelijk boek over beerdiertjes en leeft in het besef dat zijn dagen zijn geteld: hij heeft een dodelijke ziekte. Uiterlijk gedraagt hij zich daar overigens niet naar, al was het maar vanwege zijn chronische neiging om het anderen naar de zin te maken, waarna hij – eenmaal alleen gelaten – instort van moeheid.

Stapelingsziekte
Dat is, kort samengevat, de inzet van de postuum verschenen, onvoltooid gebleven roman, De Raadsheren van David van den Akker (1958-2025), wiens biografie u in onze database vindt. Dat Jona Bontebal en zijn schepper voor een belangrijk deel samenvallen staat wel vast. Van den Akker leed aan dezelfde ziekte als zijn hoofdpersoon, die hij aldus omschrijft: ‘Jona’s hartaandoening was uiteindelijk niet de schuld van zijn hart, maar van op hol geslagen bloedcellen, die eiwitten produceerden die niet konden worden afgebroken en in de hartspier werden opgestapeld. Genezing was als gezegd onmogelijk. In een poging om het proces af te remmen had de hematoloog hem aan voortdurende chemotherapie onderworpen, waardoor Jona er achtereenvolgens ook diarree, oedeem, eczeem, staar, kapotte zenuwen en hardnekkige ontstekingen bij kreeg. Zijn haar viel niet uit, dat was een meevaller. Alles zou te dragen zijn geweest, als de ongemakken niet waren vergezeld door een almaar toenemende lethargische vermoeidheid, die ten slotte tot de gedaanteverwisseling had geleid. Hij was weliswaar geen insect geworden zoals Gregor Samsa, maar een vaatdoek, naar zijn eigen oordeel enkel een cosmetisch verschil. Natuurlijk was hij het liefst veranderd in een onverwoestbaar beerdiertje, maar dan zou hij als vermist zijn opgegeven, geen bevredigend einde.’

Monterheid
Het citaat bevat alle kenmerken die Van den Akkers roman zo leesbaar en, ondanks het sombere vooruitzicht, zo merkwaardig licht getoonzet maken. Jona is een man die weet dat zijn tijd beperkt is, maar die zich niet wil laten definiëren door zijn naderende einde. ‘Aanvankelijk rationaliseerde hij zijn bestendige monterheid door te verkondigen dat alleen domme mensen tegen het onvermijdelijke in opstand kwamen, maar hij had al gauw gemerkt dat zo’n uitspraak verkeerd kon vallen, vanwege de zelfingenomenheid die erin doorklonk en meer nog vanwege het twijfelachtige waarheidsgehalte ervan. Soms kwamen intelligente mensen toch ook tegen het onvermijdelijke in opstand? Bijna iedereen kende er wel een. Zorgverleners kenden er veel. Het voornaamste bezwaar tegen de rationalisatie, elke rationalisatie, bleef uiteraard dat het maar een rationalisatie was, alleen wilde niemand daarvan weten. Mensen geloven graag dat monterheid een keuze is.’

Adviezen
Maar het is Jona’s onderbewuste dat kiest, bevolkt als het wordt door een almaar beraadslagend gezelschap van ‘raadsheren’ – zij nemen ‘zijn’ beslissingen. Zoals de raadsheer van de Zinnelijke Lust, of de raadsheren van het Zelfrespect, van de Trots met Deemoed, van de Argwaan met Mededogen en van de Angst. Voor Jona zelf zijn deze heren onkenbaar. Hij handelt vanuit impulsen – soms geëvalueerd door het verstand – die in wezen de resultante van hun stemmen zijn. De alwetende verteller weet hoe het ‘echt’ zit, maar wel in het volle besef dat sinds de onttovering van de wereld geleidelijk zijn beslag heeft gekregen, wetenschappers geen geloof meer hechten aan het bestaan van entiteiten als raadsheren. Wie zulke beelden uit de mottenballen haalt, bedrijft louter ouderwetse personificatie en allegorie: ‘Een dichterlijke poging om de anonieme manoeuvres van de blinde levenswil te verheffen tot een waarachtige innerlijke strijd’.
Emoties en aandriften berusten, zo weten we nu, op zielloze autonome processen, zoals we die kennen van de spijsvertering en de bloedcirculatie. ‘Terwijl de natuurwetenschap almaar hoger opgaf van het verstandelijke vermogen van de mens, liet ze alles wat dat niet was geleidelijk aan uiteenvallen in onwillekeurige chemische kettingreacties. De kettingreacties die emoties en aandriften voortbrachten werden aanvankelijk samengebracht onder de noemer instinct, maar die term kreeg onder niet-ingewijden toch weer een metafysische lading en raakte dan ook in onbruik onder academici. De ontdekking van hormonen bracht uitkomst, ook al voegden die uiteindelijk niets toe aan het begrip van de zaak. Raadsheren hadden de status gekregen van kabouters.’

Wonder
In het licht van die notie en in het aangezicht van zijn aangekondigde dood las ik deze roman vooral ook als Van den Akkers antwoord op de hoogmoed van de moderne natuurwetenschap en als de mild-ironische terugkeer van een romantisch verlangen, waarin leven uiteindelijk samenvalt met liefde. Hij noteert: ‘Waar was het besef gebleven dat we niet kunnen weten wat we niet weten, omdat dat buiten het bereik ligt van onze zintuiglijke en verstandelijke vermogens? Het ontzag voor de schepping, de deemoed tegenover het wonder van het bestaan, het wonder dat alles wat er is er is, dat ik er ben, hoogmoed had het allemaal verzwolgen.’
Henk Maassen
Luister ook naar onze podcast over deze roman, die vindt u hier.

Roman
Aldus de doden, Doireann Ní Ghríofa, [Vertaling: Caroline Meijer], Cossee, 352 blz., 27,99 euro.

Psychiatrische geesten uit het verleden
Recent verscheen de roman Monsterzicht van Jan van Aken, die zich afspeelt in een psychiatrische inrichting vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Zo’n roman vergt wel wat voorbereidend werk, zoals zoektochten in archieven. Bij Jan van Aken veronderstel je dat, maar voor de Ierse schrijfster Doireann Ní Ghríofa is het archief zelfs een belangrijk onderdeel van haar dromerig geschreven roman Aldus de doden. Zij werd geraakt door de geschiedenis van een psychiatrische inrichting in Ierland en dook de archieven in om deze inrichting weer tot leven te brengen. In dit geval loopt de tijd tot ongeveer 1923, vanwege de honderd jaar grens die Ierse archieven aanhouden om openbaar te worden. Zij beschrijft de periode tussen ongeveer 1890 en 1923. Het resultaat is een roman met referenties.

Eerste vrouwelijke arts
Haar hoofdpersoon vindt Doireann Ní Ghríofa in een van de eerste Ierse vrouwelijke artsen, Lucia FitzGerald die net als onze Aletta Jacobs ook strijdster werd voor vrouwenrechten. Maar er is nog een tweede hoofdpersoon, de Lezer, in feite de schrijfster zelf die de patiëntenboeken leest die zij uit het archief haalt. Die boeken worden aangevuld met berichten uit kranten en andere bronnen uit die tijd. De Lezer wekt de suggestie dat zij net als de patiënten van Lucia psychologisch wankel is en zich eigenlijk ook onder behandeling van haar zou willen stellen. De Lezer is obsessief, want het oude gebouw van de inrichting wordt gesloopt om plaats te maken voor luxueuze appartementen en zij dringt regelmatig het afgesloten terrein binnen om nog wat van de atmosfeer van toen te ervaren.
We volgen zowel Lucia en veel van haar vrouwelijke patiënten als de overpeinzingen van de Lezer. Soms gaat dat wat verder, zoals bij de vrouw van een Ierse onafhankelijkheidsstrijder, wiens hele leven wordt beschreven. De dubbele focus op Lucia en de Lezer is soms al een hele toer, en dan is zo’n derde focus te veel van het goede.

Biografie
Aldus de doden eindigt maar liefst drie keer, omdat er na het eerste einde (de patiëntenboeken zijn ‘op’) en einde twee (nog een korte resterende levensloop van Lucia) er toch weer nieuwe informatie over Lucia opduikt via haar kleinkinderen. Op dat moment heb je opeens het gevoel dat je eigenlijk een gewone biografie aan het lezen bent. Ook de vele opgenomen plaatjes bevestigen dat beeld van ‘echtheid’, waarvan we denken dat een biografie die claimt.
Interessant is dat Ní Ghríofa er niet voor kiest de ellende van een psychiatrische kliniek in die tijd op de voorgrond te stellen, maar dat haar aandacht uitgaat naar Lucia’s pogingen om patiënten te behandelen en te helpen. Hoe moeilijk dat ook was rond 1900. Natuurlijk, Lucia stoort zich aan de jaarlijks terugkerende aantekening ‘geen verandering’ bij een patiënte. Maar zij is een ander soort dokter. En dat is een hele verademing.
Arko Oderwald

Non(?)-fictie
Heim, of het verhaal van mijn duizeligheid, Dorien de Wit, De Arbeiderspers, 207 blz., 22,99 euro.

Deinend lichaam
De duizeligheid is er elke dag. De deining van de grond waarop ze staat zit in haar lichaam. Ja, het heeft zeker ook te maken met een disfunctie van haar evenwichtsorgaan, waarschijnlijk veroorzaakt door een infectie die daar ooit heeft huisgehouden. Maar ook met iets anders: reisangst, agorafobie of nog iets diepers. De ik-figuur in Heim, of het verhaal van mijn duizeligheid, waarschijnlijk grotendeels samenvallend met auteur Dorien de Wit, blijft het liefst dicht bij haar huis en moestuin. Daarbuiten slaan angst en duizeligheid toe. Want: ‘Ik ben met een elastiek verbonden aan thuis. De rekbaarheid verschilt van dag tot dag, van jaar tot jaar, maar het bepaalt mijn actieradius als een onzichtbare grens. Als ik het elastiek niet vaak genoeg oprek, wordt het stugger. Ik moet het af en toe onder spanning zetten, testen tot waar het reikt, het dan nog ietsje verder oprekken en hopen dat die rek erin blijft voor de volgende keer, als een paar stukken schoenen die, eenmaal ingelopen, niet meer knellen.’ Dus besluit ze op reis te gaan. Naar Londen. Je zou kunnen zeggen: om de proef op de som te nemen. Hoever kan ze – vrij letterlijk – gaan?

Subtiel web
De Wits boek lijkt bij eerste lezing een vrij associatieve, betrekkelijk random verzameling van persoonlijke indrukken, ervaringen en herinneringen die met die hachelijke onderneming gepaard gaan. Bij herlezing ontdek je echter een subtiel web van motieven, beelden en heen-en-weerverwijzingen – dat De Wit ook dichter is verloochent ze niet – die tezamen het psychogram vormen van iemand die beseft dat haar duizeligheid meer is dan louter een medische aandoening. Want dat duizeligheid ook kan worden gezien als een onvermijdelijke fase van desoriëntatie of onzekerheid, die nodig is voor het vinden van een nieuw evenwicht in het leven.
Ruimtes die tegenwoordig standaard van het epitheton liminaal worden voorzien, zoals hotellobby’s en vliegvelden, fungeren daarbij als min of meer veilige overgangsgebieden – ze zweven immers tussen aankomen en vertrekken en leggen de ik-figuur zo aan een infuus dat haar steeds een kleine dosis vervreemding toedient. Noem het een soort existentiële immuuntherapie.

Meetinstrument
Toch blijft een basaal gevoel van onzekerheid en onveiligheid aan haar knagen. Bij de Franse filosoof Merleau-Ponty (1908-1961) leest ze dat ons begrip van de wereld volledig via ons belichaamde, zintuiglijke bestaan tot stand komt: ‘Mijn lichaam is het enige gereedschap om in de wereld te zijn, het is mijn bril, mijn meetinstrument.’ Maar wat als dat lichaam als waarnemingsinstrument hapert? Door een of andere ziekte bijvoorbeeld. Is het lichaam dan wel eerlijk? Kan het liegen? Daar lees je volgens De Wit niets over bij de Franse denker: ‘Stel je voor dat je in een spookhuis woont. Nee: dat je lichaam het spookhuis is.’ Heim, dat Oud-Germaanse woord voor huis, verbergt zich niet voor niets in samenstellingen als geheim, heimelijk of heimwee.

Unheimlich
Hier schuurt De Wit dicht aan tegen wat de Vlaamse essayist en filosoof Patricia De Martelaere (1957-2009) heeft omschreven als de essentie van het unheimliche: ‘Het onbestemde van een verlaten huis, een schaduw, onverklaarbare gebeurtenissen, vreemde tussenkomsten van natuurkrachten, het vertrouwde en bekende dat op de een of andere manier verontrustend wordt.’ Het Heimliche kan volgens haar zowel verwijzen naar het huiselijke, gezellige en vertrouwde als naar het stiekeme, het verdachte en, jazeker, het heimelijke. Het Unheimliche wordt op die manier synoniem met een van de betekenissen van het Heimliche zelf: het veilige thuisgevoel wordt kennelijk van binnenuit bedreigd door iets onrustwekkends. Dit onbewuste, verdrongen ik wordt behoedzaam van iedere rechtstreekse bewustwording afgehouden – wij ‘weten’ er niets van – maar vormt misschien wel veel meer de kern van wie of wat wij ‘eigenlijk’ zijn. ‘Dat ik komt tot uitbarsting (…) in plotselinge, oncontroleerbare opwellingen (wij zijn ‘onszelf’ niet meer), in dromen en nachtmerries, in redeloze angsten of obsessieve waanvoorstellingen.’ Of zou je met De Wit kunnen zeggen: in een deinende, grondeloze angst?

Sluitend verhaal
Geen wonder dat ze telkens vastloopt als ze probeert haar angst onder woorden te brengen – ze maakt steeds wisselende lijstjes van alles waarvoor ze bang is – op het absurde af, zoals bang zijn dat de zwaartekracht uitvalt. Ze zou willen dat ze een sluitend verhaal zou kunnen optekenen, ‘want dat geeft houvast’. Met woorden kun je immers een ervaring doorgronden, kun je jezelf begrijpen. Maar, vraagt ze zich tegelijkertijd af, worden ervaringen niet ook star wanneer je ze in woorden vastlegt?
Haar wonderlijk pakkende boek las ik als een ruim 200 bladzijden dik antwoord op die vraag.
Henk Maassen

Essay
Overpeinzingen over pijn, Umberto Eco, [Vertaling: Yond Boeke en Patty Krone], Prometheus, 72 blz., 12,50 euro.

Causerie over pijn
Dat Umberto Eco (1932-2016) overliep van eruditie en een groot inzicht had in en overzicht van de wereldliteratuur en de westerse filosofie, bewijst ook Overpeinzingen over pijn. Het boekje is de bewerking van de lezing die hij in 2014 uitsprak ter gelegenheid van de diploma-uitreiking van de Academie voor Palliatieve Geneeskunde in Italië.

Breed pijnbegrip
Eco vertrekt van de constatering dat mensen zich al sinds de oudheid en in alle culturen hebben beziggehouden met die onontkoombare ervaring van de menselijke en dierlijke natuur: pijn. Daarbij beperkt hij zich niet tot de Griekse of christelijke traditie. Ook bijvoorbeeld het boeddhisme komt aan bod. Want zoals altijd bij Eco is zijn intellectuele reikwijdte groot. Bovendien hanteert hij een breed pijnbegrip: het gaat bij hem niet alleen over lichamelijk lijden, maar ook om geestelijke pijn en zelfs om liefdesverdriet. Hij citeert – ook een beetje om te jennen, denk ik – de Arabische arts en filosoof Avicenna (980-1037) die als remedie tegen liefdesverdriet baden in zoet water, het kopen van slavinnen en seksuele omgang met hen aanbeveelt, alsmede aderlatingen om de ‘vitale levensgeesten’ te doen afnemen.

Lichamelijk lijden
Eco laat zien dat de eerste westerse filosofen zich vooral bezighielden met psychische pijn. Met de komst van het christendom verschuift, onder invloed van de figuur van de lijdende Christus, het accent naar lichamelijk lijden. Daarna is er volgens hem sprake van een uitgesproken verheerlijking van pijn: pijn kan boetedoening zijn en zelfs een weg naar verlossing. Met de ontwikkeling van de geneeskunde verandert dat perspectief. Lichamelijke pijn wordt steeds minder iets wat men moet ondergaan of nastreven en steeds meer een kwaad dat bestreden moet worden. Die ontwikkeling verloopt allerminst rechtlijnig. Sommige denkers blijven pijn beschouwen als een middel tot verlossing of als een bron van kennis.

Eeuwen cultuurgeschiedenis
Ook Eco’s betoog is niet erg rechtlijnig. Zoals we van hem gewend zijn beweegt hij zich moeiteloos door eeuwen cultuurgeschiedenis en citeert hij uitvoerig, maar Overpeinzingen over pijn is geen strak opgebouwd, chronologisch betoog. Eco springt soms abrupt van de ene periode of denker naar de andere, waardoor het geheel af en toe wat rommelig aandoet.
Terzijde: Eco’s Hoe herken ik een fascist is net zo’n dun boekje, maar kent een veel strakker gestructureerd betoog, dat de titel bovendien volledig waarmaakt. Handzaam en nuttig om in deze barre tijden in een ommezien de diagnose te kunnen stellen.
Henk Maassen