Start: Rue Faubourg Montmartre, uitgang/ingang passage Verdeaux
Alternatieve start: Place Blanche
Kosten: geen, of voor een speciale tentoonstelling in het Musée de la vie romantique.
We zijn net uit de laatste passage gekomen en zijn nu onderweg naar Montmartre. Dat is nog een stevige wandeling (en omhoog), maar als je deze wandeling apart loopt, dus niet in aansluiting op de passages, dan kun je ook beginnen op de Place Blanche. Je komt daar met metro 2, uitstappen Place Blanche. Je mist dan wel, behalve de wandeling, het Musée de la vie romantique.
Linksaf, de Rue du Faubourg Montmartre inlopen. Recht doorlopen, de Rue de la Fayette oversteken. Je bent nu in de Rue Notre Dame de la Lorette. Op deze weg door blijven lopen. Aan je linkerhand passeer je de Notre dame de la Lorette kerk.

Als je daar even binnen kijkt zie je wellicht Gérard de Nervalle zitten, met een kreeft aan een touwtje (hoewel dat waarschijnlijk in het Palais Royal was).
Het was te laat voor het bezoek dat ik had willen afleggen. Ik liep dus door de straten terug naar het centrum van Parijs. In de buurt van de Rue de la Victoire kwam ik een priester tegen en in mijn ontreddering wilde ik bij hem biechten. Hij zei dat hij niet van die parochie was en dat hij op weg was naar een avondje bij iemand thuis; als ik hem de volgende dag zou willen spreken in de Notre-Dame, hoefde ik alleen maar te vragen naar pater Dubois. Wanhopig, huilend begaf ik me naar de Notre-Dame-de Lorette, waar ik me op mijn knieën wierp voor het altaar van de Heilige Maagd om vergiffenis voor mijn zonden te vragen. Iets in mij zei: De Heilige Maagd is dood en je gebeden dienen nergens toe. Ik knielde neer bij de laatste plaatsen in het koor en liet een zilveren ring van mijn vinger glijden met een steen waarin deze drie Arabische woorden waren gegraveerd: Allah! Mohammed! Ali! Meteen gingen er verscheidene kaarsen in het koor branden en er begon een dienst waaraan ik in de geest trachtte deel te nemen. Toen ze bij het Ave Maria waren gekomen, hield de priester midden in het gebed op en begon zeven maal opnieuw zonder dat ik me de volgende woorden kon herinneren. Vervolgens werd het gebed beëindigd en de priester hield een betoog dat uitsluitend op mij van toepassing leek te zijn. Toen alle kaarsen uit waren, stond ik op, ging naar buiten en begaf me in de richting van de Champs-Elysees,
Gerard de Nerval: Aurélia of de droom en het leven
Wij gaan niet naar de Champs Elysees, maar verder de heuvel op. We lopen nog steeds op de Rue Notre Dame de la Lorette. We passeren een rotonde en het metrostation Saint Georges.

Er staan hier een paar schitterende huizen. Nog steeds doorlopen op de Rue Notre Dame de la Lorette. Op de kruising met de Rue Jean Baptiste Pigalle gaan we schuin links de Rue Chaptal in. Aan je rechterhand zie je een pareltje, La musée de la Vie Romantique. Dit vroegere huis van de Nederlandse schilder Ary Scheffer (1795 – 1858) uit Dordrecht was een trefpunt voor acteurs, filosofen en schrijvers.

Ary Scheffer la Marseillaise, 1825, Dordts museum
Vandaag is het museum deels opgedragen aan George Sand. In het museum bewonder je haar schrijfmateriaal, een afdruk van haar hand, juwelen en schilderijen van… wederom haar hand. Als extra bonus vermelden we graag het aanpalende theehuis onder de bomen. Iedereen schuift er bij elkaar aan tafel, er zitten enkele dames te schilderen en het publiek is erg boekenlievend. Het museum is gerenoveerd en gaat 14 Februari 2026 weer open. De permanente collectie is gratis te bezoeken, speciale tentoonstellingen zijn betaald.
George Sand, pseudoniem van Amantine Aurore Lucile Dupin (1804 – 1876), door haar huwelijk tevens barones Dudevant, was een Frans schrijfster en feministe avant la lettre. Zij schreef onder meer romans, novelles, sprookjes, toneelstukken, een autobiografie, literaire kritieken en politieke teksten. Zij speelde ook een politieke rol door zijdelings deel te nemen aan de voorlopige regering van 1848.

Georges Sand en Fredéric Chopin door Eugène Delacroix. Dit schilderij is na de dood van Delacroix in tweeën geknipt. Het portret van Chopin hangt in het Louvre in Parijs. Het portret van Sand hangt in het Ordrupgaard Museum in Kopenhagen.
Bij het verlaten van het museum rechtsaf en bij de kruising rechtsaf de Rue Blanche inlopen tot aan de Plache Blanche. Daar is, links aan de overkant, de befaamde Moulin Rouge.

Parijs gonsde van geruchten over een nieuwe muziektempel die zou opengaan in oktober 1889. De eigenaars van dit nieuwe etablissement, Joseph Oller en Charles Zidler, die hun zaak ‘Moulin Rouge’ (rode molen) hadden gedoopt, gaven het de bijnaam ‘Le Premier Palais des Femmes’ (het eerste paleis van de vrouwen) en beweerden dat de Moulin Rouge weldra een tempel van muziek en dans zou worden.
De Moulin Rouge kreeg al snel de naam de plaats te zijn waar men jonge Parijse vrouwen aan het werk kon zien waarvan de dansbewegingen al even losjes waren als de zeden. En ook al was de Can-Can dans reeds bekend bij de werkende klasse sinds de jaren 1830, het was de Moulin Rouge die de populariteit ervan massal maakte. In die tijd was de dans een wat schunnige dans, uitgevoerd door vrouwen om hun mannelijk cliënteel te behagen. Het was in die periode dat de kunstenaar Henri de Toulouse-Lautrec er een veelgeziene gast was. Veel van zijn kunstwerken tonen scènes uit de befaamde Moulin Rouge.

Henri Toulouse de Lautrec In de Moulin Rouge, de dans. 1890. Philadelphia Art Museum.
Later werd de Moulin Rouge een stuk deftiger en raakte het de reputatie kwijt van een huis van lichte zeden te zijn. Het werd daarentegen een muziektempel bekend vanwege de uitbundige cabaret shows waarmee het een publiek uit de hogere klasse aantrok. Hopelijk zijn de recent afgewaaide wieken van de molen weer hersteld.
Voordat we verder naar boven lopen nemen we eerst even een kijkje op de plek waar Boris Vian en Jacques Prévert woonden, in een straatje links van de Moulin Rouge. Dat straatje geeft toegang tot de Cité Veron.

Boris Vian (1920 – 1959) was een Franse schrijver, ingenieur, dichter, anarchist, chansonnier en jazztrompettist. Zijn werk was vaak controversieel, zeker in het Frankrijk van de jaren 50. Hij heeft 11 romans geschreven, vier dichtbundels, diverse theaterstukken, filmscenario’s, chansons, et cetera. Vian vertaalde het werk van Raymond Chandler in het Frans.
‘Hum!…’ zei de professor, ‘ze heeft iets aan haar rechterlong. Maar ik weet niet wat het is…’ … ‘Je hoort een merkwaardige muziek in haar long,’ zei de professor. Hij keek een beetje zorgelijk.
Boris Vian Het schuim der dagen
Als trompettist was hij vaak te beluisteren in de jazzclub Tabou. Vian schreef ongeveer 400 chansons. Serge Reggiani, Juliette Gréco, Nana Mouskouri, Yves Montand, Magali Noël en Henri Salvador zongen ze.
Jacques Prévert was aanvankelijk een surrealist en communist. Hij verliet beide bewegingen, maar blijft artistiek zeer veelzijdig. Hij schreef toneelstukken, scenario’s voor films (een voorloper van de film noir) en poëzie. Een aantal van zijn gedichten zoals Les Feuilles mortes, Barbara, Page d’écriture, La grasse matinée en Chanson des escargots qui vont à l’enterrement werd op muziek gezet door Joseph Kosma en gezongen door mensen als Yves Montand , Édith Piaf, Les Frères Jacques, Serge Reggiani en Juliette Gréco.
Het appartement van Boris Vian is nog steeds in de oude staat volgens onze informatie, maar niet toegankelijk. Iets verder op de Boulevard de Clichy, op nummer 104 zat de ingang naar het atelier Cormon, waar Van Gogh 3 maanden les volgde. De Moulin Rouge was er toen nog niet – een eindje verder de Boulevard op woonden Seurat en Signac. `
We lopen terug naar Place de Clichy en lopen linksaf de steile weg omhoog, de Rue Lepic. Tegenwoordig komt de Tour de France op de slotdag een paar keer langs, na een groot succes op de Olympische spelen van 2024. De route loopt helemaal tot boven bij de Sacré-Coeur en wij volgen die route omhoog, maar dan vanwege de medisch-literaire hoogtepunten. Er waren heel wat schilders en schrijvers die hier woonden. We komen ze allemaal tegen.
We lopen omhoog de butte op. Op nr 15 het café, Les Deux Moulins, beroemd gemaakt door de film The Fabulous Destiny of Amélie Poulain. We volgen de rue Lepic helemaal, bovenaan links meedraaien op de kruising met rue des Abessesses. Aan de rechterkant, op Rue Lepic 54, 4 hoog, linker twee ramen, daar woonden Theo en Vincent van Gogh van juni 1886 tot-februari 1888, toen Vincent naar Arles vertrok. Altijd wel een paar toeristen voor de voordeur.

We klimmen door. Links in de rue Tourlaque woonde Toulouse Lautrec. Op nummer 98 in de Rue Lepic woonde Louis-Ferdinand Céline.

Al in de rue Lepic kom je mensen tegen die daar boven in de stad wat vrolijkheid gaan zoeken. Ze hebben haast. Als ze bij de Sacre-Coeur gekomen zijn, kijken ze naar beneden naar de nacht, die een groot donker gat vormt, met alle huizen diep erin opeengepakt. Op het pleintje gingen we een cafe binnen dat er volgens ons het goedkoopst uitzag. Tania liet me haar uit dankbaarheid en als troost overal kussen waar ik maar wilde. Ze hield ook veel van drinken. Op de bankjes om ons heen zaten halfsjikkere feestnummers al te dommelen. De klok boven op het kerkje begon te slaan, de ene slag na de andere, ’t ging maar door. We waren aan het einde van de wereld gekomen, dat was hoe langer hoe duidelijker. Verder kon je niet meer, want daarachter had je nog alleen maar de doden. Vlak bij, van de place du Tertre, vertrokken ze, de doden. We konden ze heel goed zien vanwaar we zaten. Ze gingen recht over de Galeries Dufayel heen, oostelijk van ons dus.
(Reis naar het einde van de nacht)

Tardi, reis naar het einde van de nacht
Op rue Lepic 100 woonde Dr Gruby, een van de artsen van Theo & Vincent – die had zijn praktijk elders in Parijs, maar woonde in de rue Lepic 100: op zijn huis staat nog steeds een koepeltje, want hij was ook amateur astronoom.

En dan kom je bij de beroemde molens, Moulin de la Galette en de kleinere Radet, op de hoek met rue Girardon.

Vincent van Gogh heeft ze ook geschilderd, en het is opvallend hoe landelijk Montmartre toen nog was.

Vincent van Gogh. Moulin de la Galette. Olie op canvas, 46.5 x 38.0 cm. Parijs: Zomer, 1886. Tokyo: Artizon Museum
Nu gaan we de Rue Girardon in en komen we op het Place Dalida, met het beeld van Dalida, de zangeres met de zwoele stem, die hier woonde.

Recent was er een discussie over de vraag waarom de borst van Dalida zo’n andere kleur heeft. Eigenlijk was dat niet de discussie, want dat antwoord kennen we al

De discussie ging uiteraard over hoe we dit, met name het tongetje, kunnen vermijden.
Links is Allée des Brouillards nummer 13, we kunnen er even naar toe lopen, waar Gerard de Nerval verbleef in een psychiatrische inrichting van dokter Blanche. Deze verhuisde regelmatig. Hij had ook een inrichting op de Rue de Norvins (we komen er nog) en in Passy, vlak bij het huis van Balzac. Dat pand van dokter Blanche is nu de Turkse ambassade.

1835 De ‘butte’ van Montmartre met het eerste huis van dokter Blanche. Schilderij van Paul Glon.

Dokter Blanche
Gerard de Nerval (1808 – 1855) was één van de leden van Le club des Haschichiens. In een andere wandeling door de Marais komen we deze 19e eeuwse club nog tegen. Hij reisde onder andere naar Nederland en België waarover hij reisverslagen schreef. Hij schreef verder novellen en libretto’s, hij vertaalde Heine (1848). Maar hij is onevenwichtig en wordt opgenomen bij dokter Blanche.
Dankzij de medische verzorging was ik weer helemaal gezond, maar in mijn geest was het normale functioneren van het menselijk verstand nog niet hersteld. De inrichting waar ik me bevond lag op een heuvel en bezat een uitgestrekte tuin met zeldzame bomen. De zuivere lucht daar op die heuvel, de eerste lentegeuren, het aangenaam toeven in een buitengewoon plezierig gezelschap bezorgden me lange dagen van innerlijke rust.
De eerste blaadjes van de esdoorn brachten me in verrukking met hun heldere kleuren. Het leken wel pluimen van goudfazanten. Van ’s morgens tot ’s avonds reikte het uitzicht over de vlakte heen tot aan een lieflijke horizon, waarvan de in elkaar overgaande tinten mijn fantasie aangenaam bezighielden. Ik bevolkte de hellingen en de wolken met goddelijke gestalten, wier vorm ik duidelijk meende te onderscheiden. Ik wilde mijn dierbaarste gedachten vastere vorm geven en met behulp van stukjes steenkool en stukjes baksteen die ik op de grond vond, bedekte ik weldra de muren met een reeks schilderingen waarin mijn indrukken gestalte kregen. Een figuur stak altijd boven de andere uit: de figuur van Aurelia, afgebeeld als godin, zoals ze in mijn droom was verschenen. Onder haar voeten draaide een rad en de goden vormden haar gevolg. Ik slaagde erin die groep in te kleuren door sap uit kruiden en bloemen te persen. Hoe dikwijls heb ik staan dromen bij dit geliefde afgodsbeeld! Ik deed nog meer. Ik probeerde uit aarde het lichaam te boetseren van de vrouw die ik liefhad; elke achtend moest ik opnieuw beginnen, want de gekken, die jaloers waren op mijn geluk, hadden er plezier in het beeld kapot te maken.
Gerard de Nerval Aurélia of De droom en het leven

Gérard de Nerval
De Nerval schrijft in deze periode (1853 – 1854) op aanraden van dokter Blanche zijn bekendste werk: Les Filles du feu, en Aurélia ou le rêve et la vie.
Op 26 januari 1855 werd hij hangend aangetroffen aan de spijlen van een hek, dat de afsluiting van een riool vormde in de Rue de la Vieille-Lanterne, in de “meest smerige uithoek die hij had kunnen vinden” volgens Baudelaire. (Deze straat bestaat nu niet meer, is verdwenen met de sloop van de Hallen) Zijn vrienden brachten de veronderstelling in omloop van een moordaanslag door zwervers, tijdens een van zijn gebruikelijke wandelingen door ongunstig bekendstaande buurten, maar er is zonder twijfel sprake geweest van suïcide. Maar er blijft twijfel bestaan, want hij werd aangetroffen met zijn hoed op zijn hoofd, terwijl het aannemelijk is dat die afgevallen zou zijn door de worsteling die door de verstikking teweeg zou zijn gebracht.
We nemen nu de bocht naar rechts en lopen de Rue de l’abreuvoir in. Het stratenpatroon is nog oorspronkelijk in dit gebied

2023

1907
Op de kruising met de Rue des Saules is het huis waar de schilder Utrillo woonde, la maison rose.

Maurice Utrillo (1883 – 1955) was de zoon van de ongehuwde Suzanne Valadon, die zelf ook het kind van een ongehuwde moeder was. Zij wist zich op te werken van schildersmodel tot kunstschilder. We weten niet wie de vader van Maurice was. Een Spaanse kunstenaar, Miquel Utrillo, nam het wettig vaderschap op zich.
De moeder van Maurice liet de opvoeding aan haar moeder over. Maurice leed op jonge leeftijd aan epileptische aanvallen. Op zijn 17e ging Maurice werken, maar dat wilde niet erg vlotten. Hij werd telkens ontslagen vanwege woedeaanvallen. In 1905 en 1906, na in een inrichting opgenomen te zijn geweest, schilderde hij vooral landschappen. In 1923, toen hij samen met zijn moeder exposeerde in Galerie Bernheim-Jeune, brak hij door bij het grote publiek. Ondanks zijn succes raakte hij af en toe weer aan de drank en werd hij vijf keer opgenomen in inrichtingen. In 1935 trouwde hij met Lucie Valore (1878-1965), de weduwe van kunsthandelaar en verzamelaar Pauwels en verhuisde hij naar Le Vésinet, even buiten Parijs. In de laatste jaren van zijn leven was hij er zo slecht aan toe dat hij niet meer buiten kon schilderen en werkte nog uitsluitend op zijn geheugen en van foto’s en ansichtkaarten.
Maurice Utrillo ligt begraven op het Cimetière Saint-Vincent in Montmartre.

Maurice Utrillo Montmartre
We lopen linksaf de Rue des Saules in en lopen langs de unieke wijngaard van Montmartre aan je rechterhand tot de volgende kruising. Op de hoek ligt cabaret le Lapin Agile.

Het cabaret kreeg zijn naam door de tekening van de humorist André Gil van een konijn dat uit een pan ontsnapt. Le Lapin à Gil werd al snel le Lapin Agile, of het lenige konijn. De zanger Aristide Bruant, wiens silhouet met zwarte cape en rode sjaal in ons collectieve geheugen gegrift staat dankzij de tekeningen van Toulouse-Lautrec, kocht het cabaret in 1902. Braque, Modigliani, Apollinaire kwamen er vaak en Picasso betaalde er ooit voor een maaltijd met een schilderij. Je vindt er geen topless danseressen, wel Franse humor, poëzie, muziek en Franse chansons. Luidkeels meezingen is toegestaan.

Henri de Toulouse-Lautrec
We gaan rechtsaf de Rue Vincent in. Rechts nog steeds de wijngaard. We lopen door en kruisen rechts een trap omhoog en schuin links de Rue Becquerel. Op deze hoek is het huis van Louis Hector Berlioz (1803 – 1869)

Berlioz was componist, muziekcriticus en dirigent en één van de belangrijkste en meest vernieuwende vertegenwoordigers van de romantiek. Berlioz was de zoon van een plattelandsdokter. In 1821 werd hij door zijn ouders naar Parijs gestuurd om er geneeskunde te studeren. Maar hij kwam er zo onder de indruk van de opera dat hij tegen de wens van zijn ouders in besloot componist te worden. Maar hij was ook schrijver van essays. In het Nederlands verscheen Avonden met het orkest. Het is een bonte verzameling verhalen, anekdotes en satires die samen een zeer levendig beeld geven van het muziekleven in de negentiende eeuw. Zijn Mémoires (1870), die pas na zijn dood werden gepubliceerd, zijn ook in het Nederlands vertaald en worden niet alleen in de muziek maar in de gehele literatuur als klassieker beschouwd.
We lopen weer verder en nemen de bocht naar rechts, de Rue de la Bonne. We lopen nu achter de Sacré-Coeur. Deze kant zie je niet vaak, omdat de meeste mensen die de kerk bezoeken altijd van de andere kant komen. De Sacré-Coeur is mooi wit vanwege het travertijn, kalksteen.
De Sacré-Coeur werd gebouwd om de 58.000 doden van de Frans-Duitse oorlog van 1870 – 1871 te herdenken. De eerste steen werd in 1875 gelegd en het gebouw was klaar in 1914, net toen er alweer een oorlog met Duitsland was. Geen wonder dat toen de Duitsers in 1940 in Parijs stonden, zij een foto namen met een heuvel vol soldaten, met de Sacré-Coeur op de achtergrond. Helaas kan die foto hier niet gebruikt worden.
We zijn bijna bij het eind van onze wandeling. We slaan rechts af, de Rue du Chevalier de la Barre in, die we naar rechts buigend blijven volgen. T-splitsing met de Rue Mont Cenis, daar naar links en meteen weer naar rechts, de Rue Saint Rustique. Dan linksaf de rue Norvins in, op de hoek met rue des Saules.
Hier is de voormalige psychiatrische inrichting gelegen, waar Gerard de Nerval zijn laatste jaren sleet. Het werd La folie Sandrin genoemd en is gehuisvest op Rue Norvins 22. De gebouwen, waarvan sommige dateren uit de 18e eeuw, werden eerst Bellevue Palace genoemd. Ze worden in 1774 gekocht door Antoine Gabriel Sandrin.
In 1805 verkocht hij zijn eigendom aan dr. Prost een psychiater die discipel was van Philippe Pinel, die rebelleerde tegen de onmenselijke behandeling van psychiatrische patiënten. Zie één van de toekomstige Ter Plekke’s over het Salpetrière ziekenhuis.

Philippe Pinel
Dr. Prost deelde zijn maaltijden met de patiënten en praatte met hen, een geheel nieuwe benadering, vergeleken met de kettingen eerder. Dr. Blanche nam het in 1820 van hem over. Gérard de Nerval beschreef het in “La Boheme Galante” als een “modieuze en zelfs aristocratische villa”
Daar (in de inrichting) manifesteerde mijn kwaal zich weer met wisselende hevigheid. Na een maand was ik hersteld. In de twee maanden die volgden hervatte ik mijn zwerftochten rond Parijs. De langste tocht die ik heb gemaakt was naar Reims om de kathedraal te bezichtigen. Langzamerhand begon ik weer te schrijven en ik schreef een van mijn beste novellen. Maar het schrijven kostte me moeite, ik schreef bijna altijd met potlood op losse vellen papier, luisterend naar wat mijn mijmeringen of mijn wandeltochten toevallig bij mij deden opkomen. Van de correcties werd ik erg zenuwachtig. Een paar dagen na de publicatie begon ik aan een hardnekkige slapeloosheid te lijden. Ik ging de hele nacht wandelen op de heuvel van Montmartre en keek naar de zonsopgang. Ik praatte uitgebreid met de boeren en de werklui. Een andere keer liep ik naar de Hallen. Op een avond ging ik eten in een cafe aan de boulevard en voor de grap gooide ik goud- en zilverstukken omhoog. Daarna ging ik naar de Hallen en ik kreeg onenigheid met een onbekende die ik een flinke oplawaai verkocht; ik begrijp niet waarom dat nooit gevolgen heeft gehad. Toen ik op een bepaalde tijd de klok van de Saint-Eustache hoorde slaan, moest ik denken aan de strijd tussen de Bourgondiers en de Armagnacs en meende ik om me heen de schimmen van de strijders uit die tijd te zien oprijzen.
Gerard de Nerval: Aurélia of De droom en het leven

Als je nu de Rue Norvins linksaf inloopt, kom je op één van de grootste toeristenvallen van Parijs: de Place du Tertre. De Place du Tertre (“Heuvelplein”) is een beroemd pleintje in Montmartre en gelegen op korte afstand van de Sacré-Cœur, waar schilders, portrettekenaars en silhouetknippers aan het werk zijn. Men kan hier niet alleen landschapschilderijen kopen, maar ook een eigen portret of karikatuur laten maken. Ook bevindt zich hier het oude huis van Picasso. Zijn huis wordt nu gebruikt als museum.
We lopen door naar de Sacré-Coeur, maar nu aan de voorkant. Hier zijn ook altijd erg veel toeristen. Nog even stilstaan en over de hoofden heen genieten van het panorama.

Je kunt nu naar beneden met de funiculaire (altijd erg druk) of via de beroemde slingerende trappen voor de Sacré-Coeur, of met de rechte trappen naast de funiculaire, of per ski, zoals op 6 Januari 2026.

Arko Oderwald & Sofie Vandamme
Literatuur
Gerard de Nerval: Aurélia of de droom en het leven
Boris Vian. Het schuim der dagen
Louis Ferdinand Céline. Reis naar het einde van de nacht
Tardi. Reis naar het einde van de nacht